ECLI:NL:RBNHO:2026:4301

ECLI:NL:RBNHO:2026:4301

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 15/139530-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van schuldwitwassen van een appartementsrecht in Velden am Wörthersee - BG Villach en een geldbedrag dat afkomstig is uit de verkoop van dat appartement. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/139530-20 (P)

Uitspraakdatum: 9 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T.M. Fikkers en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 30 juni 2016 tot en met 26 mei 2020 te Purmerend, in elk geval in Nederland, en/of te Velden am Wörthersee (Oostenrijk), althans in Oostenrijk, tezamen en in vereniging met anderen of enig ander, althans alleen, (een) voorwerp(en) (te weten:

- een appartement(srecht) (en/of aandelen, althans enig aandeel, in een

(appartementen-)complex en/of de onroerende zaak) in Velden am Wörthersee - BG Villach), en/of- een geldbedrag (groot (ongeveer) EUR 839.248,--)

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die/dat (voornoemde) (een) voorwerp(en) (te weten dat appartement(srecht) en/of dat/die aande(e)l(en) en/of geldbedrag) gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie die/dit (voornoemde) voorwerp(en) voorhanden had,terwijl zij, verdachte, (en haar mededader(s)) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dit (voornoemde) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Indien zij niet wordt vrijgesproken, doet de raadsman het voorwaardelijke verzoek om de advocaat van de vader van de verdachte te horen over zijn strafzaak in Engeland.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Nadere bewijsoverweging

Beoordelingskader

Voor een bewezenverklaring van (schuld)witwassen is vereist dat komt vast te staan dat het in de tenlastelegging vermelde voorwerp middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

Wanneer op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.

Als dit zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerp die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen appartement(srecht) en geldbedrag. Wel is sprake van feiten en omstandigheden die, in onderling verband bezien, een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Op grond van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank namelijk het volgende vast.

Op 22 augustus 2013 koopt [naam 1] , de vader van de verdachte, een appartementsrecht in Velden am Wörthersee in Oostenrijk (het appartement) voor € 716.917,75. Het appartement wordt door hem niet opgegeven als vermogen bij de Belastingdienst. Naast [naam 1] heeft [naam 2] kennelijk ook een gebruiksrecht van het appartement (Map C pag 640). Op 18 juli 2016 schenkt [naam 1] het appartement aan de verdachte. De verdachte doet vervolgens geen aangifte schenkbelasting, terwijl zij dit volgens de Belastingdienst wel had moeten doen. Evenmin heeft de verdachte over de periode van 2014 - 2019 aan de Belastingdienst opgave gedaan van vermogen of bezit in het buitenland. Ten tijde van de schenking in juli 2016 is [naam 1] al enige tijd verdachte in een witwaszaak in Engeland. Op 28 oktober 2016, drie maanden na de schenking, worden hij en [naam 2] in Engeland veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor witwassen van zeer grote geldbedragen, gepleegd in de periode van 1 januari 2013 tot 29 november 2014.

Op verzoek van de Britse autoriteiten en gelet op de witwaszaak van [naam 1] in Engeland, besluit het Landesgericht Klagenfurt (rechtbank) in Oostenrijk op 9 juni 2017 dat het [naam 1] en de verdachte wordt verboden het appartement te verkopen of te belasten. Op 22 november 2017 heeft de verdachte tegen dit besluit een klacht ingediend. In deze klachtprocedure is namens de verdachte aangevoerd dat het appartement niet aan haar is geschonken, maar dat de overdracht van het appartement de tegenprestatie was voor de overdracht van de aandelen van haar moeder van een onder de firma “ [bedrijf] ” geleide diamanthandel aan [naam 1] . De klacht is door de rechtbank in Oostenrijk niet-ontvankelijk verklaard (Map A, pag. 284).

