ECLI:NL:RBNHO:2026:4310

ECLI:NL:RBNHO:2026:4310

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 15/221519-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor vijf strafbare feiten, te weten een woninginbraak, een woninginbraak in vereniging, twee pogingen tot woninginbraak in vereniging en een poging tot bedrijfsinbraak in vereniging. Vrijspraak voor twee woninginbraken. Gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek. Beslissingen op vorderingen benadeelde partijen. Beslissingen op vorderingen tenuitvoerlegging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/221519-25, 15/025006-24 (tul) en 23/000105-22 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 21 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1],

nu gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.V. Dam en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, kort samengevat, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1

primair

een woninginbraak op 30 mei 2025 op het adres [adres 2];

subsidiair

een poging tot woninginbraak op 30 mei 2025 op het adres [adres 2];

Feit 2

een poging tot bedrijfsinbraak in vereniging op 21 juni 2025 op het adres [adres 3];

Feit 3

primair

een poging tot woninginbraak in vereniging op 8 augustus 2025 op het adres [adres 4];

subsidiair

vernieling van een voordeur op 8 augustus 2025 te Amsterdam;

Feit 4

primair

een poging tot woninginbraak in vereniging op 8 augustus 2025 op het adres [adres 5];

subsidiair

vernieling van een raam op 8 augustus 2025 te Amsterdam;

Feit 5

een poging tot woninginbraak in vereniging op 31 juli 2025 op het adres [adres 6];

Feit 6

een woninginbraak in vereniging op 2 augustus 2025 op het adres [adres 7];

Feit 7

een woninginbraak in de periode van 27 juli tot en met 30 juli 2025 op het adres [adres 8] te Amsterdam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van, naar de rechtbank begrijpt, de feiten 3, 4, 5 en 7 omdat de plaatsing van de peilzender onder de auto van de verdachte en de daaruit volgende observaties onrechtmatig zijn geweest. Volgens de raadsman is sprake geweest van stelselmatige observatie waarvoor op grond van artikel 126g Wetboek van Strafvordering (Sv) een bevel van de officier van justitie was vereist, met daarin opgenomen de afbakening van de observaties. Dit bevel ontbreekt, alsook een deugdelijk verslag van plaatsing en een deugdelijke uitleg van de intensiteit van de methode. De inzet en proportionaliteit van het middel kan daardoor niet getoetst worden. Het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is groot, waardoor groot nadeel is veroorzaakt voor de verdachte. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat moet leiden tot bewijsuitsluiting van de processen-verbaal waarin de observaties zijn uitgeschreven. Hieruit volgt dat onvoldoende wettig bewijs resteert voor de genoemde feiten.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7, omdat die, kort gezegd, niet wettig en overtuigend bewezen zijn. De verweren zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden. Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1 en feit 4

De rechtbank acht de feiten 1 en 4 niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 bevat het dossier onvoldoende bewijs op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de verdachte de persoon is geweest die heeft ingebroken op het adres [adres 2], dan wel een poging daartoe heeft gedaan. Het enkele feit dat de verdachte heeft erkend dat hij te zien is op camerabeelden van een nabijgelegen tankstation in de periode dat de woninginbraak is gepleegd, is daartoe niet voldoende.

Ten aanzien van feit 4 blijkt uit het dossier dat de verdachte en de medeverdachte in de nacht van 7 op 8 augustus 2025 in een auto door een woonwijk in Amsterdam hebben gereden en gepoogd hebben in te breken bij een woning aan de [adres 4], terwijl de politie hen observeerde (zie bewijsoverweging 3.3.5.). Het proces-verbaal over deze observaties houdt onder meer in dat de auto omstreeks 01.50 uur parkeerde op de [adres 9], de medeverdachte uitstapte en in de richting van garageboxen liep. Een minuut later hoorde de verbalisant breekgeluiden ter hoogte van de [adres 10] en kort daarna zag hij de medeverdachte weer in de auto stappen. Later hoorde de verbalisant van collega’s dat zij bij een pand naast [adres 10] braakschade hadden ontdekt en dat dit de woning [adres 5] betrof. Een ander proces-verbaal van bevindingen houdt in dat verbalisanten op 8 augustus 2025 naar de [adres 11] zijn gegaan, alwaar de politie inbraak geluiden zou hebben gehoord, en dat zij op de [adres 5] een voordeur aan met een ingeslagen ruitje hebben aangetroffen.

