RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15-161499-25 (P)
Uitspraakdatum: 19 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 5 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 01 november 2024 tot en met 22 januari 2025 teHeerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland,een visuele weergave van seksuele aard, te weten een video en/of een foto van eenpersoon, te weten [de benadeelde partij] , waarop te zien was dat die [de benadeelde partij] (gedeeltelijk)ontkleed was,openbaar heeft gemaakt,terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [de benadeelde partij] kon zijn.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit. De verdediging voert daartoe aan dat geen sprake is van openbaar maken in de zin van artikel 254ba van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het (omkleed-)filmpje van het slachtoffer heeft de verdachte verstuurd in een besloten appgroep met een beperkt aantal voor het slachtoffer bekende personen. Niet kan worden aangenomen dat binnen deze groep bestanden verder zijn verspreid en op die manier openbaar zijn gemaakt. Daarnaast is volgens de verdediging bij het (omkleed-)filmpje geen sprake van beeldmateriaal van seksuele aard.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
De verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 254ba, lid 2, sub b Sr. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Openbaar maken
Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op
19 januari 2025 een video van het slachtoffer naar anderen in een Snapchat groepschat heeft gestuurd, te weten naar het slachtoffer, een vriendin van het slachtoffer en een vriend van de verdachte.
De vraag die beantwoord dient te worden is of hiermee sprake is van openbaar maken zoals ten laste gelegd. Door het versturen van de video in de Snapchat groepschat heeft de verdachte het filmpje openbaar gemaakt zoals hier bedoeld. Uit de in dit verband relevante wetsgeschiedenis volgt dat onder openbaar maken ook valt het bekendmaken aan zowel één persoon als aan meer personen. Het feit dat het filmpje is gedeeld met bekenden van het slachtoffer of de verdachte betekent niet dat geen sprake is van een openbaarmaking. Bovendien volgt uit het Snapchatbericht van ‘ [naam] ’ aan het slachtoffer dat de video vervolgens kennelijk verder is verspreid. ‘ [naam] ’ zat namelijk niet in de chatgroep waarin de verdachte het filmpje deelde, maar niet lang daarna diezelfde avond in een Snapchatbericht aan het slachtoffer refereert hij wel aan een door hem gezien filmpje van aangeefster waarover hij – kort gezegd – een opmerking van seksuele aard maakt.
Video van seksuele aard
De verdediging heeft als verweer gevoerd dat de door de verdachte gestuurde omkleedvideo niet van seksuele aard was. Dit omdat de verdachte alleen de omkleedvideo in de groepschat heeft gedeeld, en daarop droeg volgens de verdachte het slachtoffer een oversized trui.
De rechtbank verwerpt dit verweer om de volgende redenen.
Vast staat op basis van de bewijsmiddelen dat het slachtoffer deels ontkleed te zien was in de omkleedvideo. Het was de intentie van de verdachte dat het slachtoffer zou schrikken van de video, omdat zij daarop half bloot stond. Diezelfde avond nadat het filmpje was gedeeld, heeft aangeefster een bericht van ‘ [naam] ’ gekregen over een filmpje dat hij van haar zag en zinspeelt hij op seks willen hebben met haar.
Uit al deze feitelijke vaststellingen maakt de rechtbank op dat de video een intiem en privé karakter had en van seksuele aard was als bedoeld in artikel 254ba Sr, zoals het slachtoffer het filmpje ook heeft ervaren. Dat wordt niet anders als zou kloppen wat de verdachte zegt (maar wat de rechtbank niet kan verifiëren) dat zij een oversized trui droeg waardoor niet te zien was dat zij een onderbroek aan had.
De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat het filmpje een zodanig intiem seksueel karakter had dat deze door ieder redelijk denkend mens als privé zou worden beschouwd.
Nadelig voor het slachtoffer
Hoewel daarop geen verweer is gevoerd blijkt uit de bewijsmiddelen dat het verspreiden van het filmpje nadelig voor het slachtoffer kon zijn en dat de verdachte zich dat realiseerde. Het nadelige effect op het slachtoffer is dan ook bewezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een video van seksuele aard openbaar heeft gemaakt terwijl hij wist dat dit nadelig kon zijn voor het slachtoffer.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 19 januari 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, een visuele weergave van seksuele aard, te weten een video van [de benadeelde partij] , waarop te zien was dat die [de benadeelde partij] gedeeltelijk ontkleed was, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [de benadeelde partij] kon zijn.
Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren (met 10 dagen vervangende jeugddetentie).
De verdediging heeft erop gewezen dat een strafblad inreisbeperkingen voor de Verenigde Staten kan opleveren en schadelijk kan zijn voor de turncarrière van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een video van seksuele aard van het slachtoffer. De verdachte heeft de video gedeeld met het doel haar er bang mee te maken, juist omdat zij er half ontkleed op te zien was. Het slachtoffer is hierdoor ook daadwerkelijk door een kennis van de verdachte op een nare seksuele wijze via Snapchat benaderd. Het verspreiden van seksueel getint beeldmateriaal kan bij slachtoffers zorgen voor langdurige psychische klachten, een gevoel van schaamte en onmacht. Dat ook het slachtoffer geestelijk heeft geleden door wat de verdachte heeft gedaan blijkt uit de aangifte en de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer. Bovendien kan eenmaal verspreid beeldmateriaal vaak niet (volledig) worden verwijderd, zodat een slachtoffer ook na de publicatie hiermee nog lang geconfronteerd kan worden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd
18 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte rapport van de Raad voor de Kinderbescherming
(hierna: de Raad), gedateerd 22 januari 2026.
