ECLI:NL:RBNHO:2026:4197

ECLI:NL:RBNHO:2026:4197

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 15-156330-25 en 10-397583-24 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich, samen met een of meer andere(n), schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning in Haarlem. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Deels toewijzen vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-156330-25 en 10-397583-24 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 13 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.E. Dijkhuis, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de avond van 3 november 2024 bij twee woningen in Haarlem een vuurwerkbom heeft laten ontploffen. Hierbij zou hij hebben samengewerkt met anderen en bij een van de twee ontploffingen zou groot gevaar voor personen hebben bestaan.

Volgens de volledige tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1 hij, op of omstreeks 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of goederen in die woning en/of de omliggende woningen en/of voertuigen, te duchten was en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van, althans aanwezige personen in, de woning aan de [adres 2] te duchten was;

feit 2 hij, op of omstreeks 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen,terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 3] en/of goederen in die woning en/of de omliggende woningen en/of voertuigen te duchten was.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de beschuldiging bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak gevraagd voor een gedeelte van feit 1, te weten: ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft daarnaast vrijspraak gevraagd voor feit 2, omdat de verdachte geen enkele rol had bij die tweede explosie en vooraf ook niet wist dat er een tweede explosief zou worden geplaatst.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De verdachte wordt beschuldigd van, kort gezegd, het plegen of medeplegen van het veroorzaken van ontploffingen aan twee verschillende woningen in Haarlem: een woning in de [adres 2] en een woning in de [adres 3] . Het staat vast dat de verdachte het explosief voor de woning aan de [adres 2] heeft geplaatst, dit wordt hierna onder paragraaf 3.3.3 verder uitgelegd. Omdat de explosieven vrijwel gelijktijdig zijn geplaatst, staat daarmee ook vast dat de verdachte niet zelf het explosief aan de [adres 3] kan hebben geplaatst. Hij is dus niet de pleger van dat feit.

Om medeplegen van dat feit te kunnen bewijzen, moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer andere(n). Maar de rechtbank kan niet vaststellen welke rol de verdachte heeft gespeeld bij de ontploffing aan de [adres 3] en dus ook niet hoe groot zijn bijdrage daarbij is geweest. Hij raakte naar eigen zeggen pas op de hoogte van dat plan, vlak voordat hij zelf werd afgezet bij de [adres 2] . En hij heeft gewacht met het aansteken van het door hem geplaatste explosief in de [adres 2] , totdat hij een seintje kreeg, zodat de explosieven ongeveer gelijktijdig afgingen. Maar alleen die omstandigheden zijn niet voldoende voor het bewijs van medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing in de [adres 3] van feit 2.

De verdachte wordt voor dat feit daarom vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte als medepleger schuldig is aan feit 1: het teweegbrengen van een ontploffing in de [adres 2] . De bewezenverklaring van dat feit steunt op de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Nadere bewijsoverweging feit 1

