RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/221520-25 (P)
Uitspraakdatum: 21 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in P.I. Lelystad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.V. Dam en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1
een poging tot bedrijfsinbraak in vereniging op 21 juni 2025 op het adres [adres 1];
Feit 2
primair
een poging tot woninginbraak in vereniging op 8 augustus 2025 op het adres [adres 2];
subsidiair
vernieling van een voordeur op 8 augustus 2025 te Amsterdam;
Feit 3
primair
een poging tot woninginbraak in vereniging op 8 augustus 2025 op het adres [adres 3];
subsidiair
vernieling van een raam op 8 augustus 2025 te Amsterdam;
Feit 4
primair
een poging tot woninginbraak in vereniging op 6 augustus 2025 op het adres [adres 4];
subsidiair
vernieling van een deur en/of slot van de deur op 6 augustus 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van de feiten 1 en 3 bepleit. Ten aanzien van feit 2 heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 1 en feit 3 De rechtbank acht de feiten 1 en 3 niet wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 1 heeft een verbalisant de camerabeelden van het bedrijf, een dierenartsenpraktijk, uitgekeken. Hij heeft geverbaliseerd dat hij op die beelden de verdachte heeft herkend aan zijn sportieve postuur, nonchalante houding en kort opgeschoren haar. Dit zijn behoorlijk algemene kenmerken. Voorts is voor een voldoende verantwoorde herkenning van belang dat de verbalisant aangeeft onder welke omstandigheden, wanneer en met welke frequentie hij de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Dit is niet gebleken uit het proces-verbaal van de verbalisant. Dit maakt dat de verantwoording van de herkenning ontoereikend is. Daarmee komt aan de herkenning onvoldoende bewijskracht toe en daarnaast bevat het dossier onvoldoende bewijs op basis waarvan de rechtbank met voldoende zekerheid kan vaststellen dat de verdachte een van de personen is die op de camerabeelden van de poging tot inbraak is te zien.
Ten aanzien van feit 3 blijkt uit het dossier dat de verdachte en de medeverdachte in de nacht van 7 op 8 augustus 2025 in een auto door een woonwijk in Amsterdam hebben gereden en gepoogd hebben in te breken bij een woning aan de [adres 2], terwijl de politie hen observeerde (zie bewijsoverweging 3.3.3.). Het proces-verbaal over deze observaties houdt onder meer in dat de auto omstreeks 01.50 uur parkeerde op de [adres 5], de verdachte uitstapte en in de richting van garageboxen liep. Een minuut later hoorde de verbalisant breekgeluiden ter hoogte van de [adres 6] en kort daarna zag hij de verdachte weer in de auto stappen. Later hoorde de verbalisant van collega’s dat zij bij een pand naast [adres 6] braakschade hadden ontdekt en dat dit de woning [adres 3] betrof. Een ander proces-verbaal van bevindingen houdt in dat verbalisanten op 8 augustus 2025 naar de [adres 7] in Amsterdam zijn gegaan, alwaar de politie inbraak geluiden zou hebben gehoord, en zij op de [adres 3] een voordeur met een ingeslagen ruitje hebben aangetroffen.
De rechtbank ziet in het voorgaande onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij een poging tot inbraak, althans een vernieling aan de [adres 3]. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij op basis van een algemeen toegankelijke bron, te weten Google Maps, heeft achterhaald dat het perceel [adres 7] in Amsterdam direct tegenover de [adres 3] ligt en dat het adres [adres 6] te Amsterdam zich niet naast, maar op 450 meter afstand van het adres [adres 3] bevindt.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 2 primair en 4 primair op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging feit 2
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 8 augustus 2025 het raam van de woning aan de [adres 2] 37 in Amsterdam heeft geforceerd om daar in te breken. Hij heeft dus feit 2 bekend maar hij heeft ontkend dat hij dit feit tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gepleegd. Hij heeft verklaard dat hij de medeverdachte enkel heeft gevraagd om hem die nacht naar verschillende locaties te rijden en dat de medeverdachte niet op de hoogte was van zijn plan om in te breken.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte en de medeverdachte in de nacht van 7 op 8 augustus 2025 ruim een uur samen in de auto (een BMW) van de medeverdachte hebben gezeten en hebben rondgereden in een woonwijk in Amsterdam. Op verschillende momenten en verschillende plaatsen in die wijk stapte de verdachte uit de auto, waarna de verbalisanten breekgeluiden hoorden en de verdachte vervolgens weer in de auto stapte.
Om 01.59 uur zagen de verbalisanten dat de verdachte op de [adres 2] uitstapte, zijn hand door een gat in het raam van perceel 37 stak, een duw tegen het raam gaf en terugliep naar de BMW, die wegreed. Om 02.30 uur parkeerde de BMW opnieuw in de [adres 2], stapte de verdachte uit en rommelde aan het raam van perceel 37. Opnieuw liep de verdachte terug naar de BMW, die opnieuw wegreed. Om 02.35 uur parkeerde de BMW nogmaals in de [adres 2], waarna niet alleen verdachte, maar ook de bestuurder, te weten de medeverdachte, uitstapte. Zij liepen beiden richting het raam van perceel 37. De verdachte probeerde het raam te forceren, terwijl de medeverdachte om zich heen bleef kijken. Volgens de verbalisant was hij duidelijk scherp op zijn omgeving.
