ECLI:NL:RBNHO:2026:4312

ECLI:NL:RBNHO:2026:4312

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 15/298504-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

CAT-zaak Sky-ECC. Bewijsuitsluitingsverweer omdat RC-machtigingen ontbreken, er sprake is van een schending van het Prokuratuur-arrest bij de vergaring van APN-gegevens en een schending van de notificatieplicht conform artikel 31 van de EOB-richtlijn verworpen. Medeplegen voorbereidingshandelingen afleveren, verstrekken en vervoeren 75 kilo cocaïne. Medeplegen voorbereidingshandelingen invoer 10 kilo cocaïne. Medeplegen verkopen, afleveren en vervoeren grote hoeveelheden cocaïne. Opzettelijk aanwezig hebben 99 gram cocaïne en 99 gram hasj. Voorwaardelijk verzoek tot het heropenen en aanhouden van het onderzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, de uitspraak in de prejudiciële procedure die de Cour de Cassation op 16 september 2025 bij het Hof van Justitie aanhangig heeft gemaakt af te wachten en alle overige onderzoekswensen die in een eerder stadium tijdens de regiezitting en de inhoudelijke behandeling al zijn gedaan afgewezen. Gevangenisstraf 9 jaren met aftrek. Beslag terug naar de verdachte. Verzoek opheffing voorlopige hechtenis afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/298504-23 (P)

Uitspraakdatum: 21 april 2026

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]

,

zich onttrekkende aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kubbinga en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, naar voren heeft gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

C1 — 900 kilo

hij op of omstreeks 7 juli 2020 in de omgeving van Breda, althans in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

-een (of meer) crypto telefoon(s) voorhanden te hebben gehad en/of

-op (een) cryptotelefoon(s) een SKY applicatie te hebben geïnstalleerd en/of hiermee (met elkaar) gecommuniceerd, en hiermee

- gesprekken gevoerd en/of afspraken gemaakt over het ophalen van 923 kilo cocaïne, althans de eerste 75 kilogram cocaïne, althans 'blokken' en/of hiertoe een auto (met verborgen ruimte) voorhanden gehad en/of daartoe aangewend;

2.

C2 — 15 kilo

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2020 tot en met 9 februari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- een (of meer) crypto telefoon(s) voorhanden te hebben gehad en/of

- op (een) cryptotelefoon(s) een SKY applicatie te hebben geïnstalleerd en/of hiermee (met elkaar) gecommuniceerd, en hiermee:

- gesprekken gevoerd met anderen over de hoeveelheid en/of het vervoer en/of (de)verbergplek(ken) van cocaïne en/of de betaling (van borg) en/of

- informatie verstrekt en/of instructies (door)gegeven en/of foto’s (door)gestuurd en/of ontvangen gerelateerd aan, dan wel ten behoeve van, het (verdere) vervoer en/of de invoer van cocaïne;

3.

C3 – handel

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 april 2020 tot en met 8 maart 2021 te Heerlen en/of te Landgraaf en/of te Rotterdam en/of te Roermond, in elk geval (op verschillende plekken) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) grote hoeveelheden cocaïne en/of blokken cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op 16 april 2024 te Heerlen in een pand aan [adres 1] , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 99,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op 16 april 2024 te Heerlen in een pand aan de [adres 1] , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 99,5 gram hasj, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 2, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 heeft de raadsman hiertoe primair aangevoerd dat de SkyECC-chatberichten van het bewijs moet worden uitgesloten omdat de RC-machtigingen voor het doorzoeken van account [account 1] ontbreken, er sprake is van een schending van het Prokuratuur-arrest bij de vergaring van de APN-gegevens en er geen notificaties zijn verstuurd aan België, Duitsland, Spanje, Marokko en de Verenigde Arabische Emiraten conform artikel 31 van de EOB-richtlijn en het territorialiteitsbeginsel. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte de gebruiker is geweest van het SkyECC-account [account 1] en dat er onvoldoende steunbewijs is voor de inhoud van de chatberichten, waardoor niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat de KvI-documenten in een eerder stadium het parketnummer van een medeverdachte vermelden en dat deze discrepantie in het dossier niet voldoende is opgehelderd. De verdachte zou daarom moeten vrijgesproken, omdat het onzeker is of de bewuste cocaïne nu in de woning van de verdachte is aangetroffen of in de woning van de medeverdachte.

