RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/272226-23
Uitspraakdatum : 31 maart 2026
Verkort vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 19 augustus 2024 ten aanzien van feit 1 in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
hierna: de veroordeelde.
1. Vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 19 augustus 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 200.000,00 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op het strafbare feit (feit 1) waarvoor de veroordeelde onder meer is gedagvaard om op 31 maart 2026 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.
2. Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 16 september 2024.
Procesafspraken
Het verloop van de procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben op 16 augustus 2024 voor het eerst de mogelijkheden besproken voor het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening in de strafzaak. Voorafgaand aan de regiezitting van 16 september 2024 heeft de rechtbank vernomen dat tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging verschillende gesprekken zijn gevoerd in het kader van procesafspraken die zowel betrekking hebben op de strafzaak als de ontnemingsprocedure. Bij e-mail van 14 mei 2025 heeft de rechtbank een laatste versie van de conceptovereenkomst ontvangen met daarin het afdoeningsvoorstel en een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank heeft vervolgens op 23 mei 2025 beslist dat, uitgaande van een globale bestudering van het dossier, het afdoeningsvoorstel een toereikende basis biedt voor een inhoudelijke behandeling van de straf- en ontnemingszaak. De behandeling van de zaak is op diezelfde datum aangehouden in verband met de medische situatie van de veroordeelde. De periode hierna is de gezondheid van de veroordeelde ernstig achteruitgegaan en is bij hem acute myeloide leukemie vastgesteld. Deze uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden hebben ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie en de verdediging nieuwe afspraken hebben gemaakt en in onderhavige zaak een schikking zijn aangegaan als bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Inhoud afspraken
Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank een afschrift ontvangen van de schikking ex artikel 511c Sv die het Openbaar Ministerie en de veroordeelde zijn aangegaan. Deze schikking is op 18 maart 2026 ondertekend door de veroordeelde, en op 20 maart 2026 door de officier van justitie. De rechtbank is in het geheel niet betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan.
De schikking omvat – voor zover betrekking hebbend op de ontnemingsvordering – aanbod dat het Openbaar Ministerie een ontnemingsvordering dan wel een verdere behandeling van de aanhangige ontnemingszaak achterwege laat c.q. deze van rechtswege laat beëindigen, indien aan de hieronder vermelde voorwaarden wordt voldaan:
de veroordeelde betaalt aan de Staat der Nederlanden een geldbedrag van € 10.595,-;
het Openbaar Ministerie zal het aanwezige conservatoir beslag (€ 10.595,-) aanwenden voor betaling van de schikking ex. 511c Sv, waarbij de veroordeelde afstand doet van de gegenereerde rente.
Inhoudelijke behandeling
Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het voorgaande met partijen besproken.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de schikkingsovereenkomst in de zin van artikel 511c Sv, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gevorderd.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming.
5. Het oordeel van de rechtbank
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 31 maart 2026 is de veroordeelde conform de door hem en het Openbaar Ministerie overeengekomen procesafspraken veroordeeld in de strafzaak. Op 31 maart 2026 heeft de rechtbank een afschrift ontvangen van de schikkingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde. De rechtbank stelt vast dat de schikkingsovereenkomst op 31 maart 2026 door de veroordeelde en het Openbaar Ministerie is ondertekend en dat daarmee een schikking tot stand is gekomen in de zin van artikel 511c Sv.
De rechtbank overweegt dat partijen met het overeenkomen van de schikking hebben beoogd dat de rechtbank geen inhoudelijke beslissing meer neemt op de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de schriftelijke schikkingsovereenkomst volgt immers dat het Openbaar Ministerie de schikking aan de veroordeelde heeft aangeboden teneinde daarmee een ontnemingsvordering achterwege te laten dan wel een verdere behandeling van de aanhangige ontnemingszaak achterwege te laten. Daar komt bij dat uit de schikkingsovereenkomst volgt dat betaling van het overeengekomen geldbedrag, te weten € 10.595,-, zal plaatsvinden doordat het Openbaar Ministerie dit bedrag verhaalt c.q. in mindering brengt op het aanwezige conservatoir beslag (een geldbedrag van € 10.595,-), nadat ondertekening en retournering van de schikking is geschied.
De rechtbank zal daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
mr. M. Rigter en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026.