Het raadsrapport van 22 januari 2026 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in. De Raad heeft geadviseerd aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De Raad vindt namelijk dat de verdachte de consequenties van zijn gedrag moet ervaren. De verdachte is first offender en niet eerder in aanraking gekomen met politie of justitie. Het recidive risico wordt als heel laag ingeschat, waardoor de kans op herhaling van dit (delict)gedrag door de verdachte zeer klein is. Daarnaast functioneert de verdachte goed op alle domeinen en zijn geen zorgen over zijn opgroei- en opvoedsituatie. Ook doet verdachte het goed op school en sport hij op hoog niveau. De Raad ziet echter wel een risico in de gedachtegang van de verdachte inhoudende dat de verdachte met het versturen van het filmpje het slachtoffer wilde terugpakken en haar wilde laten stoppen met het vervelende gedrag dat zij volgens hem vertoonde.
Ter zitting heeft de Raad als aanvulling hierop gegeven dat de verdachte denkfouten heeft gemaakt. Inmiddels is de verdachte doordrongen van het feit dat het versturen van beeldmateriaal snel kan escaleren en dat de gevolgen voor het slachtoffer enorm zijn. De Raad heeft het idee dat de ouders van de verdachte goede gesprekken met de verdachte hebben gevoerd en meer controle uitoefenen. Het is positief dat de verdachte een duidelijk doel heeft in zijn leven en zich daarop kan richten. De Raad vindt een voorwaardelijke straf geen pedagogische meerwaarde hebben.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen. De verdachte heeft op 19 januari 2025 een grote fout gemaakt. Deze fout lijkt eenmalig te zijn. Inmiddels is er een jaar verstreken. Het gaat goed met de verdachte en hij heeft verklaard dat hij veel van de situatie heeft geleerd. Er zijn er geen zorgen over zijn opvoedsituatie, sociale contacten, schoolgang en dagbesteding (sport). Er hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. De rechtbank volgt de Raad in de visie dat de verdachte wel de consequenties van zijn fout moet ervaren, zijn sportcarrière is geen reden hiervan af te zien. Maar met de gevraagde werkstraf van beperkte duur is dat afdoende bestraft.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van twintig uren moet worden opgelegd.
De rechtbank zal bepalen dat de opgelegde werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [de benadeelde partij] (wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger] ) heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van totaal € 20.483,45 aan materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde schadevergoeding is opgebouwd uit een bedrag van € 17.983,45 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.
De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Indien de rechtbank ten aanzien van het gevorderde bedrag aan studievertraging van € 17.750,00 meent over onvoldoende informatie te beschikken, vraagt de officier van justitie de vordering op dat punt niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade gesteld dat op basis van de overgelegde informatie niet kan worden vastgesteld dat voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het tenlastegelegde feit en de gevolgde therapie. Zowel de daarvoor gemaakte kosten als de vooral door de therapie opgelopen studievertraging moeten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het gevorderde bedrag aan studievertraging vormt tevens een onevenredige belasting van het strafproces, omdat dit deel van de vordering zonder nader onderzoek niet kan worden beoordeeld.
De verdediging heeft ten aanzien van de immateriële schade gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen althans niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is onderbouwd dat het slachtoffer geestelijk letsel heeft of dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als gevolg van het feit terwijl die onderbouwing in dit geval wel nodig is.
De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding van oordeel dat de stukken bij de vordering voldoende onderbouwen dat de benadeelde partij als gevolg van het verspreiden van de video geestelijk letsel heeft opgelopen en dus in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Daaruit blijkt namelijk dat de benadeelde partij zich kort nadat de video is verspreid heeft gemeld bij de huisarts over de online gezette beelden en dat de huisarts haar heeft doorverwezen naar hulpverlening bij Wij zijn Broer. Vast staat dat de benadeelde partij vervolgens behandeling heeft gekregen van Wij zijn Broer. Hiertegenover heeft de verdediging door te wijzen op zwart gelakte delen uit het huisartsjournaal en te reppen van eerdere problemen bij het slachtoffer onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij geestelijk letsel heeft geleden door het handelen van de verdachte.
Voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de benadeelde partij aangesloten bij de Rotterdamse Schaal. Volgens de Rotterdamse Schaal staat voor het verspreiden van seksueel getint beeldmateriaal een vergoeding van maximaal € 2.500,00 wanneer het feit gekwalificeerd is als ernstig. Bij ernstige gevallen wordt minder beeldmateriaal verspreid dan in de meest ernstige gevallen en is het slachtoffer niet of minder goed herkenbaar op de openbaar gemaakte beelden. Nu in dit geval sprake is van het verspreiden van één video van niet-expliciete seksuele gedragingen en binnen een kleine groep van bekenden ziet de rechtbank aanleiding om het gevorderde bedrag van € 2.500,00 te matigen. De rechtbank zal een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt.
Hiervoor is reeds vast komen te staan dat het slachtoffer geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het feit en dat zij daarvoor is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat kosten zijn gemaakt voor het halen en brengen van de benadeelde partij naar de (dag)behandeling. De reis- en parkeerkosten ad € 233,45 staan dus in voldoende rechtstreeks verband met het feit. Dit deel van de gevorderde (verplaatste) materiële schade zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Ten aanzien van de gevorderde schade voor studievertraging is de rechtbank van oordeel dat – gezien de inhoud van de schoolverklaring – te weinig informatie is overgelegd om te kunnen bepalen of sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen de studievertraging en het feit. Nader onderzoek daarvan is een onevenredige belasting van het strafproces. Dit deel van de gevorderde materiële schade zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het openbaar maken van een video van seksuele aard] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 20 (twintig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 1.233,45, bestaande uit € 233,45 voor de materiële en € 1.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.233,45, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.W. van Dongen, voorzitter,
mr. P.E. van der Veen en mr. A.K. Mireku, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.J.M. Loos,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026.
Mr. P.E. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.