ECLI:NL:RBNHO:2026:4218

ECLI:NL:RBNHO:2026:4218

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 15/254934-25 (A); 15/349015-25 (B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bewezenverklaring medeplegen invoer cocaïne vanuit Suriname naar Nederland en voorbereidingshandelingen daartoe. De rechtbank gaat voorbij aan de door de verdediging gegeven alternatieve lezing van de chatberichten aan het dossier. GS 20 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/254934-25 (A); 15/349015-25 (B) (gev) (P)

Uitspraakdatum: 17 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [detentieadres]

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, reeds op de pro formazitting van 19 januari 2026 gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Visser, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Visser, advocaat te Heemstede, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij:

in de zaak met parketnummer 15/254934-25 (zaak A)

op 4 juli 2024 te Schiphol, samen met een of meer ander(en), cocaïne in Nederland heeft ingevoerd;

in de zaak met parketnummer 15/349015-25 (zaak B)

in de periode van 14 juni 2024 tot en met 17 augustus 2024 in Nederland en Suriname voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de invoer van cocaïne in Nederland, door (onder meer) contact te onderhouden en instructies te geven aan zijn mededader(s) [medeverdachte 1] en/of contactpersoon [medeverdachte 2] en het faciliteren van een visum voor zijn mededader.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd is tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Voor de inhoud van de chatberichten in het dossier heeft de verdachte een geloofwaardige alternatieve lezing gegeven.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.

Nadere bewijsoverwegingen

Zaak A: de invoer van cocaïne door de verdachte en [medeverdachte 3]

Op 4 juli 2025 is de verdachte samen met [medeverdachte 3] vanuit Suriname naar Nederland gereisd. Bij aankomst op luchthaven Schiphol bleek dat [medeverdachte 3] ruim twaalfhonderd gram cocaïne in zijn lichaam vervoerde.

In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn chatgesprekken tussen hem en de verdachte aangetroffen, met onder meer de volgende inhoud. Op 14 juni 2024 stuurt [medeverdachte 3] een afbeelding van zijn identiteitskaart aan de verdachte, waarna de verdachte een bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister terugstuurt. Enkele dagen later stuurt de verdachte naar [medeverdachte 3] dat hij om zeven uur bij de ambassade moet zijn en dat hij geen korte broek en geen slippers mag dragen. Op 27 juni 2024 stuurt de verdachte een video naar [medeverdachte 3] waarop een flesje te zien is, waarbij de verdachte zegt dat hij “het ding” reeds heeft gekocht en voor de deur van [medeverdachte 3] staat. Enkele uren daarna vraagt [medeverdachte 3] of hij alles in een keer moet opdrinken, waarop de verdachte bevestigend antwoordt. Op 28 juni 2024 stuurt de verdachte het vliegticket voor de reis naar Nederland naar [medeverdachte 3] .

Op 2 juli 2024, één dag voor vertrek naar Nederland, stuurt [medeverdachte 3] aan de verdachte dat hij laxeermiddel heeft genomen en dat het nog niet is uitgewerkt. Op 3 juli 2024 vraagt [medeverdachte 3] aan de verdachte of hij “ze alvast kan nemen of mee starten”. De verdachte zegt daarop tegen [medeverdachte 3] dat hij alvast kan beginnen met het eerste team te “bewassen” en kan beginnen met “ze” alvast rustig te baden.

Verder heeft de verdachte chatgesprekken gevoerd met zijn contacten ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’. In beide gesprekken wordt een foto van het paspoort van [medeverdachte 3] gestuurd en in beide gesprekken laat de verdachte weten dat hij samen met [medeverdachte 3] wil vliegen en de kosten voor hem zal betalen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voornoemde chatgesprekken, waarin onder meer wordt gesproken over het gebruik van laxeermiddel door [medeverdachte 3] die twee dagen daarna op Schiphol wordt aangehouden met bolletjes cocaïne in zijn lichaam, niet anders worden uitgelegd dan dat deze zien op de invoer van cocaïne. Dit vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij op reis is gestuurd en naar Nederland is gekomen om cocaïne in te voeren. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de hiervoor beschreven gang van zaken blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 3] voldoende nauw en bewust hebben samengewerkt en komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in zaak A ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Zaak B: voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne door [medeverdachte 1]

Op 17 augustus 2024 is [medeverdachte 1] vanuit Suriname naar Nederland gereisd. De verdachte heeft het visum van [medeverdachte 1] geregeld en ook heeft hij met [medeverdachte 2] , volgens de verdachte een neef van [medeverdachte 1] , contact gehad over de procedure en de kosten daarvan. Bij aankomst op luchthaven Schiphol bleek [medeverdachte 1] ruim zevenhonderd gram cocaïne in zijn lichaam te vervoeren.

In de telefoon van de verdachte zijn chatgesprekken aangetroffen tussen hem en [medeverdachte 1] . Hieruit blijkt dat de verdachte op 17 juni 2024 naar [medeverdachte 1] stuurt dat hij om zeven uur bij de ambassade moet zijn en geen korte broek, slippers of witte trui moet dragen. Een dag later stuurt de verdachte een foto van het visum naar [medeverdachte 1] . Op 30 juni 2024 stuurt [medeverdachte 1] dat hij het medicijndrankje heeft gedronken en schoon is. De verdachte stuurt op 7 juli 2024 dat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) moet laten weten als hij ready is en dat “het” nu al bij hem is.

