ECLI:NL:RBNHO:2026:4130

ECLI:NL:RBNHO:2026:4130

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 15/022696-26, 15/333889-25 (ttz gev), 15/068825-25 (vord tul) en 15/264969-25 (vord tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. De rechtbank acht bewezen dat door de brandstichting levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij personen te duchten is geweest. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood en brandstichting. Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/022696-26, 15/333889-25 (ttz gev), 15/068825-25 (vord tul) en 15/264969-25 (vord tul) (P)

Uitspraakdatum: 14 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

,

thans gedetineerd in [PI] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 22 januari 2026 te Alkmaar opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met (de inhoud van) een vuilcontainer en/of brandgel, althans een brandbare stof, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de (inboedel van de) woning(en) gelegen aan en/of rondom, althans naast, de [adres 2] te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van deze woning(en) gelegen aan en/of rondom, althans naast, de [adres 2] en/of andere (overige) personen die zich op dat tijdstip in de directe nabijheid van de [adres 2] bevonden te duchten was.

Feit 2:

hij op of omstreeks 6 december 2025 te Alkmaar [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door met een breekijzer, althans een vergelijkend voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] te zwaaien, althans dreigend aan die [slachtoffer] te tonen en/of dreigend de woorden toe te voegen- “Ik ga dit hele gebouw in de fik steken!”,- “Ik vermoord jou!” en/of- “ik ga [naam] wat aan doen, ik ga hem vermoorden!”,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat uit het dossier niet volgt dat sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Van dat bestanddeel moet de verdachte (partieel) worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende steunbewijs is voor de bedreiging. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat de beschrijving wat betreft de kleur van het voorwerp waarmee zou zijn gedreigd, niet overeenkomt met het aangetroffen voorwerp bij de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis staan.

Bewijsoverweging feit 1

De rechtbank acht bewezen dat door de brandstichting levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij personen te duchten is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Om te kunnen vaststellen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander was te duchten zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat dit gevaar ten tijde van de gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval. Of een dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang. Het gaat hierbij om een objectief gevaar.

Feiten en omstandigheden

Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de vroege ochtend van 22 januari 2026 (vóór 06.00 uur), een vuilniszak in een container in brand heeft gestoken door brandgel op de vuilniszak aan te brengen en hier vervolgens vuur bij te brengen. Deze container stond in een portiek, vrijwel tegen de voorgevel en onder het keukenraam van de woning van de verdachte. De politie die ter plaatse kwam zag dat de container gevuld was met vuilniszakken en dat de bovenste vuilniszak in brand stond en dat er een onbekende vloeistof op de binnenzijde van de klep van de container zat. De aangever lag op dat moment te slapen in de woonkamer. De woonkamer en de keuken vormen één doorlopende ruimte. De verdachte ging er ook vanuit dat de aangever thuis was en op de bank lag te slapen. In de slaapkamer aan de voorzijde van de woning naast de voordeur lag getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) te slapen.

Gevaar voor personen

Uit het sporenonderzoek volgt dat onder het keukenraam zich een houten paneel bevond, dat onderdeel uitmaakte van de keuken en dat achter het keukenraam zich een rolgordijn bevond. In het geval dat de brand in de container zich verder had kunnen ontwikkelen, had de ruit van de keuken en mogelijk ook het daaronder geplaatste houten paneel kunnen bezwijken, waardoor hete brandgassen snel de woning hadden kunnen vullen. Personen die zich op dat moment in de keuken of aangrenzende woonkamer bevonden, hadden hierdoor in meer of mindere mate letsel kunnen oplopen door hitte en/of inhalatie van hete rookgassen. De aangever lag op het moment van de brandstichting op de bank in de woonkamer te slapen. Als gevolg van een dergelijke brandontwikkeling had de betrokken woning en mogelijk ook aangrenzende woningen (grote) brandschade kunnen oplopen. Gelet op het tijdstip van de brand, was de kans groot dat de bewoners van die aangrenzende woningen thuis lagen te slapen. Daarnaast blijkt uit het sporenonderzoek dat in de uitsparing van de brievenbus in de voordeur brandgel was aangetroffen, die daar alleen door het bewust openen van de brievenbus had kunnen worden aangebracht. Volgens het sporenonderzoek kan niet worden uitgesloten dat deze vloeistof ontstoken had kunnen worden door brand van buitenaf. Als dat was gebeurd, had de brand zich snel kunnen uitbreiden naar een stuk textiel dat als tochtwering direct achter de voordeur was opgehangen. Op één meter afstand van de voordeur bevond zich de slaapkamer waar [getuige 1] lag te slapen. Tegenover de slaapkamer hing een kapstok met diverse kledingstukken. Als de brand zich via het textiel achter de voordeur en de kleding aan de kapstok had kunnen uitbreiden, zou vluchten uit de slaapkamer vrijwel onmiddellijk onmogelijk zijn geworden. De kans dat een persoon hierdoor in meer of mindere mate letsel had kunnen oplopen door hitte en/of inhalatie van hete rookgassen, was daardoor zeer waarschijnlijk te achten geweest.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels als gevolg van de brandstichting levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gevaar voor goederen voorzienbaar was. De rechtbank acht daarom feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging feit 2

De verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op 6 december 2025 heeft bedreigd met de dood en met brandstichting en dat hij daarbij ook een breekijzer heeft gebruikt. De verdachte heeft dit feit ontkend.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 6 december 2025 bij de woongroep op de [adres 3] was, waar [slachtoffer] op dat moment aan het werk was. Op enig moment heeft een confrontatie tussen beiden plaatsgevonden, waarbij de verdachte boos is geworden. Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) was op dat moment ook daar aanwezig. De verdachte is niet veel later staande gehouden en in zijn tas werd een breekijzer aangetroffen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte hem tijdens de confrontatie heeft bedreigd. De dreigende houding van de verdachte jegens [slachtoffer] en het gebruik daarbij van een voorwerp, is waargenomen door getuige [getuige 2] . Uit de beschrijving van de camerabeelden van de situatie buiten het pand volgt dat de verdachte boos was op [slachtoffer] , hem uitschold en hem toeriep dat hij “de lul was”, hetgeen past bij de door [slachtoffer] beschreven situatie. [slachtoffer] heeft bovendien het bij de verdachte aangetroffen breekijzer herkend als zijnde het voorwerp dat door de verdachte is gebruikt bij de bedreiging. Dat het gebruikte voorwerp uiteindelijk geen (klauw-)hamer betrof, zoals [slachtoffer] in zijn aangifte en getuige [getuige 2] in zijn verhoor het voorwerp eerder aanduidden, maar een breekijzer doet naar het oordeel van de rechtbank hier niet aan af, nu deze twee voorwerpen in hun relevantste onderdeel, te weten de klauw, overeenkomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het goed voorstelbaar is dat [slachtoffer] en de getuige [getuige 2] in zo’n dreigende situatie niet precies hebben herkend of kunnen omschrijven hoe het voorwerp eruitzag.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 22 januari 2026 te Alkmaar opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een vuilcontainer en brandgel, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (inboedel van de) woningen gelegen aan en rondom de [adres 2] te duchten was en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] en/of andere personen die zich op dat tijdstip in de directe nabijheid van de [adres 2] bevonden te duchten was.

Feit 2:

hij op 6 december 2025 te Alkmaar [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting, door een breekijzer in de richting van die [slachtoffer] dreigend aan die [slachtoffer] te tonen en dreigend de woorden toe te voegen- “Ik ga dit hele gebouw in de fik steken!”,- “Ik vermoord jou!”.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ook heeft hij verzocht aan te sluiten bij het reclasseringsrapport waarin is geadviseerd een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, omdat de verdachte een behandeling in een kliniek nodig heeft en dit gedurende zijn detentie niet mogelijk is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de vroege ochtend van 22 januari 2026 schuldig gemaakt aan brandstichting, door brandgel rond te spuiten op (de inhoud van) een container, op de voordeur van de woning van de aangever en in de brievenbus en vervolgens een vuilniszak in de container in brand te steken. De verdachte heeft verklaard het delict te hebben gepleegd onder invloed van drugs en vanwege gevoelens van frustratie en woede jegens de aangever. Hij is met brandgel en aanstekers naar de woning van de aangever toegegaan. De container stond direct voor de woning van de aangever, in de buurt van waar deze op dat moment sliep. Ook een ander persoon lag op dat moment in de woning te slapen. Ten gevolge van de brand is schade ontstaan. Brandstichting is een zeer ernstig feit, omdat het tot een oncontroleerbare gevaarlijke situatie kan leiden die snel uit de hand kan lopen. De verdachte heeft met de brandstichting het risico genomen dat de ontstane brand in de container zou overslaan naar de woning en dat de bewoners als gevolg hiervan het leven zouden verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Bovendien was er gevaar voor omwonenden. Dat de brand snel gedoofd is en de schade daardoor beperkt is gebleven, komt niet door het toedoen van de verdachte, maar doordat een van de bewoners in de woning wakker is geworden van het spuiten met de brandgel en het vervolgens snelle ingrijpen van de politie.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met de dood en brandstichting. De bedreiging vond niet alleen woordelijk plaats, maar de verdachte heeft hierbij ook een breekijzer gebruikt om zijn woorden kracht bij te zetten. Dit soort dreigementen worden door slachtoffers en omstanders als zeer beangstigend ervaren en veroorzaken sterke gevoelens van onveiligheid.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel Justitiële documentatie (strafblad) van de verdachte van 23 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor brandstichting, maar wel voor bedreiging. Uit het strafblad van de verdachte blijkt daarnaast dat hij veelvuldig straffen heeft gekregen voor diverse soorten strafbare feiten, waaronder geweldsfeiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. De verdachte verliep bovendien in twee proeftijden.