De rechtbank ziet in het voorgaande onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij een poging tot inbraak, althans een vernieling aan de [adres 5]. Daarbij betrekt de rechtbank dat zij op basis van een algemeen toegankelijke bron, te weten Google Maps, heeft achterhaald dat het perceel [adres 11] direct tegenover de [adres 5] ligt en dat het adres [adres 10] te Amsterdam zich niet naast, maar op 450 meter afstand van het adres [adres 5] bevindt.

Geen vormverzuim ex artikel 359a Sv

De rechtbank verwerpt het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting. Naar haar oordeel is er geen sprake van een vormverzuim, omdat de plaatsing van de peilzender en de daaruit voortvloeiende observaties rechtmatig hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het dossier blijkt dat in het onderzoek naar woninginbraken drie verdachten in beeld zijn gekomen, waaronder de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte]. Uit het onderzoek blijkt dat de drie verdachten over het algemeen gebruik maakten van, onder meer, een personenauto, een BMW met kenteken [kenteken] (de auto). De verdachte heeft erkend dat hij gebruik maakt van deze auto. De politie heeft op 12 juli 2025, met toestemming van de officier van justitie, een niet registrerende peilzender aan de auto aangebracht. De auto werd middels de peilzender, in combinatie met observaties, gevolgd in de periode van 12 juli 2025 tot en met 8 augustus 2025. De verslaglegging in het dossier bevat de waarnemingen via een uitkijkunit op elf data gedurende deze periode.

Observaties waarvoor geen machtiging als bedoeld in artikel 126g Sv is gegeven kunnen jegens de geobserveerde onrechtmatig zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zin om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Is dat niet het geval, dan kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd, dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 Sv daarvoor voldoende legitimatie biedt. Dat zal in het bijzonder het geval zijn, als de observaties slechts in een bepaald gebied kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid. Uit de verslaglegging van de observatie zal moeten blijken of deze, mede in verband met de vereiste subsidiariteit en proportionaliteit, beperkt en kortstondig is gebleven.

In deze zaak werd door middel van de peilzender niet de verdachte zelf, maar zijn auto gevolgd. Bovendien betrof het een niet registrerend peilzender. Daarnaast heeft de peilzender een beperkte periode (nog geen maand) op de auto gezeten en hebben de observaties plaatsgevonden in de openbare ruimte. De observaties waren dan ook niet geschikt om een min of meer compleet beeld te krijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte. Zij hebben slechts een zo beperkte inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer, dat artikel 3 van de Politiewet 2012 en artikel 141 Sv daarvoor een toereikende grondslag boden.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2, 3 primair, 5 en 7 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot bewezenverklaring is gekomen.

Daarnaast zal de rechtbank feit 6 bewezen verklaren. Aangezien de verdachte dit feit heeft bekend en door hem of namens hem geen vrijspraak hiervoor is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage II.

Bewijsoverweging feit 2

In de nacht van 20 op 21 juni 2025 is via een raam ingebroken in dierenartsenpraktijk [benadeelde 1] (hierna: de dierenartsenpraktijk) aan de [adres 12]. Volgens de aangever zijn er geen goederen weggenomen. Op camerabeelden van de dierenartsenpraktijk ziet de verbalisant twee personen. De ene persoon herkent hij als de verdachte en de andere persoon duidt hij aan als [naam] (hierna: ‘[naam]’). De verdachte is op de beelden te zien buiten de dierenartsenpraktijk, met op enig moment een breekijzer in zijn hand.

De verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de poging tot diefstal uit de dierenartsenpraktijk. Hij heeft ter zitting verklaard dat het kan zijn dat hij te zien is op de beelden, omdat hij die nacht in de buurt van de dierenartsenpraktijk op een feestje was. Hij kreeg op enig moment van iemand een breekijzer in zijn handen gedrukt om naar de auto te brengen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte opzet heeft gehad op de poging tot bedrijfsinbraak en daarnaast of sprake is geweest van medeplegen. Voor medeplegen is een voldoende nauwe en bewuste samenwerking vereist, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op fragment 2 van de beelden van de dierenartsenpraktijk is te zien dat ‘[naam]’ in de nacht van 20 op 21 juni 2025 in de dierenartsenpraktijk is geweest en deze heeft doorzocht. Deze persoon heeft dus een poging tot diefstal met braak gepleegd. Op fragment 1 is te zien dat ruim drie minuten eerder ‘[naam]’ met de verdachte voorbij de deur van de dierenartsenpraktijk liep.

Op fragment 2 is te zien dat ‘[naam]’ aan de voorzijde van de dierenpraktijk liep met een breekijzer in zijn hand. De verdachte liep op dat moment achter hem aan. Uit een bijschrift bij foto 5 leidt de rechtbank af dat kort nadat ‘[naam]’ uit beeld liep, de verdachte terug kwam en een breekijzer vasthield. Het breekijzer stopte hij vervolgens onder zijn kleding.

Hoewel de verdachte, voor zover op de beelden is te zien, buiten de dierenartsenpraktijk is gebleven, zijn deze gedragingen van de verdachte, mede gelet op de korte tijdspanne tussen die gedragingen en het moment dat ‘[naam]’ de dierenartsenpraktijk doorzocht, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de voltooiing van een inbraak, dat hieruit het opzet van de verdachte kan worden afgeleid. De niet onderbouwde en eerst ter zitting afgelegde verklaring van de verdachte, dat hij in de buurt van de dierenartsenpraktijk een feestje had, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Voorts valt niet in te zien waarom hij een breekijzer die hij voor iemand in de auto zou moeten leggen onder zijn kleding zou stoppen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte door zich samen met ‘[naam]’ bij de dierenartsenpraktijk op te houden kort voor de poging tot inbraak en op enig moment het breekijzer in zijn handen te hebben en onder zijn kleding te stoppen een voldoende significante bijdrage aan die poging heeft geleverd om van medeplegen te kunnen spreken.

Bewijsoverweging feit 3

De verdachte heeft ten aanzien van feit 3 een ontkennende verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij in de nacht van 8 augustus 2025 enkel de medeverdachte heeft rondgereden en niet op de hoogte was van diens plannen. Hij werd verrast door het feit dat de medeverdachte opeens aan het raam stond te trekken bij de [adres 4], waarna hij heeft ingegrepen en de medeverdachte heeft proberen weg te trekken.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte en de medeverdachte in de nacht van 7 op 8 augustus 2025 ruim een uur samen in de BMW met kenteken [kenteken] (de auto) hebben gezeten en hebben rondgereden in een woonwijk in Amsterdam. De verdachte was de bestuurder en de medeverdachte was de bijrijder. Op verschillende momenten en verschillende plaatsen in die wijk stapte de medeverdachte uit de auto, waarna de verbalisanten breekgeluiden hoorden en de medeverdachte vervolgens weer in de auto stapte.

Om 01.59 uur zagen de verbalisanten dat de medeverdachte op de [adres 4] uitstapte, zijn hand door een gat in het raam van perceel 37 stak, een duw tegen het raam gaf en terugliep naar de BMW, die wegreed. Om 02.30 uur parkeerde de BMW opnieuw in de [adres 4], stapte de medeverdachte uit en rommelde aan het raam van perceel 37. Opnieuw liep de medeverdachte terug naar de BMW, die opnieuw wegreed. Om 02.35 uur parkeerde de BMW nogmaals in de [adres 4], waarna niet alleen medeverdachte, maar ook de bestuurder, te weten de verdachte uitstapte. Zij liepen beiden richting het raam van perceel 37. De medeverdachte probeerde het raam te forceren, terwijl de verdachte om zich heen bleef kijken. Volgens de verbalisant was hij duidelijk scherp op zijn omgeving.

De rechtbank overweegt dat voornoemde gedragingen van de verdachte en de medeverdachte, gedurende het uur waarin zij rondreden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op de voltooiing van een inbraak, dat hieruit ook het opzet van de verdachte kan worden afgeleid. Zijn verklaring dat hij niet wist wat de medeverdachte aan het doen was, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verklaring dat hij juist heeft ingegrepen toen hij de medeverdachte aan het raam zag trekken wordt weerlegd door de waarnemingen van de verbalisanten ter plaatse.

Voorts heeft de verdachte met voornoemde gedragingen een wezenlijke bijdrage aan de poging tot woninginbraak aan de [adres 4]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er tussen de verdachte en de medeverdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij deze poging, en dus van medeplegen.

Bewijsoverweging feit 5

De verdachte heeft verklaard dat hij op 31 juli 2025 samen met een ander heeft geprobeerd in te breken op het adres [adres 13]. Hij heeft verklaard dat hij een breekijzer in het raamkozijn heeft gezet, maar dat hij op enig moment heeft bedacht dat hij hier niet meer aan wilde meedoen en dat hij zich toen heeft teruggetrokken.

De raadsman heeft bepleit dat er geen sprake is van een poging omdat het misdrijf niet is voltooid door omstandigheden van de wil van de dader, ook wel: vrijwillige terugtred.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Of de gedragingen van een verdachte toereikend zijn om de conclusie te trekken dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging is veelal een zodanig optreden van de verdachte vereist, dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169).

In deze zaak heeft de verdachte – zo erkent hij en volgt uit de bewijsmiddelen – met kracht een breekijzer in een kozijn geplaatst met de bedoeling om in te breken in de woning aan de [adres 13]. Daarna heeft de politie iemand in de woning met een zaklamp gezien. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een voltooide poging (in vereniging gepleegd). Aan het beroep op vrijwillige terugtred is alleen ten grondslag is gelegd ‘dat verdachte uit zichzelf heeft afgezien van de inbraak’ en er zijn in dat verband geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit bijvoorbeeld volgt dat de verdachte heeft opgetreden op een manier die geschikt was om het intreden van het gevolg te beletten. Wat de verdediging heeft aangevoerd is dus ontoereikend voor het slagen van het verweer.

Bewijsoverweging feit 7

De verdachte heeft ontkend dat hij in de periode van 27 juli tot en met 30 juli 2025 heeft ingebroken in de woning aan de [adres 8]. Hij komt weleens in die buurt, daarom is wellicht zijn auto daar gezien. Verder wordt volgens de verdachte de box van zijn woning door verschillende personen gebruikt en heeft een ander goederen afkomstig van deze inbraak in neergelegd.

De rechtbank overweegt dat verbalisanten hebben waargenomen dat de auto van de verdachte, waarvan de bestuurder op de verdachte leek, op 30 juli 2025 om 01.37 uur ’s nachts parkeerde op de [adres 8] in Amsterdam. Om 01.47 uur zagen de verbalisanten braaksporen bij het raam van die woning en het raam stond open. Tijdens een doorzoeking op 8 augustus 2025 zijn in de opslagbox van de woning van de verdachte goederen aangetroffen die onmiskenbaar van de aangeefster zijn. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden zo zeer wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij de inbraak, dat enige verklaring van de verdachte mag worden verlangd. Er mag dus meer van hem verwacht worden dan de enkele stelling dat anderen de opslagbox ook gebruikten. Van een zodanige verklaring is niet gebleken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de inbraak heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 primair, 5, 6, 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

Feit 2

hij omstreeks 21 juni 2025 te Voorthuizen, gemeente Barneveld tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand (gelegen aan het adres [adres 3]) één of meerdere goederen van zijn gading die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak,

- zich naar het bedrijfspand heeft begeven;

- een raam van het pand heeft verbroken;

- via het raam het pand heeft betreden;

- en meerdere lades open heeft getrokken

- en meerdere kasten heeft geopend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3

hij op 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning (gelegen aan het adres [adres 4]) één of meerdere goederen van zijn gading die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak;

- zich naar de woning heeft begeven;

- een ruit/raam (van de voordeur) heeft ingeslagen;

- een hand door het gat (in het raam/de ruit) heeft gestoken;

- een duw tegen het raam/de ruit heeft gegeven;

- zich weer van de woning heeft verwijderd;

- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;

- ( opnieuw) tegen het raam/de ruit heeft getrokken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 5

hij op 31 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een woning (gelegen aan het adres [adres 6]), één of meerdere goederen van zijn gading die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak;

- zich naar de woning heeft begeven;

- heeft aangebeld bij de woning

- zich weer van de woning heeft verwijderd;

- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;

- ( met kracht) een breekijzer in het raamkozijn van de woning heeft gezet

- het raam heeft geopend/verbroken;

