ECLI:NL:RBNHO:2026:4086

ECLI:NL:RBNHO:2026:4086

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 15-098226-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige. De verdachte heeft zijn minderjarige nichtje, in een periode van ongeveer een maand, meerdere keren seksueel misbruikt. Ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten is de rechtbank van oordeel dat de aangifte betrouwbaar is, dat er sprake is van voldoende steunbewijs en acht de rechtbank het bestanddeel ‘aan zorg en waakzaamheid toevertrouwd’ bewezen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast wordt de gehele vordering van de benadeelde partij toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-098226-25 (P)

Uitspraakdatum: 9 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 maart 2026 en 26 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.M. van der Most en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Lammers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 februari 2024 tot en met 24 februari 2024 te Stenfors en/of Robertsfors, in elk geval in Zweden, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid en/of minderjarige bediende of ondergeschikte toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door één of meermaals:

- in/op of rondom de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] te strelen en/of

- de borst(en) en/of bil(len) van die [slachtoffer] te betasten en/of

- de benen van die [slachtoffer] te strelen en/of

- de hand van die [slachtoffer] op en/of tegen zijn, verdachtes, penis te leggen en/of

- ( vervolgens) met die hand van [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te trekken.

Feit 2 primair

hij op 9 februari 2024 te Heemstede, in elk geval in Nederland ontucht heeft gepleegd

met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid en/of minderjarige bediende of ondergeschikte toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door één of meermaals:

- met zijn, verdachtes, handen die [slachtoffer] op haar rug te masseren en/of

- ( vervolgens) met zijn, verdachtes, handen die [slachtoffer] boven en/of rondom en/of tussen de borsten te masseren waarbij hij haar borst en/of tepel aanraakt.

Feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 9 februari 2024 te Heemstede, in elk geval in Nederland door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

te weten het één of meermaals masseren van haar rug en/of het masseren en/of aanraken boven en/of rondom en/of tussen de borsten en/of tepels(s) en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,

- zeer plotseling en/of onverhoeds deze [slachtoffer] aan haar rug en/of borsten en/of tepels heeft aangeraakt en/of gemasseerd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 (primair) ten laste gelegde aanraken van de tepel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zowel van feit 1 als feit 2 dient te worden vrijgesproken. De verdachte ontkent de ten laste gelegde gedragingen, de verklaring van de aangeefster is niet betrouwbaar en het dossier bevat ook onvoldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de aangeefster aan de zorg of waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Bewijsmotivering

Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van de aangeefster (hierna ook: [slachtoffer] ) betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs zijn. Indien daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaringen van [slachtoffer] voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Op 28 februari 2024 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [slachtoffer] bij de politie. Op 12 maart 2024 heeft zij aangifte gedaan van aanranding door de verdachte, haar oom, gepleegd in de periode van februari 2024. De verdachte zou haar in die periode drie keer seksueel hebben misbruikt. De eerste keer, op 9 februari 2024, vond de aanranding plaats bij de verdachte thuis, toen [slachtoffer] daar logeerde om de verdachte te helpen met de zorg voor zijn kinderen. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte haar nek en schouders en de bovenkant van haar borst masseerde en toen met zijn hand onder haar bh naar beneden via haar borst naar haar buik toe tussen haar borsten door ging. Tijdens de laatste keer spreidde hij zijn vingers en raakte hij haar tepel aan. In de voorjaarsvakantie die daarop volgde is [slachtoffer] met de verdachte en zijn gezin meegegaan naar hun vakantiehuis in Zweden. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte, toen zij op de avond van 23 februari 2024 samen in de hottub zaten, haar been aanraakte, dat zijn hand steeds meer in de richting van haar vagina ging, dat zij voelde dat hij haar schaamlippen aanraakte en met zijn hand op haar vulva en bij haar clitoris ging en met zijn vingers tussen haar schaamlippen ging. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij op de avond van 24 februari 2024, ook samen met de verdachte in de hottub zat, en dat de verdachte weer met zijn hand in de buurt van haar vagina kwam en weer tussen haar schaamlippen en bij haar clitoris streelde. Zij heeft verder verklaard dat de verdachte haar hand pakte, om zijn penis deed, haar hand vast hield en een heen en weer gaande beweging maakte. De verdachte kneep in haar linkertiet en toen [slachtoffer] naar voren leunde ging hij met zijn hand naar haar billen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] specifiek, gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent zijn over op welke wijze, onder welke omstandigheden en in welke periode het misbruik heeft plaatsgevonden.

