RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-171747-25, 16-191485-25 (gev. ttz), 05-057399-26 (gev. ttz.) en 10-287415-22 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 13 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 15-171747-25 en 16-191485-25 zijn aangebracht, gevoegd ter terechtzitting van 6 oktober 2025. De rechtbank heeft de zaak die met een afzonderlijke dagvaarding onder parketnummer 05-057399-26 is aangebracht, gevoegd bij bovengenoemde parketnummers ter terechtzitting van 30 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de avond van 3 november 2024 bij twee woningen in Haarlem een vuurwerkbom heeft laten ontploffen. Hierbij zou hij hebben samengewerkt met anderen en bij een van de twee ontploffingen zou groot gevaar voor personen hebben bestaan.
Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij op 25 mei 2025 9,38 gram MDMA en 34,7 gram hasjiesj de gevangenis van Nieuwegein heeft binnengesmokkeld en op 24 februari 2026 zou hij ruim 700 kilogram lachgas hebben vervoerd in Enspijk.
Volgens de volledige tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
15-171747-25
feit 1 hij, op of omstreeks 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of goederen in die woning en/of de omliggende woningen en/of voertuigen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van, althans aanwezige personen in, de woning aan de [adres 2] te duchten was;
feit 2 hij, op of omstreeks 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en/of goederen in die woning en/of de omliggende woningen en/of voertuigen te duchten was;
16-191485-25
feit 1 hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Nieuwegein opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2 hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Nieuwegein opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 34,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3 hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Nieuwegein een voorwerp, te weten 9,38 gram MDMA en/of 34,7 gram hasj binnen een (afdeling van een) inrichting en/of een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein heeft gebracht en/of heeft getracht te brengen, waarvan het bezit binnen die (afdeling van die) inrichting en/of instelling verboden was;
05-057399-26 hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Enspijk, gemeente West Betuwe, althans in Nederland, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 705,6 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de twee onder parketnummer 15-171747-25 ten laste gelegde feiten (het teweegbrengen van twee ontploffingen). De drie feiten ten laste gelegd in de zaak met parketnummer 16-191485-25, kort gezegd: de drugsfeiten, kunnen volgens de raadsman worden bewezen. Ook het vervoeren van lachgas, dat ten laste gelegd is gelegd in de zaak met parketnummer 05-057399-26, kan volgens de raadsman worden bewezen. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverwegingen 15-171747-25
Op zondag 3 november 2024, om 22:57:04 uur, vond er een ontploffing plaats door middel van een explosief voorwerp bij de deur van een woning aan de [adres 3] te Haarlem. Vrijwel gelijktijdig vond er om 22:57:24 uur een ontploffing door middel van een explosief voorwerp plaats bij de deur van een woning aan de [adres 2] te Haarlem. De verdachte heeft bekend bij de explosies betrokken te zijn geweest. Over zijn rol heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek van een derde, slechts een tweetal telefoontjes heeft gepleegd met twee personen om te zeggen ‘dat het doorgaat’ en dat ‘het gefilmd moest worden’, terwijl hij niet wist wat er precies ging gebeuren en wat er precies gefilmd moest worden. Wel heeft hij verklaard te weten dat het niet deugde.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter van een verdergaande rol van de verdachte dan hij zelf heeft verklaard. De twee explosieven gingen vrijwel gelijktijdig af en werden geplaatst en aangestoken door twee anderen, onder wie medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte voerde met hen een groepsgesprek dat startte vlak voor de explosies, om 22:49 uur, en dat meer dan zeven minuten duurde. Tijdens dat groepsgesprek, waarvan de inhoud gedeeltelijk te horen is op opnames van een camera in de [adres 2] , gaf de verdachte instructies aan de twee uitvoerders. Zo zei hij onder meer dat ‘het echt doorging’ en dat ‘het op camera moest’.
