[verzoekster] B.V., uit Cruquius, verzoekster
[verzoeker 1] handelend onder de naam [naam] , uit Nieuw-Vennep, verzoeker,
tezamen te noemen verzoekers
(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
(gemachtigde: mr. Y.D.R. Mandel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om voorlopige voorzieningen van verzoekers tegen de beslissingen van de minister om aan
De beslissingen tot oplegging van de boetes (de bestreden besluiten) dateren van 3 februari 2026. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om tegen die besluiten een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1] , de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom zij heeft besloten om de verzoeken toe te wijzen en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoekers zijn het niet eens met de boeteoplegging. De boetes zijn volgens verzoekers ten onrechte opgelegd, omdat zij de overtredingen waarvoor de boetes zijn opgelegd niet hebben begaan. Ook stellen verzoekers zich op het standpunt dat de minister er bij de oplegging van de boetes ten onrechte van is uitgegaan dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het zou daarom volgens verzoekers goed zijn als de opgelegde boetes nog geen gevolgen voor verzoekers zouden hebben totdat op bezwaar is beslist. Opschorting van de oplegging van de boetes is volgens verzoekers noodzakelijk, omdat de exploitatievergunning van een vestiging van verzoekers in de gemeente Hilversum is ingetrokken vanwege de opgelegde boetes bij besluit van 19 maart 2026 en intrekking van exploitatievergunningen van andere vestigingen (gevestigd in de gemeente Haarlem en Almere) dreigt. Daarbij hebben verzoekers gesteld dat ze de intrekking van de exploitatievergunningen financieel niet zullen overleven.
5. De minister heeft hier tegenover gesteld dat uitgangspunt is dat besluiten directe werking hebben en dat het algemeen belang is gediend bij onmiddellijke werking van de boetebesluiten.
6. De voorzieningenrechter overweegt in verband met de hiervoor weergegeven standpunten van partijen als volgt.
7. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de belangen dit vereist. De voorzieningenrechter weegt in dit verband de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van voorlopige voorzieningen en de belangen van de minister die pleiten tegen het treffen daarvan.
8. Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de directe werking van de bestreden boetebesluiten in dit geval leidt tot intrekking van exploitatievergunningen van meerdere vestigingen, en de voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat dit grote gevolgen voor verzoekers zal hebben. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de belangen van verzoekers bij schorsing van de boetebesluiten in dit geval zwaarder dienen te wegen dan het algemeen belang bij de directe werking van boetebesluiten. De voorzieningenrechter ziet daarom, mede in het licht van de omstandigheid dat nog niet bekend is wanneer op het bezwaar van verzoekers zal zijn beslist, aanleiding om de boetebesluiten bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekers is beslist.
Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de boetebesluiten van 3 februari 2026 zijn geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verzoekers de opgelegde boetes nog niet hoeven te betalen.
De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek voorts aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden en te bepalen dat de minister de proceskosten van verzoekers moet betalen. De hoogte van de te vergoeden proceskosten begroot de voorzieningenrechter op € 1868,- (op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van €934.- per punt).
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
[verzoeker 1] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 1868,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: