ECLI:NL:RBNHO:2026:4216

ECLI:NL:RBNHO:2026:4216

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 15/109244-25 (A); 15/096077-24 (B) (gev); 23/003081-21 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Steekincident uitgaansgebied Haarlem. Vrijspraak poging tot doodslag omdat niet kan worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans op het overlijden heeft bestaan. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling door met een mes in het bovenbeen en de oksel te steken en in de richting van het lichaam te steken of zwaaien. Bewezenverklaring mishandeling met boksbeugel en voorhanden hebben boksbeugel en harddrugs. GS 480 dagen waarvan 113 dagen voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/109244-25 (A); 15/096077-24 (B) (gev); 23/003081-21 (TUL) (P)

Uitspraakdatum: 17 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

nu gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, reeds op de RolMK van 14 juli 2025 gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R. Klein, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan het volgende:

15/109244-25 (zaak A)

primair

poging tot doodslag op [slachtoffer 1] op 5 april 2025 in Haarlem, door met een mes in het linkerbovenbeen en de linkeroksel van [slachtoffer 1] te steken en door meermaals in de richting van zijn lichaam te steken;

subsidiair

poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 5 april 2025 in Haarlem, door met een mes in het linkerbovenbeen en de linkeroksel van [slachtoffer 1] te steken en door meermaals in de richting van zijn lichaam te steken;

meer subsidiair

mishandeling van [slachtoffer 1] op 5 april 2025 te Haarlem, door met een mes in het linkerbovenbeen en de linkeroksel van [slachtoffer 1] te steken;

15/096077-24 (zaak B)

feit 1

mishandeling van [slachtoffer 2] op 10 januari 2024 in Haarlem, door hem met een boksbeugel tegen het hoofd te slaan;

feit 2

het voorhanden hebben van een boksbeugel op 10 januari 2024 in Haarlem;

feit 3

het bezit van cocaïne en heroïne op 10 januari 2024 in Haarlem.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd is tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever [slachtoffer 1] heeft gehad. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het meermalen in de richting van het lichaam van de aangever steken en zwaaien. Alleen de aangever heeft hierover verklaard en zijn verklaringen zijn niet betrouwbaar, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de in zaak B ten laste gelegde mishandeling en het voorhanden hebben van een boksbeugel, omdat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de aangever [slachtoffer 2] met een boksbeugel heeft geslagen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 (het aanwezig hebben van drugs) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden in zaak A

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de nacht van 4 op 5 april 2025 was de aangever met een kennis ( [naam 1] ) in Café Stiel’s in Haarlem. De verdachte en zijn broer ( [naam 2] ) waren daar ook. Rond 03:50 uur liepen zij met z’n vieren het café in de Smedestraat uit, in de richting van de Jumbo en voorbij de Chef’s Burger, in de Kruisstraat. Kort daarna heeft de verdachte een mes gepakt en in de richting van de aangever gestoken. De verdachte heeft de aangever in zijn linkerbovenbeen en onder zijn linkeroksel gestoken. De aangever is weggerend en is op de Grote Markt naar een politieagent toegelopen. Daar heeft hij verklaard dat een persoon (naar later is gebleken: de verdachte) een mes trok, stekende bewegingen in zijn richting had gemaakt en dat hij in zijn linkerbeen was gestoken. De politieagent zag een steekwond in het been van de aangever en in het ziekenhuis bleek dat hij ook een steekwond onder zijn linkeroksel had.

Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever. Direct na het steekincident is de verdachte op de politie afgestapt en hij heeft op dat moment een verklaring afgelegd. Die verklaring komt op hoofdlijnen overeen met de verklaringen die de aangever in een later stadium van het onderzoek heeft afgelegd, namelijk bij zijn aangifte en tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris. De verklaringen van de aangever worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de onderzoeksbevindingen van de politie met betrekking tot de route die het viertal na het verlaten van Café Stiel’s heeft afgelegd, de medische gegevens en de verklaring van de verdachte ter zitting.

De rechtbank vindt daarom dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte met een mes in het linkerbovenbeen en de linkeroksel van de aangever heeft gestoken en dat hij meermaals in de richting van het lichaam van de aangever heeft gestoken of gezwaaid.

Vrijspraak van het primaire feit in zaak A (poging tot doodslag)

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever heeft gehad en overweegt daartoe als volgt.

Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Hiervoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de medische gegevens blijkt dat de aangever een steekwond in zijn linkerbovenbeen had en een oppervlakkige (steek)wond bij zijn linkeroksel. Uit het forensisch medisch onderzoek volgt dat de wond in het bovenbeen naar schatting 2 centimeter lang en 4 centimeter diep was en de wond bij de oksel 1 centimeter lang en 1 centimeter diep. Het dossier bevat echter geen objectieve vaststelling van de diepte en richting van de steekwonden, bijvoorbeeld op basis van een CT-scan. Ook blijkt uit het forensisch medisch onderzoek onvoldoende duidelijk hoe groot de kans was op het raken van grote bloedvaten of belangrijke zenuwen in de directe omgeving van de betreffende steekwonden. Dat er volgens de (forensisch) arts potentieel een dodelijke afloop had kunnen zijn, acht de rechtbank onvoldoende specifiek. Uit de medische gegevens kan de rechtbank dus niet afleiden dat het toegebrachte letsel van zodanige aard en ernst was dat de aangever daaraan had kunnen komen te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier, waaronder de medische informatie, evenmin worden vastgesteld dat de verdachte met kracht heeft gestoken. De oppervlakkige steekwond onder de oksel wijst daar niet op. De rechtbank weegt verder mee dat het mes waarmee de verdachte heeft gestoken niet is aangetroffen of gezien op camerabeelden, zodat onvoldoende duidelijk is hoe groot (en scherp) het mes was.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans (naar algemene ervaringsregels) op het overlijden van de aangever in deze zaak heeft bestaan. Omdat dit wel een vereiste is voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, kan de ten laste gelegde opzet op de dood niet worden bewezen.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het in zaak A primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring van het subsidiaire feit in zaak A en de feiten in zaak B

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het in zaak A subsidiair ten laste gelegde feit (poging zware mishandeling) en van de in zaak B ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

Nadere bewijsoverweging feiten 1 en 2 van zaak B (mishandeling met boksbeugel)

Op 10 januari 2024 waren de verdachte en de aangever [slachtoffer 2] in een woning in Haarlem. Omstreeks 10:05 uur kreeg de politie een melding dat een verwonde man uit een flat zou zijn gevlucht en op straat zou lopen. De politieagenten troffen [slachtoffer 2] op straat aan en zagen dat hij een snee had aan de linkerkant van zijn gezicht. Hij verklaarde dat hij die nacht in voornoemde woning door de verdachte was geslagen met een boksbeugel. Kort daarna is de politie naar de woning gegaan. Op het balkon troffen zij de verdachte aan. Daar werd vrijwel naast de verdachte achter een regenpijp een boksbeugel gevonden. Het letsel van de aangever past bij zijn verklaring dat hij met een boksbeugel op de linkerkant van zijn hoofd is geslagen.

Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een boksbeugel tegen zijn hoofd te slaan en dat hij die boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair ten laste gelegde feit en de in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

15/109244-25 (zaak A)

subsidiair

hij op 5 april 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, in het linkerbovenbeen en de linkeroksel van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en met dit mes meerdere malen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken of gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

15/096077-24 (zaak B)

feit 1

hij op 10 januari 2024 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een boksbeugel tegen het hoofd te slaan;

feit 2

hij op 10 januari 2024 te Haarlem een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op 10 januari 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,40 gram cocaïne en 0,26 gram heroïne.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

15/109244-25 (zaak A)

Subsidiair: poging tot zware mishandeling.

15/096077-24 (zaak B)

Feit 1: mishandeling.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van drie jaar. Voor iedere overtreding van deze maatregel moet volgens de officier van justitie zeven dagen vervangende hechtenis worden toegepast. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij het zwaar heeft in detentie. Er is geen sprake van recidive en de verdachte zit al bijna een jaar in voorarrest. De raadsvrouw heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen gelet op artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in zijn been en oksel te steken. Het slachtoffer heeft hierdoor twee steekverwondingen opgelopen en hij zal daaraan blijvende littekens overhouden. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het fysieke letsel voor het slachtoffer relatief beperkt is gebleven, is niet aan het handelen van de verdachte te danken. Het gemak en de lichtvaardigheid waarmee de verdachte naar een mes heeft gegrepen en daarmee heeft gestoken, vindt de rechtbank zeer zorgelijk. Het incident is zeer beangstigend en bedreigend geweest voor het slachtoffer en hij ondervindt daarvan nog altijd de (psychische) gevolgen, zo blijkt uit de namens hem ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Hij durft niet meer in Haarlem te komen en ervaart sinds het incident herbelevingen, angstklachten en sombere gevoelens.

Een steekpartij op straat waar zich ook andere mensen bevinden zorgt bovendien voor een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De verdachte is met een mes naar het café gegaan. Het dragen van messen, onder meer in het uitgaansleven, komt steeds vaker voor en dat is een zeer zorgelijke ontwikkeling. De verdachte heeft door zijn handelswijze aangetoond waartoe het dragen van een mes (in het uitgangsleven) kan leiden. Omdat de verdachte een mes bij zich droeg, heeft de situatie op straat snel kunnen escaleren, met een gewond slachtoffer tot gevolg. Uit de verklaring van de verdachte op zitting dat hij vrijwel permanent een mes bij zich had, leidt de rechtbank af dat hij kennelijk van te voren rekening hield met het gebruik daarvan, ongeacht de potentiële gevolgen. De rechtbank acht de omstandigheden waaronder de poging tot zware mishandeling is begaan strafverzwarend.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] door hem met een boksbeugel op het hoofd te slaan. Ook bij dit feit heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ten slotte heeft de verdachte cocaïne en heroïne voorhanden gehad.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 2 februari 2026, waaruit blijkt dat hij al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en het voorhanden hebben van een steekwapen. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er blijkbaar niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een (ernstig) strafbaar feit.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 17 maart 2026, waaruit het volgende kan worden afgeleid. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van geweldsdelicten en de verdachte heeft moeite met het reguleren van zijn agressie. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Ten tijde van de poging tot zware mishandeling (op 5 april 2025) stond de verdachte onder toezicht van de reclassering. De reclassering ziet nog mogelijkheden voor het voortzetten van begeleiding. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod met elektronisch toezicht, een locatiegebod met elektronisch toezicht, dagbesteding, meewerken aan de aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn om mee te werken aan deze voorwaarden maar heeft gevraagd om een uitzondering op het locatieverbod om naar een eventuele opleiding te gaan.

Op te leggen straf

De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij een lagere straf opleggen dan is geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen passend en geboden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 113 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan het voorarrest (tot aan de datum van de uitspraak). Om de verdachte te doordringen van het belang zijn leven op een andere manier vorm te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, een verbod op het gebruik van alcohol, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor het centrum van Haarlem gedurende zes maanden, verplichte dagbesteding, meewerken aan het aflossen van schulden en beheersing van het gebruik van verdovende middelen.