Tussen 15 augustus 2019 en 26 november 2019 doet de verdachte een aantal overschrijvingen voor een totaal bedrag van € 188.038,67 naar [organisatie] met omschrijving ‘ [naam 1] ’. Deze organisatie is verantwoordelijk voor de administratie van strafrechtelijke burgerlijke en familierechtbanken in Engeland en Wales. Volgens de verklaring van de verdachte ter zitting wilde zij hiermee haar vader ondersteunen, omdat in zijn rechtszaak in Engeland was afgesproken dat hij nog geld moest betalen. Om deze betalingen te kunnen doen leent de verdachte geld van derden. Op 9 oktober 2019 verkoopt de verdachte het appartement en op 10 december 2019 ontvangt zij een bedrag van € 839.248 in verband met deze verkoop. Met het geld dat is vrijgekomen door de verkoop van het appartement worden onder meer de leningen terugbetaald. Het resterende bedrag verspreidt de verdachte over diverse bankrekeningen van haarzelf.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte stelt dat in de procedure in Engeland is vast komen te staan dat het appartement is gekocht met geld dat niet uit enig misdrijf afkomstig is. Ook stelt zij dat haar vader een goedlopend bedrijf had, dat het appartement destijds is bekostigd met gelden uit zijn bedrijf en dat zij er vanuit ging dat het wel goed zat.

De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat de vader van de verdachte in Engeland is veroordeeld voor het witwassen van grote geldbedragen in de periode van 1 januari 2013 tot 29 november 2014, waarbij hij zijn diamanthandel gebruikte als dekmantel. Het appartement in Oostenrijk is in die periode aangekocht. De verdachte heeft niet met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd met welke gelden dit appartement is aangekocht. Gelet op de veroordeling van vader over de genoemde periode en de aankoopdatum van het appartement, biedt de niet nader onderbouwde verklaring van de verdachte dat het appartement is gekocht met (legale) gelden uit vaders bedrijf onvoldoende tegenwicht aan witwasvermoeden ten aanzien van het appartement. Te meer nu uit de door de verdediging overgelegde stukken uit de procedure in Engeland (Witness statement van [naam 3] d.d. 15 februari 2017) volgt dat in die procedure is aangenomen dat het appartement deels betaald is met geld van een Oostenrijkse bankrekening die mede op naam stond van [naam 2] , de medeverdachte van de vader in de witwaszaak, en zij kennelijk ook een gebruiksrecht had in het appartement.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit door de raadsman overgelegde stukken niet volgt dat in Engeland in rechte is vastgesteld dat het appartement in Oostenrijk niet is aangekocht met geld onmiddellijk of middellijk afkomstig uit misdrijf. Dat de advocaat die de vader van de verdachte in Engeland heeft bijgestaan, heeft verklaard dat dit tussen de vader van de verdachte en het Engelse National Crime Agency “was agreed” (lees: is overeengekomen) is voor een dergelijke vaststelling onvoldoende.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de het appartement en vervolgens het daarvoor ontvangen geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank volgt de verdachte verder niet in haar verklaring dat zij erop mocht vertrouwen dat het wel goed zat met de schenking. Er waren voldoende signalen op grond waarvan de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld waarmee het appartement was aangekocht van enig misdrijf afkomstig was. De verdachte kreeg immers zonder opgave van een specifieke aanleiding een appartement geschonken dat had vader drie jaar eerder voor € 716.917,75 had gekocht, op een moment dat hij al enige tijd verdachte was in een witwaszaak in Engeland. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte daar niet van op de hoogte was. Doordat de verdachte geen aangifte schenkingsbelasting gedaan is het appartement buiten beeld van de Belastingdienst gebleven. Gelet op deze omstandigheden en gelet op de waarde van het appartement, kan de verdachte worden verweten dat zij ten tijde van de schenking geen nader onderzoek heeft gedaan en geen vragen heeft gesteld over de precieze herkomst van het geld waarmee haar vader het appartement had gekocht. Enkele maanden nadat de verdachte het appartement heeft gekregen, is haar vader veroordeeld voor witwassen. Ook dit had voor haar aanleiding moeten zijn om navraag te doen naar de herkomst van het geld waarmee het appartement was gekocht. Dat in 2017 in een gerechtelijke procedure in Oostenrijk een verbod werd opgelegd om het appartement te verkopen of te belasten had voor de verdachte ook aanleiding moeten zijn om onderzoek te doen. De verdachte heeft dat niet gedaan en heeft in die procedure bovendien gesteld dat zij het appartement niet bij wijze van schenking heeft gekregen maar geldelijk verworven had, wat niet strookt met de inhoud van de schenkingsovereenkomst.