- met een zaklamp heeft geschenen in de woning;

- ( in de woning) kasten heeft geopend

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 6

hij op 2 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander uit een woning (gelegen aan het adres [adres 7]) een geldbedrag dat geheel aan [benadeelde 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen door middel van braak;

Feit 7

hij in de periode 27 juli tot en met 30 juli 2025 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan het adres [adres 8]) heeft weggenomen een kluis, een aankoopbon van een juwelier met aangehecht een kopie van een rijbewijs van [benadeelde 6], sieraden en EUR 8.000,-, die geheel aan [benadeelde 6] toebehoorden, waarbij verdachte zich de toegang tot de woning heeft verschaft en de weg te nemen goederen en het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2, feit 3 en feit 5

telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

feit 6

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

feit 7

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: hij heeft een gezin met vier kinderen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan twee woninginbraken, twee pogingen tot woninginbraak in vereniging en een poging tot bedrijfsinbraak in vereniging. De verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor het eigendom van anderen en heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële belangen. Woninginbraken zorgen niet alleen voor veel schade en overlast, maar ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en anderen die hiervan kennis nemen. Een woning is bovendien bij uitstek een plek waar men zich veilig hoort te voelen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 februari 2026), waaruit blijkt dat de verdachte meermalen voor diefstallen en andere vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 november 2025, waarbij de reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op het standpunt van de raadsman en wat de verdachte hier zelf over heeft verklaard.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 23 maanden passend en geboden.

7. Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een waterpomptang en een moersleutel, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen behoren de verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering van [benadeelde 1] (feit 2)

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft [gemachtigde] een vordering tot schadevergoeding van € 865,25 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade en proceskosten die het bedrijf als gevolg van feit 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit de reparatie van het alarm (€ 310,50) en schilderwerk (€ 462,75). De proceskosten bestaat uit administratiehandelingen (€ 290,-).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade en de proceskosten kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen volmacht of KVK-uittreksel is overlegd. Daarnaast is de vordering onvoldoende onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering omdat de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. [gemachtigde] heeft, ondanks de instructie daartoe in het formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’, bij de vordering geen volmacht of KVK-uittreksel van [benadeelde 1] toegevoegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is het bedrijf te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat de aangifte namens [benadeelde 1] niet is gedaan door [gemachtigde], maar door [benadeelde 2]. De rechtbank kan kortom niet controleren dat [gemachtigde] gerechtigd was om namens deze rechtspersoon een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit te corrigeren, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Vordering van [benadeelde 7] (feit 4)

De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 863,17 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit het maken van een noodafdichting (€ 348,10), kosten voor de slotenmaker (€ 195,-) en kosten voor de glaszetter (€ 320,07).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 4. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Vordering van [benadeelde 6] (feit 7)

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden als gevolg van het onder 7 ten laste gelegde feit. De gestelde materiële schade bestaat uit nieuw laminaat/parket (€ 1.500,-) en het gestolen geldbedrag (ter hoogte van € 8.000,-). De gestelde immateriële schade bestaat uit € 5.000,-. De totale schade bedraagt daarmee volgens de vordering € 14.500,-. Enkele materiële schadeposten zijn vergoed door de verzekering (waaronder € 1.000,- voor het geld en andere posten die niet zijn gevorderd). Deze uitkeringen (van in totaal € 4.100,-) zijn wel in zijn totaliteit afgetrokken van de vordering, waardoor de totale vordering € 10.400,- bedraagt. Daarnaast vraagt de benadeelde partij om het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 8.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er niet voldoende grond is om over te gaan tot toewijzing van de immateriële schade.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is en er geen grondslag is voor vergoeding van immateriële schade.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting kan worden vastgesteld dat de schadepost ‘laminaat/parket’ (ter hoogte van € 1.500.-) in rechtstreeks verband staat met het onder 7 bewezen verklaarde feit. Uit de aangifte blijkt namelijk dat de kluis, die in beton in de vloer was gegoten, is meegenomen waardoor de parketvloer beschadigd is geraakt. Ook de schadepost met betrekking tot het weggenomen geldbedrag staat in rechtstreeks verband met het feit. De rechtbank zal een bedrag van € 7.000,- toewijzen (te weten: het gestolen bedrag van € 8.000,- minus het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag van € 1.000,-). De rechtbank wijst de vordering daarom ten aanzien van de materiële schade toe tot een bedrag van (€ 1.500,- + € 7.000,- =) € 8.500,-.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad.

Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 juli 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 8.500,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 67 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (in juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

9. Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 15/025006-24

Bij vonnis van 6 mei 2024 in de zaak met parketnummer 15-025006-24 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van een poging tot diefstal veroordeeld tot onder gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 27 mei 2024 aan de verdachte toegezonden. De genoemde proeftijd is ingegaan op 22 mei 2024.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd en ter terechtzitting heeft de officier van justitie dit gehandhaafd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Parketnummer 23/000105-22

Bij arrest van 25 mei 2023 in de zaak met parketnummer 23/000105-22 heeft het gerechtshof te Amsterdam de verdachte ter zake van een poging tot diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 132 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 18 juni 2024 aan de verdachte toegezonden. De genoemde proeftijd is ingegaan op 12 juni 2024.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd en ter terechtzitting heeft de officier van justitie dit gehandhaafd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de proeftijd al afgelopen was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd – die nog niet was verlopen – niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36b, 36d, 36f, 45, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 primair, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag

Onttrekt aan het verkeer:

Vorderingen benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst de vordering van [benadeelde 6] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 8.500,- (zegge: achtduizend vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade.

Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.

Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de overige materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 6] aan de Staat € 8.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 67 dagen gijzeling.

Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/025006-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland van 6 mei 2024.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/000105-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen, opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 2023.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,

mr. S.J. Riem en mr. S.H. Bouwers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

Feit 1

primair

hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Heiloo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 2] heeft weggenomen sieraden, telefoons en/of een geldbedrag van EUR 150, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 8], in elk geval aan een ander, toebehoorde, waarbij verdachte zich de toegang tot de woning heeft verschaft en het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 mei te Heiloo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 2]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 8], in elk geval een ander dan verdachte, toebehoorde, weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door in middel van braak, verbreking en/of inklimming

- zijn auto heeft geparkeerd op een nabijgelegen parkeerplaats;

- zich naar de (achterzijde van de) woning heeft begeven;

- met zijn handen aan de poort van de woning heeft gevoeld;

- heeft gebukt bij de bosjes;

- is teruggelopen naar de auto;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Voorthuizen, gemeente Barneveld tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een bedrijfspand (gelegen aan het adres [adres 3]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1]., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,

- zich naar het bedrijfspand heeft begeven,;

- een raam van het pand heeft verbroken;

- via het raam het pand heeft betreden;

- en/of een of meerdere lades open heeft getrokken

- en/of een of meerdere kasten heeft geopend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3

primair

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 4]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;

- zich naar de woning heeft begeven;

- een ruit/raam (van de voordeur) heeft ingeslagen;

- een hand door het gat (in het raam/de ruit) heeft gestoken;

- een duw tegen het raam//de ruit heeft gegeven;

- zich weer van de woning heeft verwijderd;

- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;

- ( opnieuw) tegen het raam/de ruit heeft geduwd en/of getrokken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 4

primair

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan adres [adres 5]) één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;

- zich naar de woning heeft begeven;

- een raam van de woning heeft vernield;

- ( vervolgens) het gebroken raam uit de woning heeft getrokken;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een raam (van een woning), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 5

hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 6]), één of meerdere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;

- zich naar de woning heeft begeven;

- heeft aangebeld bij de woning zich weer van de woning heeft verwijderd;

- zich (opnieuw) naar de woning heeft begeven;

- ( met kracht) een breekijzer in het raamkozijn van de woning heeft gezet het raam heeft geopend/verbroken;

- met een zaklamp heeft geschenen in de woning;

- ( in de woning) kasten heeft geopend

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 6

hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 7]), EUR 25,-, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen door middel van braak en/of verbreking;

Feit 7

hij op of omstreeks de periode 27 juli tot en met 30 juli 2025 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het adres [adres 8]) heeft weggenomen een kluis, een aankoopbon van een juwelier met aangehecht een kopie van een rijbewijs van [benadeelde 6], sieraden en EUR 8.000,-, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander toebehoorde(n), waarbij verdachte zich de toegang tot de woning heeft verschaft en de weg te nemen goederen en/of het weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?