RECHTBANK NOORD-HOLLAND
beslissing
Verschoningskamer
zaaknummer / rekestnummer: 373360 HA RK 26-1
Beslissing van 7 januari 2026
Op het verzoek tot verschoning ingediend door:
mr. M.A. Hoogkamer,
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
De rechter heeft op 5 januari 2026 schriftelijk verzocht zich te mogen verschonen in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/367751 FT RK 25-540 hierna te noemen: de hoofdzaak.
2. De beoordeling
Een rechter kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De rechter heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd.
De zaak betreft een verzoek van [naam] (hierna: [naam] ) om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp). De rechter heeft als lid van de meervoudige kamer op 27 november 2024 een vonnis (ECLI:NL:RBNHO:2024:12289) mede gewezen waarin de rechtbank (onder meer):
- voor recht heeft verklaard dat [naam] zijn taak als middellijk bestuurder van twee B.V.’s onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:248 BW en aansprakelijk is voor de tekorten in de faillissementen van deze vennootschappen, nader op te maken bij staat;
- [naam] heeft veroordeeld om bij wijze van voorschot aan de curator in de faillissementen van deze B.V.’s respectievelijk € 137.538,50 en € 56.366,15 te betalen.
Bij de behandeling van het verzoek om toelating tot de wsnp moet onder meer worden beoordeeld of de schulden die niet ouder zijn dan drie jaar te goeder trouw zijn ontstaan. Bij [naam] zou in dit geval de vrees kunnen bestaan dat het oordeel van de rechter op dat punt al gevormd is omdat in de uitspraak van 2024 onder meer is geoordeeld dat [naam] zijn werkwijze – het laten oplopen van schulden aan de belastingdienst en het pensioenfonds in een aparte personeelsvennootschap – bij gefailleerden niet voor het eerst toepaste, maar al twee keer eerder heeft toegepast en daarna nog eens.
In het licht van het in 2.1 weergegeven uitgangspunt dient beoordeeld te worden of de door de rechter aangevoerde argumenten voldoende grond bieden voor toewijzing van het verzoek tot verschoning. Dat is het geval. De aangevoerde feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat het optreden van de rechter in deze zaak de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen schaden. Voor toelating tot de wsnp is het criterium van de goede trouw cruciaal: het verzoek wordt op grond van artikel 288 Faillissementswet slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is (…) dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan (…) van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. De overwegingen in het vonnis van 27 november 2024 over de werkwijze van [naam] kunnen bij [naam] de schijn wekken dat de rechter zijn oordeel op dat punt al heeft gevormd en de rechter daarom niet onbevooroordeeld op het verzoek tot toelating tot de wsnp zal (kunnen) beslissen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
3. Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de rechter tot verschoning toe,
bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem,
beveelt de griffier onverwijld aan de rechter, (de gemachtigde van) [naam] en de gemeente Haarlem, afdeling schulddienstverlening, een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. T. van Muijden en mr. A.J. Wolfs, leden van de verschoningskamer, in tegenwoordigheid van mr. H. van de Vijver, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.