Gelet op het voorgaande had de verdachte moeten vermoeden dat de geld voor de aankoop van het appartement, en daarmee het appartement van enig misdrijf afkomstig was. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte in de ten laste gelegde periode wist dat het appartement van enig misdrijf afkomstig was. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat opzetwitwassen niet kan worden bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om [naam 4] , de Engelse advocaat van [naam 1] , als getuige te horen omdat in de Engelse procedure veel onderzoek zou zijn gedaan naar en gesprekken zouden zijn gevoerd over het appartement. De rechtbank wijst dit verzoek af. Mede gelet op de functie van [naam 4] als advocaat en de geheimhoudingsrelatie die hij heeft met [naam 1] ziet de rechtbank geen aanleiding om hem als getuige te horen. Bovendien had de verdediging meer schriftelijke stukken over de strafzaak van [naam 1] in Engeland kunnen indienen en is niet gebleken dat [naam 4] zou kunnen verklaren over punten die niet uit stukken moeten kunnen blijken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 30 juni 2016 tot en met 26 mei 2020 in Nederland en in Oostenrijk, tezamen en in vereniging met anderen voorwerpen te weten:

- een appartementsrecht (in Velden am Wörthersee - BG Villach), en - een geldbedrag groot EUR 839.248,-

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan schuldwitwassen van een appartementsrecht en een geldbedrag dat afkomstig is uit de verkoop van dat appartement. De verdachte heeft de schenking van het appartement aanvaard, terwijl zij had moeten vermoeden dat dit uit enig misdrijf afkomstig was. Later heeft zij het appartement verkocht en met de opbrengst onder andere uitgaven gedaan ten behoeve van haar vader. De verdachte heeft op die manier geprofiteerd van gelden die op illegale wijze zijn verkregen. Het witwassen van crimineel geld vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, omdat de inkomsten uit misdrijven op deze manier aan het zicht van justitie worden onttrokken.

De ernst van dit feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van

de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 13 februari 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De redelijke termijn en de op te leggen straffen

De rechtbank ziet in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen in april 2022, toen het einddossier is verspreid door het Openbaar Ministerie. Het eindvonnis wordt op 9 april 2026 gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dus 24 maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf.

Vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte ook rekening met haar destijds jeugdige leeftijd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de relatief beperkte rol die de verdachte heeft gespeeld. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verdachte is ingezet om mee te werken aan een witwasconstructie en daarbij geen initiërende rol vervulde. Gelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring, valt deze straf lager uit dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer

zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, om de verdachte

ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een

strafbaar feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 240 uur moet worden opgelegd.

7. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten drie vorderingen op het positieve saldo op bankrekeningen van de verdachte, moeten worden verbeurdverklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 [zes] maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 [twee] jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 [tweehonderdveertig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 [honderdtwintig] dagen hechtenis;

verklaart verbeurd:

1. STK Vorderingen (Omschrijving: Volksbank SNS Bank);

2. 1 STK Vorderingen (Omschrijving: Volksbank/Rabo); en

3. 1 STK Vorderingen (Omschrijving: ABN/AMRO bank).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. van Kampen, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E. van Kampen
  • mr. A. Buiskool
  • mr. H. de Jonge van Ellemeet

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?