De reclassering heeft ook geadviseerd om de verdachte een locatiegebod op te leggen (met elektronisch toezicht) met een maximale duur van zes maanden. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat dit (verstrekkende) locatiegebod noodzakelijk is, mede omdat aan de verdachte ook een locatieverbod wordt opgelegd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan het locatieverbod elektronisch toezicht te verbinden. Ten aanzien van het contactverbod merkt de rechtbank op dat zij op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende noodzaak ziet om een contactverbod met [slachtoffer 2] op te leggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden

Gelet op het hoge recidiverisico, het strafblad van de verdachte en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn begaan, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank beveelt daarom dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geen 38v-maatregel

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat een contactverbod met [slachtoffer 1] deel uitmaakt van de bijzondere voorwaarden. Ook overigens ziet de rechtbank onvoldoende grond en noodzaak om het recidiverisico, waar de vrijheidsbeperkende maatregel op ziet, in te perken door het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.461,96 ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van het in zaak A ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De vordering bestaat uit een bedrag van € 461,96 als vergoeding voor geleden materiële schade (beschadigde kledingstukken) en een bedrag van € 20.000,00 als vergoeding voor geleden immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade kan worden toegewezen en dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot € 6.000,00. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. De benadeelde partij moet ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade, omdat aankoopbewijzen ontbreken en de vordering daarom onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair moet het gevorderde bedrag aan materiële schade worden gematigd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw bepleit dit bedrag sterk te matigen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Op basis van het dossier is aannemelijk dat de kleding van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit is beschadigd. Het gevorderde bedrag is redelijk en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

De rechtbank is verder van oordeel dat aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft ondervonden van het bewezenverklaarde feit. Aangezien hem lichamelijk letsel is toegebracht komt deze schade op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Uit de medische stukken blijkt dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte twee steekwonden heeft opgelopen, waarbij de duur van genezing is geschat op twee weken. Uit het dossier volgt verder dat het slachtoffer twee littekens aan het incident heeft overgehouden en naar aanleiding van het feit ook met psychische klachten kampt. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Ook neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) in aanmerking en heeft zij gekeken naar de bedragen aan immateriële schadevergoeding die door rechters in vergelijkbare zaken zijn toegewezen. Alles afwegende acht de rechtbank vergoeding van de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 billijk.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen, tot een bedrag van in totaal € 5.461,96, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. In het resterende deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak A bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot zware mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 19 december 2023 in de zaak met parketnummer 23/003081-21 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld wegens oplichting tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat het een andersoortig feit betreft dan de onderhavige feiten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan een nieuw (ernstig) strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde overtreden. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

2 en 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak A primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair ten laste gelegde feit en de in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 113 (honderddertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres] . De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerstvolgende afspraak;

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en indien nodig op middelenmisbruik. Diagnostiek zal onderdeel zijn van de behandeling;

- geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer 1] , [geboortedatum] in [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- zich gedurende het toezicht (met een maximale duur van zes maanden) niet bevindt in het centrum van Haarlem, te weten het gebied omgeven door de Nieuwe Gracht, Koudenhorn, Donkere Spaarne, Turfmarkt, Kampervest, Gasthuisvest, Raamvest, Tuinlaantje, Oranjekade en Kinderhuisvest;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met

een vaste structuur;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,

ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht, toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 5.461,96 (zegge: vijfduizend vierhonderdeenenzestig euro en zesennegentig cent), bestaande uit € 461,96 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade.

Voornoemd bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van een bedrag van € 5.461,96, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door maximaal 52 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/003081-21 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 (honderd) uren, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 december 2023. De taakstraf wordt vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Reemst, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. E. van Kampen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2026.

Bijlage 1 – De tenlastelegging

15/109244-25 (zaak A)

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen/in het linkerbovenbeen en/of (het gebied rond) de linkeroksel, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden en/of met een dit mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken of gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen/in het linkerbovenbeen en/of (het gebied rond) de linkeroksel, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden en/of met een dit mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meerdere malen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft gestoken of gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op/tegen/in het linkerbovenbeen en/of (het gebied rond) de linkeroksel, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] , te steken/snijden;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

15/096077-24 (zaak B)

1

hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Haarlem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een boksbeugel, althans een voorwerp, tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Haarlem een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad;

( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )

3

hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 0,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

Bijlage 2 – De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?