RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/272226-23
Uitspraakdatum: 31 maart 2026
Tegenspraak
Verkort strafvonnis (ex artikel 138b van het Wetboek van Strafvordering (Sv))
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2025 en 31 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Funke Küpper en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Gijsberts, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 maart 2023 tot en met 13 november 2023 te Den Haag en/of Almere en/of Schiedam en/of Hoogeveen en/of Eindhoven en/of Amsterdam en/of Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 2.000 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat dat feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)
- één of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of
- telefonisch en/of via (versleutelde) berichten en/of via e-mailberichten en/of in persoon informatie uitgewisseld over en/of afspraken gemaakt over:
• de datum, waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne per (privé)vliegtuig op de luchthaven Lelystad zou (kunnen) arriveren en/of
• de betaling(en) en/of de beloning(en) voor het (kunnen en/of mogen) betreden en/of bekijken en/of opnemen en/of gebruiken van een (onderhouds)loods voor (privé)vliegtuigen op (het beveiligde deel van) de luchthaven Lelystad en/of
• het aanschaffen van één of meer voertuigen (Renaults met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]) en/of een trekker om een vliegtuig mee te kunnen verslepen en/of een trekstang en/of een koppelstuk voor het verslepen van het vliegtuig en/of
• de wijze, waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne (onopvallend) van de luchthaven Lelystad zou (moeten) worden vervoerd,
en/of
- voornoemde (onderhouds)loods voor (privé)vliegtuigen op (het beveiligde deel van) de luchthaven Lelystad bezocht en/of aldaar foto’s en/of video-opnamen gemaakt en/of deze foto’s en/of video-opnamen verstuurd naar (een) opdrachtgever(s) en/of (een) investeerder(s)
en/of
- een (piloten)uniform aangeschaft en/of
- één of meer voertuigen (twee Renaults met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]) aangekocht en/of voorhanden gehad en/of een trekker om een vliegtuig mee te kunnen verslepen geregeld en/of
- één of meer betalingen en/of borgstellingen gedaan en/of aangenomen en/of
- meermalen, althans eenmaal, klaar gestaan voor de aankomst van een (privé)vliegtuig met voornoemde hoeveelheid cocaïne en voornoemde hoeveelheid cocaïne uit dat (privé)vliegtuig te halen;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2023 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad in perceel [adres],
• een wapen van categorie III onder 1◦, te weten een pistool (Rohm RG800 (Walther)) en/of
• munitie van categorie III, te weten 117 althans één of meer knalpatronen en/of
• munitie van categorie II onder 3◦, te weten 20, althans een of meer, pyrotechnische projectielen.
2. Procesafspraken
Het verloop van de procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben op 16 augustus 2024 voor het eerst de mogelijkheden besproken voor het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening in onderhavige strafzaak. Voorafgaand aan de regiezitting van 16 september 2024 heeft de rechtbank vernomen dat tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging verschillende gesprekken zijn gevoerd in het kader van procesafspraken die zowel betrekking hebben op de strafzaak als de ontnemingsprocedure. Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft de rechtbank een laatste versie van de conceptovereenkomst ontvangen met daarin het afdoeningsvoorstel en een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank heeft vervolgens op 23 mei 2025 beslist dat, uitgaande van een globale bestudering van het dossier, het afdoeningsvoorstel een toereikende basis biedt voor een inhoudelijke behandeling van de straf- en ontnemingszaak. De behandeling van de zaak is op diezelfde datum aangehouden in verband met de medische situatie van de verdachte. De periode hierna is de gezondheid van de verdachte ernstig achteruitgegaan en is bij hem acute myeloide leukemie vastgesteld. Deze uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden hebben ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie en de verdediging nieuwe procesafspraken hebben gemaakt in onderhavige zaak.
Inhoud procesafspraken
Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank een afschrift ontvangen van een raamovereenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte. Het definitieve afdoeningsvoorstel is op 18 maart 2026 ondertekend door de verdachte, en op 20 maart 2026 door de officier van justitie. In de overeenkomst is vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging meerwaarde zien in het maken van procesafspraken. De rechtbank is in het geheel niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.
De overeenkomst omvat – voor zover betrekking hebbend op de strafzaak – de volgende afspraken:
a. indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;
b. indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
De strafzaak zal dan terugkeren in de stand waarin deze zich voor het (verder) gereedkomen van deze afspraken bevond, te weten in de fase waarin de rechtbank beslissingen moet nemen op de door de verdediging op de regiezitting van 16 september 2024 geformuleerde onderzoekswensen.