Eerder op de avond voerde de verdachte maar liefst acht gesprekken met een persoon met de gebruikersnaam ‘ [naam 1] ’. Daarnaast is op de telefoon van de verdachte om 20:37 uur een notitie aangemaakt met de tekst: ‘ [adres 4] metrostation’, ‘ [adres 3] ’ en ‘ [adres 2] ’. Hier is ook een screenshot van gemaakt. [adres 4] betreft een metrostation in [plaats] waar de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] woonden en op de twee andere genoemde adressen vonden de explosies plaats. Verder is om 20:50 een screenshot gemaakt van een route in Google maps. Het betrof de route vanaf 'Your location’ (de plaats waar de telefoon zich bevond) naar locatie A ( [adres 2] ) en daarna naar locatie B ( [adres 3] ). Vlak na de explosies (om 22:58 uur) heeft de verdachte nog een gesprek gevoerd van 55 seconden met medeverdachte [medeverdachte] . Dit is rondom het tijdstip waarop medeverdachte [medeverdachte] en de onbekend gebleven tweede uitvoerder samenkomen op een plek om met de auto weer weg te rijden.
De rechtbank leidt uit deze bevindingen af dat de verdachte niet alleen telefonisch heeft doorgegeven dat het doorging en dat het op camera moest, zoals hij zelf heeft verklaard, maar ook in andere zin betrokken is geweest bij de uitvoering, te weten bij het organiseren dan wel doorgeven van de reis ernaar toe en weer terug.
Verder is uit het dossier gebleken dat korte tijd na de explosies, om 23:45 uur, twee gemiste gesprekken volgen tussen de verdachte en de eerder genoemde [naam 1] . [naam 1] heeft vervolgens een bericht gestuurd aan de verdachte met de tekst: “zeg tegen die boy van rk, je kan je hap ophalen bij [naam 2]”. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte, al dan niet samen met [naam 1] , ook een rol speelde bij de beloning voor het plaatsen van de explosieven.
De rechtbank leidt uit bovenstaande omstandigheden af dat de verdachte de twee uitvoerders heeft aangestuurd, zowel in de voorbereiding als bij de uitvoering zelf. Daarmee heeft hij een belangrijke, coördinerende rol gehad bij een goed georganiseerde actie waarbij op twee locaties min of meer tegelijkertijd explosieven zijn geplaatst en afgestoken.
Dat mogelijk anderen bij deze operatie een belangrijkere rol hebben gehad en de verdachte wellicht niet als opdrachtgever moet worden gezien, doet aan het voorgaande niet af.
Op grond van voornoemde vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van de ontploffingen tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] (uitvoerder van de ontploffing aan de [adres 2] ) en de onbekend gebleven uitvoerder van de ontploffing aan de [adres 3] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
15-171747-25 feit 1 hij op 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare vloeistof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en goederen in die woning en de omliggende woningen en voertuigen, te duchten was en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten de aanwezige personen in de woning aan de [adres 2] te duchten was;
feit 2 hij op 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare vloeistof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en goederen in die woning en de omliggende woningen en voertuigen te duchten was;
16-191485-25 feit 1 hij op 25 mei 2025 te Nieuwegein opzettelijk aanwezig heeft gehad 9,38 gram, van een materiaal bevattende MDMA;
feit 2 hij op 25 mei 2025 te Nieuwegein opzettelijk heeft afgeleverd en aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 34,7 gram, hasjiesj;
feit 3 hij op 25 mei 2025 te Nieuwegein 9,38 gram MDMA en 34,7 gram hasj binnen een inrichting waarop de Penitentiaire beginselenwet van toepassing was, namelijk de Penitentiaire Inrichting te Nieuwegein heeft gebracht, waarvan het bezit binnen die inrichting verboden was;
05-057399-26 hij op 24 februari 2026 te Enspijk, gemeente West Betuwe, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd 705,6 kilogram distikstofmonoxide (lachgas).
