ECLI:NL:RBNHO:2026:4134

ECLI:NL:RBNHO:2026:4134

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 15/224872-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Klaagschrift ex. art. 98, vierde lid, jo. Art. 552a Sv. De klager (de notaris) heeft zich in het klaagschrift op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris onvoldoende aanknopingspunten biedt waarom het verschoningsrecht van klager doorbroken moet worden in het belang van de waarheidsvinding.

Uitspraak

RECHTBANKNAAM NOORD-HOLLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Haarlem

parketnummer : 15/224872-25

raadkamernummer : 002025-26

datum : 14 april 2026

beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98, vierde lid jo. artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

notaris [klager] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.E. Verwey, advocaat, kantoorhoudende aan de Apollolaan 151, 1077 AR Amsterdam,

hierna te noemen: de klager.

Procedure

Het strafrechtelijke onderzoek met bovengenoemd parketnummer richt zich op mogelijke mensenhandel, in het bijzonder de (financiële) uitbuiting van [naam 1] door de verdachte [verdachte] (hierna: de verdachte) in de periode van 1 september 2022 tot en met 4 november 2025.

In het onderzoek is naar voren gekomen dat Veilig Thuis in 2017 een melding heeft gedaan van mogelijk “financieel misbruik en emotioneel geweld” door de verdachte van een ander persoon, te weten, [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] is overleden op 4 april 2019.

Op 4 november 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de verdachte. Tijdens deze doorzoeking is beslag gelegd op drie documenten, te weten:

- een testament van [naam 2] van 23 augustus 2016 verleden door kandidaat-

notaris mr. [naam 3] als waarnemer van klager (zaaknummer 2160107/EK, repertoriumnummer 25027);

- een concept-testament van [naam 2] (zaaknummer 2160101/EK);

- een eerder, inmiddels herroepen testament van [naam 2] , van 17 maart 2005 en verleden door klager (dossiernummer 2050320/CT, repertoriumnummer: 9922).

Bij brief van 19 november 2025 heeft de rechter-commissaris aan de klager verzocht om zich uit te laten over de vraag of de inbeslaggenomen documenten al dan niet onder zijn verschoningsrecht vallen. De klager heeft op 25 november 2025 de rechter-commissaris bericht dat de “(concept)testamenten (dossiernummers 2160107 en 2050320)” onder zijn geheimhoudingsplicht vallen en dat hij daarom een beroep op zijn verschoningsrecht doet.

Bij beslissing van 3 december 2025 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de voortduring van het beslag van de drie documenten is toegestaan en dat deze documenten aan de officier van justitie kunnen worden verstrekt ter kennisname en gebruikt mogen worden in het strafrechtelijke onderzoek naar de verdachte. De rechter-commissaris heeft dit als volgt gemotiveerd:

“De rechter-commissaris stelt in de eerste plaats ten aanzien van voornoemde bescheiden vast dat het gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Vervolgens dient de rechter­commissaris te beoordelen of de bescheiden deel uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en of deze mogelijk hebben gediend tot het begaan van een strafbaar feit. De rechter-commissaris is van oordeel dat de voornoemde bescheiden redelijkerwijs in een zodanig verband staan tot de verdenking (kort samengevat: mensenhandel/uitbuiting van een kwetsbare oudere), dat deze kunnen dienen om de waarheid daaromtrent aan het licht te brengen: (voortduring van) het beslag kan derhalve worden toegestaan.”

Op 17 december 2025 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Dit klaagschrift ziet op twee van de drie documenten, te weten:

- het concept-testament van [naam 2] (zaaknummer 2160101/EK);

- het eerder, inmiddels herroepen testament van [naam 2] , gedateerd 17 maart 2005 en verleden door klager (dossiernummer 2050320/CT, repertoriumnummer: 9922).

De officier van justitie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 31 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de klager en zijn advocaat mr. L.E. Verwey en de officier van justitie op zitting gehoord.