De rechtbank overweegt dat voornoemde gedragingen van de verdachte en de medeverdachte, gedurende het uur waarin zij rondreden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op de voltooiing van een inbraak, dat hieruit ook het opzet van de medeverdachte kan worden afgeleid. De verklaring van de verdachte dat de medeverdachte niet wist wat de verdachte aan het doen was, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte tezamen en in vereniging de poging tot inbraak op de [adres 2] hebben gepleegd.
Bewijsoverweging feit 4
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij te zien is op de beelden en dat hij de cilinder uit de deur van de woning aan de [adres 4] heeft gehaald. Hij had met een andere persoon afgesproken dat hij de deur zou openen en die andere persoon naar binnen zou gaan.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, omdat er niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere persoon.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat hij samen met de andere persoon een plan heeft gemaakt om de woninginbraak uit te voeren en dat zij daarbij een taakverdeling hadden afgesproken. De verdachte heeft de cilinder uit het slot gehaald en de deur geopend. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere persoon.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 2
hij op 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning (gelegen aan het adres [adres 2]) één of meerdere goederen van zijn gading die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak;
- zich naar de woning heeft begeven;
- een ruit/raam (van de voordeur) heeft ingeslagen;
- een hand door het gat (in het raam/de ruit) heeft gestoken;
- een duw tegen het raam/de ruit heeft gegeven;
- zich weer van de woning heeft verwijderd;
- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;
- ( opnieuw) aan het raam/de ruit heeft getrokken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4
hij op 6 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning (gelegen aan adres [adres 4]), één of meerdere goederen van zijn gading die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak;
- zich naar de genoemde woning heeft begeven,
- het slot van de deur van de keuken heeft geforceerd,
- en het cilinder van het slot eruit heeft gehaald,
- en (vervolgens) de deur van de keuken heeft geopend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 en feit 4
telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Mede gelet daarop heeft zij verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan van twee pogingen tot woninginbraak in vereniging. De verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor het eigendom van anderen en heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële belangen. Woninginbraken zorgen niet alleen voor veel schade en overlast, maar ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en anderen die hiervan kennis nemen. Een woning is bovendien bij uitstek een plek waar men zich veilig hoort te voelen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 maart 2026), waaruit blijkt dat hij meermalen voor diefstallen en andere vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 november 2025, waarin de reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Ter terechtzitting is gebleken dat deze bijzondere voorwaarden ook zijn opgelegd bij vonnis van 28 juni 2024 (parketnummer: 13/091152-24), dat op 12 maart 2026 onherroepelijk is geworden.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de hierboven genoemde uitspraak waarbij al dezelfde bijzondere voorwaarden zijn opgelegd als de reclassering thans adviseert.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering van [benadeelde 3] (feit 2)
Namens de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft [gemachtigde] een vordering tot schadevergoeding van € 865,25 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade en proceskosten die het bedrijf als gevolg van feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit de reparatie van het alarm (€ 310,50) en schilderwerk (€ 462,75). De proceskosten bestaat uit administratieve handelingen (€ 290,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade en de proceskosten kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de verzochte proceskosten moeten worden afgewezen, gezien er geen sprake is van een rechtstreeks verband.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 1. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Vordering van [benadeelde 4] (feit 3)
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 863,17 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van feit 3 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit het maken van een noodafdichting (€ 348,10), kosten voor de slotenmaker (€ 195,-) en kosten voor de glaszetter (€ 320,07).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Vordering van [benadeelde 5] (feit 4)
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 735,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van feit 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit het vervangen van de sloten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over deze vordering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de schadeposten in rechtstreeks verband staan met het onder 4 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering daarom geheel toe. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 6 augustus 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 735,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van zeven dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (in juridische termen: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vorderingen benadeelde partij
Wijst de vordering van [benadeelde 5] geheel toe tot een bedrag van € 735,- (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), bestaande uit materiële schade.
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, in die zin dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 5] aan de Staat € 735,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met zeven dagen gijzeling.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,
mr. S.J. Riem en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Feit 1
hij op of omstreeks 21juni 2025 te Voorthuizen, gemeente Barneveld tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een bedrijfspand (gelegen aan het adres [adres 1]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,
- zich naar het bedrijfspand heeft begeven,;
- een raam van het pand heeft verbroken;
- via het raam het pand heeft betreden;
- en/of een of meerdere lades open heeft getrokken
- en/of een of meerdere kasten heeft geopend;
- en/of een of meerdere goederen uit de lades heeft genomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
primair
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 2]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;
- zich naar de woning heeft begeven;
- een ruit/raam (van de voordeur) heeft ingeslagen;
- een hand door het gat (in het raam/de ruit) heeft gestoken;
- een duw tegen het raam//de ruit heeft gegeven;
- zich weer van de woning heeft verwijderd;
- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;
- ( opnieuw) aan het raam/de ruit heeft geduwd en/of getrokken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Feit 3
primair
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan adres [adres 3]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;
- zich naar de woning heeft begeven;
- een raam van de woning heeft vernield;
- ( vervolgens) het gebroken raam uit de woning heeft getrokken;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een raam (van een woning), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Feit 4
primair
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan adres [adres 4]), één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;;
- zich naar de genoemde woning heeft begeven,
- het slot van de deur van de keuken heeft geforceerd,
- en/of het cilinder van het slot eruit heeft gehaald,
- en/of (vervolgens)de deur van de keuken heeft geopend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of het slot van de deur (van een woning), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(…)