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
15-171747-25 meerdaadse samenloop van:
feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
en
feit 2: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
16-191485-25 feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: het brengen van voorwerpen binnen een inrichting waarop de Penitentiaire beginselenwet van toepassing is, waarvan het bezit binnen die inrichting verboden is;
feit 3 is begaan in eendaadse samenloop met feit 1 en met feit 2;
05-057399-26 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voor het binnensmokkelen van MDMA en hasj in de PI – een overtreding – heeft de officier van justitie de oplegging van een boete van € 350,- gevorderd (te vervangen door drie dagen hechtenis indien deze boete niet wordt betaald).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn jonge leeftijd) en een aanzienlijk kortere gevangenisstraf op te leggen dan geëist, met een voorwaardelijk deel. Ten aanzien van de onder parketnummer 16-191485-25 ten laste gelegde feiten (de drugsfeiten) heeft de raadsman verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder straf of maatregel, gelet op de geringe zwaarte van deze feiten ten opzichte van de overige ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van ontploffingen bij twee woningen in Haarlem. De verdachte heeft een aansturende en coördinerende rol gehad en heeft de twee mededaders vlak voor de ontploffingen geïnstrueerd. De medeverdachten hebben bij de voordeur van de beide woningen een vuurwerkbom (een cobra in combinatie met een flesje motorbenzine) tot ontploffing gebracht, met flinke explosies en veel schade als gevolg. In een van de woningen waren op dat moment meerdere bewoners aanwezig, waarvan twee zich in de hal van de woning bevonden. De explosies hebben een grote impact gehad op de direct betrokkenen, zoals ook is verwoord in de schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen. De aanslagen hebben ook in bredere kring maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht. De verdachten hebben kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Daarnaast rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn rol in de ontploffingen.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verschillende soorten drugs die hij heeft binnengebracht in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein. De verdachte heeft hiermee in strijd gehandeld met Opiumwet en met de regels van de Penitentiaire Inrichting.
Verder heeft hij maar liefst 700 kilo lachgas vervoerd. De verdachte heeft verklaard dat hij benaderd was om het lachgas te vervoeren tegen een geldelijke beloning. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid neemt de rechtbank aan dat de lachgasflessen bestemd waren voor de handel. De laatste jaren is sprake van toenemende problemen op allerlei terreinen (onder meer de gezondheidszorg, criminaliteit en het milieu) als gevolg van de handel in en het gebruik van lachgas als recreatief roesmiddel. Het vervoeren van lachgas draagt eraan bij dat deze problemen blijven bestaan. Daarnaast is het vervoeren van lachgas – zonder de hiervoor vereiste certificaten en een geschikt vervoersmiddel – zeer gevaarlijk. De verdachte heeft wederom kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin en heeft dit feit bovendien gepleegd op het moment dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst (ten aanzien van de feiten met parketnummer 15-171747-25).
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 november 2025. De reclassering schat het recidivegevaar in als gemiddeld en adviseert een straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod met de medeverdachten en dagbesteding.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat alleen oplegging van een gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
De rechtbank heeft alles afgewogen en acht oplegging van een gevangenisstraf van veertig maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Bij deze straf, die aanzienlijker lager is dan de eis van de officier van justitie, heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte destijds 21 jaar oud was.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering [benadeelde 1]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15-171747-25 onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het ontbreekt aan een direct causaal verband tussen het delict en een aantoonbare aantasting van de persoon. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Ook buiten het geval van aantoonbaar geestelijk letsel kan sprake zijn van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de vorm van psychische schade. Dit moet door de benadeelde partij met stukken worden onderbouwd. In uitzonderlijke gevallen kan ook zonder die onderbouwing worden uitgegaan van aantasting in de persoon op andere wijze in het geval dat de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zodanig waren dat het voor de hand ligt dat deze psychische schade heeft opgelopen.
De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is: de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Aan de voordeur van de woning van de benadeelde partij is een cobra met benzine aangestoken. Dit heeft geleid tot een enorme ontploffing waarbij de deur eruit is geblazen. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in de gang en heeft deze zeer beangstigende situatie dus van dichtbij meegemaakt. De benadeelde partij heeft aldus recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht de hoogte van het gevorderde bedrag billijk, gelet op de Rotterdamse Schaal en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 3.000,- daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van de explosie, te weten 3 november 2024).