Met betrekking tot het bestanddeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er tijdens de ontploffing drie personen in de woning aan de [adres 2] aanwezig waren. [benadeelde 1] bevond zich in de hal – en was onderweg naar de voordeur om de brand die zij zag te blussen – toen zij door haar dochter werd tegengehouden. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat [benadeelde 1] gezien de scherfwerking van de omliggende goederen, rondvliegend glas en drukwerking van het explosief, ernstig letsel had kunnen oplopen, dan wel letsel met de dood tot gevolg. Tevens had volgens dit onderzoek brand in de woning kunnen ontstaan door brandbare goederen in de hal die vlam hadden kunnen vatten, waardoor de aanwezige bewoners letsel hadden kunnen oplopen door vuur- en/of rookontwikkeling. Door de brand had bovendien de vluchtweg naar buiten geblokkeerd kunnen raken. Gelukkig is dit allemaal niet gebeurd en is niemand ernstig gewond geraakt, maar dat had wel kúnnen gebeuren.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat er door de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen bestond.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij op 3 november 2024 te Haarlem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestaande uit een fles met een brandbare en/of snel ontvlambare vloeistof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en goederen in die woning en de omliggende woningen en voertuigen, te duchten was en- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten de aanwezige personen in de woning aan de [adres 2] , te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich, samen met een of meer andere(n), schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning in Haarlem. De verdachte heeft bij de voordeur van de woning een vuurwerkbom (een cobra in combinatie met een flesje motorbenzine) tot ontploffing gebracht, met een flinke explosie en veel schade als gevolg. In de woning waren op dat moment meerdere bewoners aanwezig, waarvan twee zich in de hal van de woning bevonden. De explosie heeft een grote impact gehad op de direct betrokkenen, zoals ook is verwoord in de schriftelijke slachtofferverklaring die ter zitting is voorgedragen. Het gezin heeft de woning noodgedwongen moeten verlaten, omdat de gezinsleden zich thuis niet meer veilig voelden. De aanslag heeft ook in bredere kring maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De verdachte heeft onvoldoende over deze gevolgen nagedacht en heeft kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 maart 2026. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad dan ook niet mee in het nadeel van de verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds 1 mei 2025 onder toezicht staat van de reclassering en dat dit toezicht naar behoren verloopt. De reclassering schat het recidivegevaar in als gemiddeld en adviseert een straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en eventuele ambulante behandeling, meewerken aan schuldhulpverlening en openheid tonen ten aanzien van zijn sociaal netwerk.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat alleen oplegging van een gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Dit zijn doorgaans forse gevangenisstraffen.

De rechtbank ziet echter in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om af te wijken van de opgelegde straffen in min of meer vergelijkbare zaken. De verdachte was 18 jaar en nog meer net volwassen toen hij het feit pleegde. Hij heeft daarnaast vrijwel direct na zijn aanhouding openheid van zaken gegeven. En de rechtbank heeft gezien dat hij geen gemakkelijke jeugd heeft gehad, waarin onder meer huiselijk geweld een rol heeft gespeeld. Daarnaast heeft de verdachte laten zien dat hij sinds zijn schorsing op veel vlakken een positieve draai heeft gegeven aan zijn leven. De verdachte heeft op eigen initiatief schuldhulpverlening gezocht, contact opgenomen met een jongerencoach voor begeleiding, werk gevonden en het sporten weer opgepakt. Daarnaast heeft hij zich ingeschreven voor een studie.

De rechtbank heeft dus oog voor de moeilijke weg die de verdachte in zijn leven heeft afgelegd en de inzet die de verdachte op veel vlakken toont om zijn leven op een goede manier in te richten. Toch legt de rechtbank wel een gevangenisstraf op die betekent dat de verdachte opnieuw naar de gevangenis zal moeten. Dat komt door de ernst van het feit en de gevolgen die dit feit voor de slachtoffers heeft gehad: de levensgevaarlijke ontploffing en de grote schok voor de bewoners maken voor de rechtbank dat een kortere straf geen optie is.

De rechtbank heeft alles afgewogen en acht een gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden. Een gedeelte van die straf, namelijk zes maanden, wordt voorwaardelijk opgelegd. Dat gedeelte wordt vooralsnog niet ten uitvoer gelegd. De rechtbank verbindt daar een proeftijd aan van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank de door de reclassering geadviseerde voorwaarden noodzakelijk. Deze voorwaarden zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen en zal de schorsing van de voorlopige hechtenis laten voortduren.