Verder heeft de rechtbank gelet op wat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en de spijt die hij heeft van de brandstichting en de ernstige gevolgen die deze had kunnen hebben. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 maart 2026. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte van jongs af aan hulpverlening krijgt en is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis (MCDD) en stoornissen in middelengebruik. Positief is dat de verdachte een mentor en bewindvoering heeft. Dit voorkomt echter niet dat de verdachte herhaaldelijk in beeld komt voor strafbare feiten, ook in een lopend schorsingstoezicht en in lopende proeftijden. De verdachte heeft behandeling nodig en moet abstinent zijn van middelen, om te kunnen zorgen dat de risico's teruggedrongen worden. Hierbij is het nodig dat hij eerst klinisch in behandeling gaat, om langdurig stabiel te kunnen zijn en vaardigheden aan te leren. Vervolgens is het van belang dat sprake is van passende begeleiding en huisvesting, met duidelijke afspraken. De verdachte is geïndiceerd voor een klinische behandeling binnen een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) met expertise op autisme en verslaving. De reclassering acht het recidivegevaar hoog. Om ervoor te zorgen dat de kans op recidive wordt teruggedrongen en de verdachte de behandeling krijgt die nodig is, adviseert de reclassering de oplegging van bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Op die manier is gegarandeerd dat de verdachte klinische behandeling krijgt met aansluitend een passend vervolgtraject.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf enigszins te matigen en een deel voorwaardelijk op te leggen onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, zodat de verdachte met de juiste begeleiding kan gaan werken aan zijn problematiek. De verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor deze begeleiding. Gelet op de moeilijke plaatsbaarheid van de verdachte in een kliniek is de verwachting dat het langer kan duren voordat de bijzondere voorwaarde goed zijn opgestart. Om die reden zal de rechtbank een langere proeftijd dan gemiddeld aan de voorwaarden verbinden. De oplegging van een GVM acht de rechtbank niet aangewezen, gelet op de motivatie van de verdachte en de langere proeftijd die de rechtbank aan de bijzondere voorwaarden zal verbinden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden moet worden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

De rechtbank zal verder beslissen dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7. Beslag

Onder de verdachte zijn in beslag genomen en nog niet teruggegeven:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen dienen te worden verbeurd verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 STK Breekijzer (BZAV3209);

1 STK WC papier (BZAX8095);

2 STK Aansteker (BZAX8097/BZAX8098).

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 5 juni 2025 in de zaak met parketnummer 15/068825-25 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één maand. De proeftijd is bepaald op twee jaar en is ingegaan op 20 juni 2025.

Bij vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak met parketnummer 15/264969-25 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen. De proeftijd is bepaald op twee jaar en is ingegaan op 6 november 2025.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 15/068825-25 moet worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering met parketnummer 15/264969-25 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen, omdat deze veroordeling ziet op een ander soort delict dan de onderhavige feiten.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, in het geval dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou opleggen die gelijk is aan het voorarrest, de tijd die de verdachte zou moeten uitzitten door de vorderingen gebruikt zouden kunnen worden om de wachttijd voor een passende (klinische) plek te overbruggen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat toewijzing niet meer opportuun is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen met parketnummers 15/</strong>068825-25 en 15/</strong>264969-25 dienen te worden toegewezen, nu uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijden niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 63, 157, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd meldt met de verslavingsreclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

- Opneming in een zorginstelling

De verdachte laat zich tijdens de proeftijd - of zoveel korter als de reclassering nodig vindt -, opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Het is noodzakelijk dat de verdachte aansluitend aan detentie klinisch geplaatst wordt. Indien de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (DIZ-FPL) de meest passende plaatsing niet kan realiseren aansluitend aan detentie, zal in overleg tussen het DIZ-FPL, reclassering, mentor en

GGZ Noord- Holland-Noord gekeken worden naar de best passende vorm van overbruggingszorg tot de klinische plaatsing gerealiseerd kan worden.

- Ambulante behandeling

De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door een GGZ-instelling of een instelling voor verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Dit verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling en zal mogelijk ook voorafgaand aan de klinische behandeling plaatsvinden. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma

dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- Beheersing middelengebruik

De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd:

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/068825-25 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 5 juni 2025.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/264969-25 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 22 oktober 2025.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 15/333889-25 .

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H. Tiemens, voorzitter,

mr. A.K. Korteweg en mr. N. Rogmans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.H. Tiemens
  • mr. A.K. Korteweg
  • mr. N. Rogmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?