RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-347884-25 (P)
Uitspraakdatum: 9 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 maart 2026 en 26 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
thans gedetineerd in [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. W.M. van der Most en van hetgeen de verdachte en haar raadsvrouw
mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 20 december 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vraag of het ten laste gelegde feit kan worden bewezen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank overweegt daarbij nog het volgende.
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 20 december 2025 is gearriveerd op Schiphol met een vlucht vanuit Colombia. Na aankomst is haar ruimbagage onderzocht. In de koffer werden vier flessen met een pasta-achtige substantie aangetroffen en een sterke chemische geur waargenomen. Uit onderzoek door de Koninklijke Marechaussee en het Douane Laboratorium is gebleken dat de flessen cocaïne bevatten, waarbij het gezamenlijk nettogewicht, omgerekend naar een vaste stof bevattende cocaïne 2.106,72 gram is.
Bij de beantwoording van de vraag of de in de flessen aangetroffen cocaïne opzettelijk door de verdachte is ingevoerd in Nederland, geldt als uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend is en voor die inhoud verantwoordelijk is. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die passagier met de inhoud niet bekend was en dat dus het opzet op de invoer, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij de opdracht had gekregen om op reis te gaan naar Colombia en dat zij daar op de dag van vertrek naar Amsterdam op de luchthaven een koffer had aangenomen van een taxichauffeur. De verdachte heeft verklaard dat zij deze koffer in Amsterdam op de luchthaven aan iemand moest afgeven en dat zij niet in de koffer heeft gekeken. Voor de opdracht zou zij na terugkomst in haar thuisland Albanië 5000,- euro krijgen. De verdachte was in de veronderstelling dat deze reis bedoeld was als een soort test om de route en controlemomenten in kaart te brengen en dat zij niet wist dat er verdovende middelen in de koffer zaten.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat zij niet wist dat er verdovende middelen in de koffer zaten niet geloofwaardig. De verdachte heeft in de loop van het onderzoek wisselend verklaard over de vraag of zij wist dat er verdovende middelen in de koffer zaten. De verdachte heeft verder zowel bij de Marechaussee als ter terechtzitting verklaard dat zij al eerder was benaderd om drugs te vervoeren, dus ze was al bekend met dit fenomeen. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat er vanuit Colombia een grote hoeveelheid cocaïne wordt vervoerd. De verklaring van de verdachte dat het een soort test zou zijn, enkel om de route en controlemomenten te toetsen, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op de hoogte van de beloofde beloning, het gegeven dat de verdachte de koffer op de luchthaven in Bogota van een taxichauffeur overhandigd kreeg en in Amsterdam weer moest afgeven en de bevindingen van de Koninklijke Marechaussee met betrekking tot het cameratoezicht tijdens de controle op Schiphol. Uit die bevindingen volgt dat de verdachte ten tijde van de koffercontrole op haar telefoon tekstberichten uitwisselde met een persoon genaamd [naam] . In deze berichtenwisseling gaf zij aan bang te zijn voor de inhoud van de flessen. Daarnaast schreef [naam] onder meer dat er nog nooit iets was gevonden.
De rechtbank gaat daarom voorbij aan de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat zij cocaïne in de koffer vervoerde. Daarmee had zij opzet op het invoeren van cocaïne.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 20 december 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in strafmatigende zin af te wijken van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en een gevangenisstraf van twaalf maanden op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht bij de strafoplegging niet te verwijzen naar de nieuwe voorlopige uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland, omdat te verwachten is dat het Openbaar Ministerie in dat geval hoger beroep tegen deze uitspraak zal instellen. Dit zal in het nadeel zijn van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ruim twee kilogram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Tegen de invoer van harddrugs wordt daarom streng opgetreden. Gelet op de hoeveelheid ingevoerde cocaïne was deze bestemd voor verdere verspreiding en handel. Het gebruik van en de handel in cocaïne gaan gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. Vanwege voorgaande redenen worden forse gevangenisstraffen opgelegd voor de invoer van harddrugs.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf voor drugskoeriers die zijn aangehouden op de luchthaven Schiphol, heeft de rechtbank tot voor kort vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt gehanteerd. Daarin is voor de in-/uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 2 tot 3 kilogram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 24 tot 30 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
In de hiervoor genoemde oriëntatiepunten wordt met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie. De rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers enerzijds, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) het maken, de handel en de in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs anderzijds. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen dikwijls een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot alleen het vervoer. Desondanks worden deze drugskoeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor de (georganiseerde) smokkel van grote hoeveelheden drugs. Deze disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging afgesproken afdoeningsvoorstel dat – als het door de rechter wordt gevolgd – vaak leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank aanleiding om lagere straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden aangehouden op te leggen. Hiervoor hanteert de rechtbank – voorlopige – algemene uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten, die minder gewicht-categorieën kennen, ook te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in veel -maar niet alle- gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden en die (mede) daarom het misdrijf hebben gepleegd.
Die nieuwe voorlopige uitgangspunten nemen bij een gewicht tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf. Bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram is een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. Voor een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram is als uitgangspunt een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden bepaald.
De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht aan cocaïne in deze zaak 2.106,72 gram is. De rechtbank zal haar eigen recente uitgangpunten als uitgangspunt nemen bij het bepalen van (de hoogte van) de straf. Wat door de officier van justitie in dit verband naar voren is gebracht, maakt dit niet anders.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 13 februari 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Er zijn verder ook geen aanwijzingen dat de verdachte zich actief of veelvuldig bezighoudt met de drugshandel of criminaliteit. De rechtbank heeft ook gekeken naar wat de verdachte heeft verklaard over haar persoonlijke omstandigheden. Hieruit blijkt dat de verdachte schulden heeft in Albanië in verband met schade aan het huis van haar ouders als gevolg van een aardbeving.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden is.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.V. Streiff, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. J.O. Rutten, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2026.
Mr. F.V. Streiff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.