De rechtbank twijfelt dan ook niet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] na alle momenten waarop het tenlastegelegde plaatsvond direct en spontaan hierover verteld heeft aan haar vriendin [naam 1] en haar zus [naam 2] . Er zitten geen aanknopingspunten in het dossier die erop wijzen dat de aangeefster zou zijn beïnvloed door anderen bij het afleggen van haar verklaring. De omstandigheid, zoals aangehaald door de raadsvrouw, dat anderen, ná de feitelijke beschrijving door [slachtoffer] over hetgeen gebeurd is, tegen haar gezegd hebben dat dat ‘vreemd’ is, doet niets af aan die feitelijke weergave. Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] consistent. De aangifte komt in grote lijnen overeen met hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard tijdens het informatieve gesprek op 28 februari 2024, met de door haar direct na de vakantie in Zweden opgestelde schriftelijke verklaring en met de inhoud van de tekstberichten aan [naam 1] en [naam 2] . [slachtoffer] heeft consistent verklaard over het verloop van de avonden, de handelingen die de verdachte bij haar verrichtte en hoe zij daarop reageerde. Daarnaast heeft [slachtoffer] gedetailleerd verklaard. Zo heeft ze bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte drie keer onder haar bh door naar beneden langs haar borst masseerde en dat de verdachte zijn voet bewoog toen hij haar tepel aanraakte, waardoor zij merkte dat hij doorhad wat hij aan het doen was. De rechtbank overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] verder nog dat het gegeven dat zij in Zweden niet zou hebben laten merken dat zij zich onveilig voelde – zoals de raadsvrouw heeft gesteld – niet maakt dat haar verklaring daardoor als onbetrouwbaar moet worden aangenomen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Steunbewijs

In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. Het is de rechter volgens de wet niet toegestaan om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering). De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangeefster. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig steun vinden in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangeefster.

Steunbewijs feit 1

De rechtbank is ten aanzien van feit 1 van oordeel dat de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan, en overweegt daartoe het volgende.

De aangifte vindt allereerst steun in het Whatsappbericht van 25 februari 2024 van de verdachte aan de vader van [slachtoffer] (Bijlage V bij de aangifte). In dit bericht, dat de avond na terugkomst uit Zweden is verstuurd, geeft de verdachte aan dat hij en zijn vrouw [naam 3] hebben gepraat over de afgelopen week, over aanranding en een melding daarvan. In dit bericht heeft hij geschreven dat er dingen zijn gebeurd die niet horen en dat hij daar graag zijn verantwoordelijkheid voor wil nemen. De verklaring van de verdachte dat dit appje betrekking heeft op de gummies en alcohol die zijn genuttigd tijdens de vakantie, is volstrekt ongeloofwaardig gelet op de inhoud van het bericht waarin de verdachte expliciet de aanranding benoemt.

Daarnaast wordt de aangifte gesteund door de schriftelijke verklaring van [naam 3] , de vrouw van de verdachte (Bijlage IV bij de aangifte). De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de brief van [naam 3] niet kan dienen als steunbewijs, omdat de authenticiteit van de inhoud niet kan worden vastgesteld en nadere gegevens over de brief ontbreken. Gelet op het feit dat de inhoud van de brief overeenkomt met de overige stukken in het dossier, gaat de rechtbank ervan uit dat dit een brief van [naam 3] is. In de brief staat namelijk dat [naam 3] ging wandelen en ging bellen met [slachtoffer] . Uit het Whatsappverkeer tussen de verdachte en [slachtoffer] blijkt dat zij de avond na terugkomst uit Zweden contact heeft gezocht met [naam 3] . Daarnaast heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij merkte dat er die avond iets met zijn vrouw aan de hand was en dat zij even ging wandelen. In haar schriftelijke verklaring heeft [naam 3] haar eerste reactie beschreven toen [slachtoffer] haar vertelde dat de verdachte haar had aangerand: “ik wist het!”. [naam 3] schreef verder dat zij “vol walging” reageerde en “misselijk” werd. Er viel meteen van alles op zijn plek, zo schreef zij verder. Deze beschrijving van haar eerste reactie op de melding van [slachtoffer] komt overeen met hoe [slachtoffer] het bewuste telefoongesprek met [naam 3] in haar aangifte beschrijft. [naam 3] heeft tijdens de vakantie de dynamiek en interactie tussen de verdachte en [slachtoffer] van nabij kunnen waarnemen. De rechtbank acht haar verklaring dan ook authentiek en bruikbaar als steunbewijs.