Inhoudelijke behandeling
Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de rechtbank de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel zoals deze zijn opgenomen in de overeenkomst met partijen besproken. Daarbij heeft de rechtbank de verdachte uitdrukkelijk bevraagd op zijn vrijwilligheid bij de totstandkoming. De verdachte heeft daarop te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Ook heeft hij kenbaar gemaakt volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen rechtskundige bijstand van zijn raadsman heeft gehad.
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is ook voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden stelt.
3. Beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv
De rechtbank stelt voorop, ook gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, dat de rechtbank geen partij is bij de procesafspraken en dat zij daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de behandeling en beoordeling van de strafzaak plaatsvinden volgens de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat de rechtbank de vragen van artikel 348 en 350 Sv in dit vonnis zelfstandig zal beantwoorden.
4. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
5. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op meer tijdstippen in de periode van 25 maart 2023 tot en met 13 november 2023 te Den Haag en Almere en Schiedam en Hoogeveen en Eindhoven en Amsterdam en Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 2.000 kilogram cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
- anderen heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en
- zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten of ernstig redenen hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat dat feit,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders
- telefoons voorhanden gehad en
- telefonisch en via (versleutelde) berichten en via e-mailberichten en in persoon informatie uitgewisseld over en afspraken gemaakt over:
• de datum, waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne per (privé)vliegtuig op de luchthaven Lelystad zou kunnen arriveren en
• de betalingen en de beloningen voor het mogen betreden en bekijken en opnemen en gebruiken van een loods voor (privé)vliegtuigen op het beveiligde deel van de luchthaven Lelystad en
• het aanschaffen van één of meer voertuigen (Renaults met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]) en een trekker om een vliegtuig mee te kunnen verslepen en een trekstang en een koppelstuk voor het verslepen van het vliegtuig en
• de wijze, waarop voornoemde hoeveelheid cocaïne van de luchthaven Lelystad zou worden vervoerd,
en
- twee Renaults met kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] aangekocht en voorhanden gehad en een trekker om een vliegtuig mee te kunnen verslepen geregeld en
- één of meer betalingen en borgstellingen gedaan en aangenomen;
2.
hij op 13 november 2023 te Hoogeveen opzettelijk voorhanden heeft gehad in perceel [adres],
• een wapen van categorie III onder 1◦, te weten een pistool (Rohm RG800 (Walther)) en
• munitie van categorie III, te weten 117 knalpatronen en
• munitie van categorie II onder 3◦, te weten 20 pyrotechnische projectielen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
6. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat die bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit
begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
7. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, in overeenstemming met de procesafspraken, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen, waarvan 630 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de zeer uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de zaak af te doen zoals in de procesafspraken overeengekomen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die zagen op de invoer van cocaïne via de luchthaven Lelystad en die een periode van ruim zeven maanden besloegen. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel hierin gaat gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, waaronder levensdelicten. Om de volksgezondheid te beschermen en om de criminaliteit met betrekking tot verdovende middelen te beperken worden er forse straffen opgelegd voor dit soort strafbare feiten.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Vuurwapens vormen op zichzelf beschouwd een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de samenleving. De gevolgen van het gebruik van vuurwapens zijn ingrijpend. Ook als geen lichamelijk ernstig of dodelijk letsel wordt toegebracht, veroorzaken vuurwapens immers maatschappij-ontwrichtende gevoelens van angst en onveiligheid. Dergelijk bezit verdient bestraffing, temeer omdat vuurwapens vaak worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 13 maart 2026.
Procesafspraken
De rechtbank heeft verder gelet op wat het afdoeningsvoorstel met betrekking tot de strafoplegging inhoudt en de voordelen die gepaard gaan met een dergelijke afdoening. In het afdoeningsvoorstel is verwoord dat de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring – zonder procesafspraken – tot een strafeis van drie jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou leiden.
Het voorstel dient een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak. Omdat de rechtbank in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel oordeelt, wordt een mogelijk lang proces in eerste aanleg voorkomen en vloeit daaruit in beginsel ook voort dat het belang bij een behandeling van de zaak in hoger beroep ontbreekt. Het voorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De op te leggen straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat afdoening overeenkomstig het voorstel een redelijke straf is in onderhavige zaak. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder gelet op de zeer uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit de stukken van de behandelend arts van de verdachte volgt dat de verdachte lijdt aan acute myeloide leukemie en sprake is van een levensverwachting van 6 tot 18 maanden. Hoewel de rechtbank, gelet op de ernst van de zaak, in beginsel een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats acht, ziet de rechtbank vanwege de medische situatie van de verdachte geen meerwaarde in het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom, conform de procesafspraken, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 730 dagen, waarvan 630 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren aan de verdachte opleggen.
9. Beslag
Ter zitting is gebleken dat de verdachte afstand heeft gedaan van alle op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 en 10a van de Opiumwet;
26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 730 (zevenhonderddertig) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 630 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
mr. M. Rigter en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026.