ECLI:NL:RBNHO:2026:4304

ECLI:NL:RBNHO:2026:4304

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 15/268529-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van de uitvoer van MDMA. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/268529-25 (P)

Uitspraakdatum: 7 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. Leyendeckers en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair

hij, op of omstreeks 27 augustus 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair

hij, in de periode van 23 augustus 2025 tot en met 27 augustus 2025 te Den Haag, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA aanwezig heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte op 27 augustus 2025 niet nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] zodat van medeplegen geen sprake is. Indien de verdenking van uitvoer ruimer zou worden bekeken en de dagen voorafgaand aan de ten laste gelegde datum zouden worden meegenomen, geldt dat de vereiste opzet op de uitvoer ontbreekt, omdat de verdachte geen wetenschap heeft gehad dat [medeverdachte] de MDMA zou uitvoeren naar het buitenland. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoudens de dagen van 25 augustus tot en met 27 augustus 2025. Op die dagen heeft de verdachte de MDMA niet in zijn bezit gehad. De verdachte moet daarom van het bezit van MDMA op die dagen worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging

De verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de uitvoer van verdovende middelen.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat de medeverdachte [medeverdachte] op 27 augustus 2025 op Schiphol ongeveer twee kilo MDMA heeft uitgevoerd. De verdachte heeft hem die twee kilo MDMA verschaft.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte ook opzet heeft gehad op de uitvoer en of de rol van de verdachte die van een medepleger was.

Opzet

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31611445050 en dat hij in de chatberichten met [medeverdachte] gebruikmaakte van de naam “[naam 1]”. Op 20 augustus 2025 heeft [medeverdachte] naar de verdachte het volgende bericht gestuurd: “But [naam 2] we need this mdma. The quicker we collect this the quicker we can organize the ticket to you know it will be cheaper.” De verdachte reageerde daarop met een spraakbericht, waarin hij onder meer zei: “(…) I can send you is puur MDMA you know and is good quality and is 950 euro and I can do 2 kilo for you for Friday”. De medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat deze berichten over MDMA gingen en dat zij dit naar elkaar hebben gestuurd “omdat we dit naar Gambia probeerde te krijgen om geld te verdienen”.

De verdachte heeft op de zitting geen verklaring willen afleggen over deze chatberichten.

Gelet op de chatberichten en de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte], is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat de door hem geleverde MDMA zou worden uitgevoerd. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte opzet had op de uitvoer van de MDMA.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, gericht op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte [medeverdachte] aan de verdachte heeft gevraagd de MDMA te regelen en dat hij hem hiervoor geld heeft gegeven. De verdachte heeft vervolgens contact met anderen gelegd om de MDMA te verkrijgen, de MDMA opgehaald en de MDMA vervolgens afgeleverd bij [medeverdachte]. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij de uitvoer van de MDMA. De verdachte heeft met zijn handelen een cruciale rol gespeeld bij deze uitvoer en heeft een onmisbare schakel gevormd om de uitvoer van de MDMA mogelijk te maken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van bijna twee kilo MDMA naar Gambia.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij, op 27 augustus 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een bewezenverklaring rekening te houden met de beperkte rol van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte wil graag naar een kliniek voor zijn drugsverslaving en heeft hiervoor ook al een plek geregeld die niet voor lange tijd beschikbaar blijft. Daarnaast wordt zijn woning op dit moment nog doorbetaald, maar dit stopt per 1 mei 2026. Verder heeft de raadsman gewezen op het feit dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht een substantieel lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, met een fors voorwaardelijk deel en een proeftijd van drie jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van bijna twee kilo MDMA. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. Daarnaast is MDMA slecht voor de volksgezondheid en is de productie en verwerking daarvan slecht voor het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van deze negatieve effecten.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 10 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk feit.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte, dat hij ten tijde van het feit verslaafd was aan drugs en dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte iets aan de uitvoer heeft verdiend.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 24 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte met psychische en verslavingsproblematiek kampt en dat hij zich op vrijwillige basis heeft aangemeld bij GGZ Changes voor een klinische opname. Hij is gemotiveerd om te werken aan zijn verslaving. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten:

een meldplicht bij de reclassering;

ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;

meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs.

De verdachte heeft op de zitting gezegd zich te willen houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Daar staat tegenover dat de verdachte en de maatschappij gebaat zijn bij een succesvolle behandeling van zijn drugsverslaving.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin is voor de uitvoer van een hoeveelheid van 1500-2000 gram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 24 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden is. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast. Deze forse voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank aangewezen om te waarborgen dat de verdachte zich laat begeleiden door de reclassering, de klinische behandeling volgt en abstinent blijft van middelen.

7. Beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting opgemerkt dat het openbaar ministerie heeft besloten dat de telefoon retour kan naar de verdachte. De verdediging heeft laten weten dat de telefoon nog niet is ontvangen. Nu er bij die stand van zaken geen beslag meer rust op de telefoon, zal de rechtbank hier geen beslissing over nemen. De rechtbank vertrouwt erop dat de telefoon is/wordt teruggegeven aan de verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 47, 63 van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H. Tiemens, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. S.J. Riem, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 april 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.H. Tiemens
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. S.J. Riem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?