7. Vorderingen benadeelde partijen

Vordering [benadeelde 1]

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Het causale verband tussen het delict en de schade ontbreekt, omdat door het handelen van de verdachte – in het licht van de bepleite vrijspraak op dit punt – geen gevaar voor personen is ontstaan. Daarnaast is het bestaan van psychisch letsel niet aangetoond en is evenmin sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is in dit geval op deze laatste grondslag gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Ook buiten het geval van aantoonbaar geestelijk letsel kan sprake zijn van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de vorm van psychische schade. Dit moet door de benadeelde partij met stukken worden onderbouwd. In uitzonderlijke gevallen kan ook zonder die onderbouwing worden uitgegaan van aantasting in de persoon op andere wijze in het geval dat de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zodanig waren dat het voor de hand ligt dat deze psychische schade heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is: de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Aan de voordeur van de woning van de benadeelde partij is een cobra met benzine aangestoken. Dit heeft geleid tot een enorme ontploffing waarbij de deur eruit is geblazen. De benadeelde partij bevond zich op dat moment in de gang en heeft deze zeer beangstigende situatie dus van dichtbij meegemaakt. De benadeelde partij heeft aldus recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht de hoogte van het gevorderde bedrag billijk, gelet op de Rotterdamse Schaal en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 3.000,- daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van de explosie, te weten 3 november 2024).

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijk

De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade hebben vergoed.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering [benadeelde 2]

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Het causale verband tussen het delict en de schade ontbreekt, omdat door het handelen van de verdachte – in het licht van de bepleite vrijspraak op dit punt – geen gevaar voor personen is ontstaan. Daarnaast is het bestaan van psychisch letsel niet aangetoond en is evenmin sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader voor de toekenning van immateriële schade, is de rechtbank van oordeel dat ook [benadeelde 2] hier recht op heeft. Ook zij bevond zich op het moment van de heftige explosie in de gang en heeft de zeer beangstigende situatie van dichtbij meegemaakt. Dit maakt dat ook hier geldt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank vindt de hoogte van de vordering, mede gelet op de Rotterdamse schaal, billijk en zal deze toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijk

De rechtbank overweegt dat de verdachte en zijn medeverdachten op grond van de wet ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering [benadeelde 3]

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Het causale verband tussen het delict en de schade ontbreekt, omdat door het handelen van de verdachte – in het licht van de bepleite vrijspraak op dit punt – geen gevaar voor personen is ontstaan. Daarnaast is het bestaan van psychisch letsel niet aangetoond en heeft [benadeelde 3] ook anderszins niet aangetoond dat sprake zou zijn van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De raadsvrouw heeft er daarbij op gewezen dat [benadeelde 3] ten tijde van de explosie niet thuis was. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is geen van de hiervoor genoemde grondslagen voor toekenning van immateriële schade van toepassing. Anders dan [benadeelde 3] heeft aangevoerd, brengen de aard en ernst van de normschending jegens [benadeelde 3] in dit geval niet mee dat de daardoor geleden schade zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat [benadeelde 3] , anders dan zijn vrouw en zijn dochter, niet thuis was op het moment van de explosie. De omstandigheden dat [benadeelde 3] is geschrokken en dat de explosie gevoelens van spanning en onveiligheid hebben meegebracht vormen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is een aantasting in de persoon op andere wijze.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering daarmee nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Proceskosten

De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij [benadeelde 3] ieder de eigen proceskosten zal dragen.

Vordering [benadeelde 4]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.125,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen het delict en de schade ontbreekt. Daarnaast is de vordering volgens de raadsvrouw onduidelijk en dient de benadeelde partij niet meer in de gelegenheid te worden gesteld de vordering nader te onderbouwen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem onder 2 ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Proceskosten

De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij [benadeelde 4] ieder de eigen proceskosten zal dragen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging, aangezien de startdatum van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf inging na de pleegdatum van het bewezen verklaarde feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op het [adres 4] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. Meewerken aan diagnostiek en eventueel ambulante behandeling

De verdachte werkt mee aan diagnostiek en laat zich indien nodig ambulant behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de

zorgverlener dat nodig vindt.

3. Meewerken aan schuldhulpverlening

De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

4. Openheid tonen ten aanzien van zijn sociaal netwerk

De verdachte toont openheid ten aanzien van zijn sociaal netwerk van vrienden/kennissen/

contacten.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vorderingen [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Vordering [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10-397583-24.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.H. Bouwers, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april 2026.

mr. H. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H. Bouwers
  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?