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijk
De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering [benadeelde 2]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15-171747-25 onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het ontbreekt aan een direct causaal verband tussen het delict en een aantoonbare aantasting van de persoon. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader voor de toekenning van immateriële schade, is de rechtbank van oordeel dat ook [benadeelde 2] hier recht op heeft. Ook zij bevond zich op het moment van de heftige explosie in de gang en heeft de zeer beangstigende situatie van dichtbij meegemaakt. Dit maakt dat ook hier geldt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank vindt de hoogte van de vordering, mede gelet op de Rotterdamse schaal, billijk en zal deze toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijk
De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering [benadeelde 3]
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15-171747-25 onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien ontbreekt aan een direct causaal verband tussen het delict en een aantoonbare aantasting van de persoon. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is geen van de hiervoor genoemde grondslagen voor toekenning van immateriële schade van toepassing. Anders dan [benadeelde 3] heeft aangevoerd, brengen de aard en ernst van de normschending jegens [benadeelde 3] in dit geval niet mee dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat [benadeelde 3] , anders dan zijn vrouw en zijn dochter, niet thuis was op het moment van de explosie. De omstandigheden dat [benadeelde 3] is geschrokken en dat de explosie gevoelens van spanning en onveiligheid hebben meegebracht vormen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is een aantasting in de persoon op andere wijze.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering [benadeelde 4]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde 4] – een bewoner van de [adres 3] – heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.125,00 ingediend tegen de verdachte, bestaande uit € 125,00 materiële en € 1.000,00 immateriële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15-171747-25 onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De materiële schade bestaat uit kosten gemaakt in verband met het vervangen van beschadigde ruiten. De kosten hiervan bedroegen volgens [benadeelde 4] € 1.114,93, onder verwijzing naar een bijgevoegd offerte. Uit de schadevergoedingsformulier volgt daarnaast dat de verzekeraar een bedrag van € 989,93 heeft uitgekeerd. De rechtbank leidt hieruit af dat nog een bedrag van € 125,- aan materiële schade resteert.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering ten aanzien van het materiële gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt niet wat de daadwerkelijke kosten zijn geweest omdat slechts een offerte en niet een factuur is overgelegd. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de officier verzocht, gelet op de gestelde spanning en angstklachten, de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 500,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het staat vast dat in de straat waarin de benadeelde partij woont een explosief is afgegaan. De benadeelde partij heeft zijn schade, te weten: gebroken ruiten, met foto’s hiervan aangetoond. Hiermee is de vordering tot vergoeding van materiële schade voldoende onderbouwd: de benadeelde partij heeft rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van het onder parketnummer 15-171747-25 onder 2 bewezen verklaarde feit. Dat de benadeelde partij niet een factuur maar een offerte heeft overgelegd, doet daar niet aan af. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe voor het gedeelte dat niet door de verzekeraar is uitgekeerd, te weten een bedrag van € 125,-. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2024, te weten de datum van de offerte voor de herstelwerkzaamheden aan de ruiten.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is geen van de hiervoor genoemde grondslagen voor toekenning van immateriële schade van toepassing. De benadeelde partij heeft geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat het strafbare feit (te weten het veroorzaken van een ontploffing) niet gericht was op de benadeelde partij maar op een medebewoner uit te straat.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering op dit punt alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijk
De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 15 augustus 2024 in de zaak met parketnummer 10-287415-22 heeft de politierechter te Rotterdam de verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 4 september 2024 aan de verdachte toegezonden. De proeftijd is ingegaan op 30 augustus 2024.
De officier van justitie heeft gevorderd dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht de proeftijd te verlengen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, omdat uit dit vonnis blijkt dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarde dat hij geen nieuw strafbaar feit mocht plegen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 47, 55, 57, 157, 429a van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vorderingen [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 125,-, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 125,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10-287415-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand, opgelegd bij vonnis van de politierechter Rotterdam d.d. 15 augustus 2024.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.H. Bouwers, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april 2026.
mr. H. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.