Op grond van de betrouwbaar geachte aangifte en het hierboven beschreven steunbewijs acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 23 februari 2024 tot en met 24 februari 2024 één of meermaals de vagina, schaamlippen en benen van de aangeefster heeft gestreeld, de borst en billen heeft betast en zich met de hand van de aangeefster heeft afgetrokken.

Steunbewijs feit 2

De rechtbank is ook ten aanzien van feit 2 van oordeel dat de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat ook hier aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan, en overweegt daartoe het volgende.

De aangifte vindt allereerst steun in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij op 9 februari 2024 in zijn woning in Heemstede [slachtoffer] heeft gemasseerd. De aangifte wordt bovendien ondersteund door de Whatsappconversatie van 11 februari 2024 tussen [slachtoffer] en de verdachte (Bijlagen I en II bij de aangifte). In een bericht aan de verdachte schrijft [slachtoffer] dat ze het masseren prima en fijn vindt, maar dat ze de volgende keer liever wil “dat het bij mijn rug en schouders blijft en niet verder richting mijn borst”. De verdachte heeft dezelfde avond hierop gereageerd door te zeggen dat hij het begrijpt. Een kwartier later stuurt hij een aanvullend bericht waarin hij sorry zegt, dat ze namelijk helemaal gelijk heeft en dat het sowieso niet nog een keer zal gebeuren. Hij hoopt dat hij haar “niet al te veel ongemak of ongemakkelijk” heeft laten voelen. De rechtbank gaat niet mee in de uitleg die de verdachte ter zitting aan zijn appjes heeft gegeven, namelijk als begripvolle reactie die niet ziet op zijn handelen tijdens de massage, maar slechts ziet op het feit dat als [slachtoffer] een wens/grens heeft, zij die altijd mag aangeven en dat hij die dan dient te respecteren. De rechtbank ziet in de berichten, gelet op de gebruikte woorden, wel steun voor hetgeen de aangeefster stelt dat er gebeurd is. De rechtbank leest hierin namelijk dat de verdachte het ermee eens is dat het de volgende keer anders moet (je hebt namelijk helemaal gelijk). Daar komt bij dat er een kwartier zit tussen de eerste en tweede reactie van de verdachte op het bericht van de aangeefster, waaruit de rechtbank opmaakt dat de verdachte voor het versturen hiervan een moment van reflectie heeft gehad, waarna hij ‘sorry’ zegt.

Op grond van de betrouwbaar geachte aangifte en het hierboven beschreven steunbewijs acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 9 februari 2024 de rug van aangeefster en tussen haar borsten heeft gemasseerd, waarbij hij haar borst en tepel heeft aangeraakt.

Aan zorg en waakzaamheid toevertrouwd

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte deze ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een ‘aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’ als bedoeld in artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals hem zowel onder feit 1 als feit 2 is tenlastegelegd.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ꞌaan de zorg en/of waakzaamheid toevertrouwdꞌ, moet blijkens de jurisprudentie sprake zijn van een hoedanigheid ten opzichte van de betrokken minderjarige die telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader met zich brengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarige kan ontlenen. De strekking van de betreffende wetsbepaling is bescherming te verlenen aan minderjarigen, die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen bieden dan anderen. Of van een hoedanigheid als hier bedoeld sprake is, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was [slachtoffer] zeventien jaar. [slachtoffer] is het nichtje van de verdachte. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat [slachtoffer] regelmatig op uitnodiging van de verdachte bij hem thuis kwam voor de gezelligheid en om op zijn kinderen te passen. Op die momenten bleef zij ook vaak logeren, zo ook op de avond van de massage. [slachtoffer] is door de verdachte en zijn echtgenote meegevraagd op de vakantie naar Zweden. De ouders van [slachtoffer] waren op deze momenten niet aanwezig. Gelet op de familierechtelijke relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] en het flinke leeftijdsverschil is op de momenten dat [slachtoffer] bij de verdachte verbleef zonder meer sprake geweest van een situatie waarin de feitelijke zorgplicht over [slachtoffer] rustte bij de verdachte en van een situatie waarin de zorg voor [slachtoffer] aan de verdachte was toevertrouwd.

De rechtbank acht daarom het bestanddeel ꞌaan de zorg en/of waakzaamheid toevertrouwdꞌ zowel in feit 1 als in feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij in de periode van 23 februari 2024 tot en met 24 februari 2024 te Stenfors en/of Robertsfors, in elk geval in Zweden, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door één of meermaals:

- op of rondom de vagina en schaamlippen van die [slachtoffer] te strelen en

- de borst en billen van die [slachtoffer] te betasten en

- de benen van die [slachtoffer] te strelen en

- de hand van die [slachtoffer] op en tegen zijn penis te leggen en

- vervolgens met die hand van [slachtoffer] zijn penis af te trekken.

Feit 2 primair

hij op 9 februari 2024 te Heemstede ontucht heeft gepleegd

met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , door:

- met zijn handen die [slachtoffer] op haar rug te masseren en

- met zijn handen die [slachtoffer] boven en rondom en tussen de borsten te masseren en daarbij haar borst en tepel aan te raken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

Ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Feit 2

Ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is om die reden strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is om die reden strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft in een periode van ongeveer een maand tijd drie keer ontuchtige handelingen gepleegd met zijn veel jongere nichtje van toen zeventien jaar oud. De verdachte heeft bij hem thuis tijdens een massage aan haar borst gezeten en heeft op vakantie twee avonden op rij in de hottub haar vagina en schaamlippen betast en aan haar borst en billen gezeten. Ook heeft hij zich in die hottub met haar hand afgetrokken.

Door dit handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster en heeft hij haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat het plegen van ontuchtige handelingen ook langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. De verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Zelfs nadat de aangeefster hem heeft aangesproken op zijn handelingen tijdens het masseren is de verdachte doorgegaan met het plegen van ontucht met de aangeefster. Daar komt bij dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen door de ouders van de aangeefster. Zij lieten hun dochter over aan de zorg van de verdachte in de veronderstelling dat zij bij hem veilig zou zijn.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 13 februari 2026, waar geen andere strafbare feiten op vermeld staan dan onderhavig feit.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 8 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte een eigen bedrijf heeft en vier (jonge) kinderen. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. Hierbij weegt mee dat de reclassering geen

mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen gezien de ontkenning van en het ontbreken van een forensische hulpvraag bij de verdachte.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, waardoor alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is. De rechtbank zal hiertoe overgaan, gecombineerd met een taakstraf van de maximale duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met straffen die in (tot op zekere hoogte) vergelijkbare zaken worden opgelegd. Verder neemt de rechtbank bij de keuze voor gevangenisstraf en taakstraf mee dat de bewezen verklaarde feiten inmiddels ruim twee jaar geleden hebben plaatsgevonden, dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaruit blijkt dat hij de zorg heeft voor vier (jonge) kinderen en dat hij een eigen bedrijf runt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden moet worden opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank een maximale taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. L. Diesfeldt, advocaat te Heiloo, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 2.212,58 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 1.212,58 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade. De benadeelde partij heeft de rechtbank daarnaast verzocht de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te passen.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. In het geval van een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. De schade bestaat uit het eigen risico van 2024 en 2025, vanwege behandelingen bij de psycholoog en het volgen van EMDR therapie na de bewezen verklaarde feiten. Uit de onderbouwing blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is geconstateerd. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook in haar geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 2.212,58 bestaande uit € 1.212,58 als vergoeding voor de materiële en € 1.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.212,58, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 22 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.O. Rutten, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. F.V. Streiff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2026.

Mr. F.V. Streiff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.O. Rutten
  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. F.V. Streiff

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?