Verder stuurt de verdachte op 25 juli 2024 een foto van het visum van [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] en zij spreken onderling over kosten voor het paspoort en het geven van geld om kleren te kopen. Op 16, 17 en 18 augustus 2024 vraagt de verdachte aan [medeverdachte 2] of hij op schema loopt, hoe het gaat en de verdachte probeert hem meermaals te bellen. Op 18 augustus 2024 stuurt [medeverdachte 2] een bericht naar de verdachte dat hij in het land was aangekomen waar hij naartoe is gegaan, dat hij niets meer van de andere man heeft gehoord, dat zijn telefoon uitstaat en gister voor het laatst van hem heeft gehoord op Zanderij. [medeverdachte 2] bericht de verdachte dat ze hem (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) misschien hebben gepakt, waarbij [medeverdachte 2] opmerkt dat hij zich niet voor kan stellen dat hij door hem bestolen is.

Gelet op de aard en de strekking van voornoemde chatgesprekken, waarin wordt gesproken over het gebruik van laxeermiddel door [medeverdachte 1] die vervolgens met bolletjes cocaïne in zijn lichaam op Schiphol is aangehouden, kunnen deze niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat deze zien op de invoer van cocaïne.

De rechtbank leidt uit de chatgesprekken af dat de verdachte een coördinerende rol heeft gehad bij de invoer van cocaïne door [medeverdachte 1] . De verdachte heeft een visum voor hem geregeld en hij onderhield contact met [medeverdachte 1] over het gebruik van laxeermiddel. Ook werd de verdachte door [medeverdachte 2] op de hoogte gehouden van de reis van [medeverdachte 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende voor de vaststelling dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het invoeren van cocaïne door [medeverdachte 1] .

Alternatief scenario verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alleen visa heeft geregeld voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en dat het laxeermiddel waarover in de chats wordt gesproken kowru dresi is, een Surinaams drankje dat Surinaamse mannen drinken om van binnen schoon te worden en een goede erectie te krijgen.

De rechtbank volgt deze alternatieve lezing niet. De verdachte heeft met zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 1] gesproken over het gebruik van laxeermiddel en daarbij instructies gegeven (over hoe en wanneer het middel te gebruiken). Ook is de verdachte door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden van het gebruik van het drankje. Kort na deze gesprekken zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op Schiphol aangehouden met bollen cocaïne in hun lichaam. Dat het laxeermiddel is gebruikt voor andere doeleinden dan het slikken van bollen (met cocaïne) acht de rechtbank in het licht van de belastende chatgesprekken ongeloofwaardig.

Daar komt bij dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven op de vraag waarom hij de visa van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] moest regelen en dat hij wisselend heeft verklaard over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bij zijn muziekgroep.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de door de verdediging ter terechtzitting gegeven alternatieve lezing van de chatberichten niet aannemelijk en wordt aan dit verweer voorbijgegaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

15/254934-25 (zaak A)

hij op 4 juli 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.

15/349015-25 (zaak B)

hij in de periode van 14 juni 2024 tot en met 17 augustus 2024 in Nederland en Suriname, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne

- een ander heeft getracht om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen,

door

- meermalen (telefonisch) contact te onderhouden, instructies te geven aan en/of updates geven/vragen aan zijn, verdachtes, mededaders [medeverdachte 1] en contactpersoon " [medeverdachte 2] " en

- het faciliteren van passende kleding en het visum voor die [medeverdachte 1] .

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Zaak B: om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid/middelen/inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vrijlating van de verdachte te gelasten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het, samen met een ander, invoeren in Nederland van ruim 1,2 kilogram cocaïne en het voorbereiden van de invoer van (ongeveer 700 gram) cocaïne vanuit Suriname naar Nederland. De cocaïne werd door koeriers in hun lichaam vervoerd. De verdachte heeft daarbij een sturende rol vervuld. Hij onderhield contact met de koeriers, regelde visa voor hen, faciliteerde passende kleding en gaf instructies over het gebruik van laxeermiddel, voorafgaand aan het innemen van de bollen met cocaïne.

De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de ingevoerde hoeveelheid cocaïne moet deze bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, zoals gewelds- en levensdelicten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van de verdachte van 17 februari 2026, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld. Dit wordt dan ook niet in het nadeel van de verdachte meegewogen.

Op te leggen straf

De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die rechters in min of meer vergelijkbare zaken hebben opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank, met de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. van Kampen, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. P. Reemst, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2026.

Bijlage I – De tenlastelegging

15/254934-25 (zaak A)

hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

15/349015-25 (zaak B)

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2024 tot en met 17 augustus 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of (elders) in Nederland en/of Suriname, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten cocaïne

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

- meermalen (telefonisch) contact te onderhouden, instructies te geven aan en/of updates geven/vragen aan zijn, verdachtes, mededader(s) [medeverdachte 1] en/of contactpersoon " [medeverdachte 2] " en/of

- het faciliteren van een paspoort en/of passende kleding en/of het visum voor die [medeverdachte 1] en/of

- het vliegticket voor die [medeverdachte 1] te betalen en/of ter beschikking te stellen;

( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Bijlage II – De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?