Standpunt van de klager

De klager heeft zich in het klaagschrift op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris onvoldoende aanknopingspunten biedt waarom het verschoningsrecht van klager doorbroken moet worden in het belang van de waarheidsvinding. Daartoe is namens de klager aangevoerd dat uit de beslissing niet blijkt welke rol de betreffende geheimhoudersstukken spelen bij het strafbare feit en lijken de aard en de ernst van het strafbare feit ten opzichte van de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad en de vraag of de informatie niet op een andere wijze kon worden verkregen, niet te zijn meegewogen. Ten slotte heeft de klager erop gewezen dat de rechter-commissaris, anders dan gebruikelijk zou zijn, geen (kenbaar) advies heeft ingewonnen bij de Ringvoorzitter van de Ring Noord-Holland van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. In haar schriftelijke reactie heeft zij betoogd dat het oordeel van de rechter-commissaris dat het gaat om stukken die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (corpora/instrumenta delicti), niet ondeugdeljk is. Het is volgens de officier van justitie de vraag in hoeverre een rechter-commissaris bij de beoordeling van de stukken een uitgebreide inhoudelijke motiveringsplicht heeft ten behoeve van de niet-verdachte notaris. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris zich op grond van artikel 98 lid 6 Sv kan laten adviseren door de Ringvoorzitter, maar dat zij daartoe niet verplicht is.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.

Het klaagschrift is ingediend binnen veertien dagen na de betekening van de beslissing van de rechter-commissaris. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

Toetsingskader

Ingevolge artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen.

Op grond van artikel 98 lid 5 Sv mogen, ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag worden genomen die voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen immers niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het verschoningsrecht.

De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften onder het verschoningsrecht vallen in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris. Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.

Of een in beslag genomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’ laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8). De enkele omstandigheid dat het inbeslaggenomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende.

Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in de artikelen 98 en 125l Sv tot uitdrukking komt, is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen (vgl. onder meer HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205).

Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat het oordeel van de rechter-commissaris dat de stukken worden aangemerkt als geheimhoudersstukken, die in beginsel vallen onder het verschoningsrecht, niet ter discussie staat.

De eerste vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de twee geheimhoudersstukken onder de uitzondering van artikel 98 lid 5 Sv vallen.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de toelichting van de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer, dat de verdenking tegen de verdachte uitsluitend ziet op de uitbuiting door haar van [naam 1] . Naar een eventuele uitbuiting door de verdachte van [naam 2] wordt geen zelfstandig onderzoek gedaan. [naam 2] speelt volgens de officier van justitie “een rol in de marge” en de resultaten die het onderzoek naar de inbeslaggenomen twee documenten kunnen opleveren, kunnen mogelijk relevant zijn in het kader van een duiding van een modus operandi van de verdachte en/of relevant zijn in het kader van de strafmaat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de documenten niet zijn aan te merken als een voorwerp dat tot het begaan van het strafbare heeft gediend. De verdenking waar de verdachte voor wordt vervolgd, ziet immers op de uitbuiting van [naam 1] en niet op die van [naam 2] .

De tussenconclusie is dan ook dat het verschoningsrecht van de notaris zich uitstrekt over de twee betreffende geheimhoudingsdocumenten en dat het bepaalde in artikel 98 lid 5 Sv dit niet anders maakt.

Vervolgens is het de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt, zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De officier van justitie heeft zich zowel in haar schriftelijke reactie als op de zitting op het standpunt gesteld dat hier geen sprake van is. De rechtbank schaart zich achter dit standpunt en beschikt ook niet over informatie die maakt dat de twee geheimhoudingsdocumenten in zodanig direct verband zouden staan met het strafbare feit waarvan de verdachte wordt verdacht, dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.

Het beklag van klager zal gelet op het voorgaande gegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer,

mr. A.K. Korteweg, voorzitter,

mr. N. Rogmans en mr. A.H. Tiemens, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.K. Korteweg
  • mr. N. Rogmans
  • mr. A.H. Tiemens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?