Voor het geval de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting van de SkyECC-chatberichten, heeft de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om het onderzoek te heropenen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en alle overige onderzoekswensen die in een eerder stadium tijdens de inhoudelijke behandeling al zijn gedaan toe te wijzen. Dit is volgens de raadsman noodzakelijk nu dit relevant is voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Door de raadsman is geen verweer gevoerd ten aanzien van de vraag of het onder 5 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat en de volgende bewijsoverwegingen.

Bewijsoverwegingen

Uitsluiting van het bewijs van de SkyECC-chatberichten

Uit het dossier blijkt dat de rechter-commissaris op 21 juni 2021 en 14 februari 2022 toestemming heeft verleend voor het doorzoeken van de communicatie van het Sky-account [account 1] in het kader van onderzoek ARGUS. Deze machtigingen en de daaraan ten grondslag liggende vorderingen van de officier van justitie worden in de processen-verbaal echter slechts vermeld en zijn niet aan het dossier toegevoegd. De raadsman heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de SkyECC-chatberichten daarom van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat de verdediging niet kan controleren op welke verdenking de rechter-commissaris zijn toestemming baseerde, welke voorwaarden hij stelde en of het onderzoek aan die voorwaarden heeft voldaan. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden, zodat de machtiging alsnog aan het dossier kan worden toegevoegd.

De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als een beroep op ernstige en onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Krachtens het bepaalde in dat artikel kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Bij de toepassing daarvan houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De rechtbank stelt vast dat uit de machtiging van de rechter-commissaris van 15 december 2020 voor onderzoek ARGUS volgt dat de verkregen dataset mag worden doorzocht op vooraf goed te keuren zoektermen. Indien deze zoektermen het redelijk vermoeden opleveren van betrokkenheid bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, in georganiseerd verband beraamd of gepleegd, en die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan een aanvullende machtiging worden gegeven voor verder opsporingsonderzoek met betrekking tot de in de eerste zoekslag naar boven gekomen Sky-id's. Aldus kan de rechter-commissaris toetsen of er sprake is van (kort gezegd) een gericht onderzoek naar zware en georganiseerde misdaad.

In het procesdossier wordt meermaals verwezen naar deze vervolgens verstrekte aanvullende machtigingen voor het vervolgonderzoek en de daaraan ten grondslag liggende vorderingen van de officier van justitie. Deze zijn echter niet in het dossier aangetroffen.

Oordeel van de rechtbank met betrekking tot ontbreken machtiging

Bij de beantwoording van de vraag of het ontbreken van deze machtiging tot een vormverzuim leidt, stelt de rechtbank voorop dat de Hoge Raad niet vereist dat de machtiging zich bij de processtukken bevindt. Dat een dergelijke machtiging is verstrekt kan ook op andere wijze worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van deze machtiging dan ook geen vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv, nu uit het dossier voldoende blijkt dat deze machtiging wel degelijk is verstrekt. Het procesdossier bevat naast de algemene ARGUS-machtiging van 15 december 2020 een uitgebreid proces-verbaal "ter beschikking stelling argus Data" van 24 oktober 2023, waarin is gerelateerd wat de aanleiding vormde voor de door de rechter-commissaris van het onderzoek Argus gegeven aanvullende toestemming om onderzoek te mogen doen naar de communicatie van het Sky-account [account 1] . Omdat de aangetroffen chatberichten van het Sky-account wijzen op een gestructureerde samenwerking met betrekking tot zeer grote hoeveelheden cocaïne, is sprake van een gericht onderzoek met betrekking tot een verdenking van zware en georganiseerde misdaad. Aldus werd voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de algemene machtiging van de rechter-commissaris van 15 december 2020 voor onderzoek ARGUS, op basis waarvan de vervolgmachtiging kon worden verstrekt. Het dossier maakt vervolgens meermalen melding van de op basis van dit proces-verbaal verstrekte machtiging van 21 juni 2021 van de rechter-commissaris met betrekking tot het doen van vervolgonderzoek naar het Sky-account [account 1] en aan welke voorwaarden dit onderzoek moet voldoen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank ziet daarnaast geen reden het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en de officier van justitie op te dragen de machtiging van de rechter-commissaris alsnog aan het dossier toe te voegen. De rechtbank zal de gesprekken dan ook bij de beoordeling van de tenlastelegging betrekken.

Bewijsuitsluiting met betrekking tot APN-gegevens

De raadsman heeft verder nog aangevoerd dat de APN-gegevens van het bewijs uitgesloten moeten worden nu er geen RC-machtiging voor vergaring van verkeers- en locatiegegevens is verstrekt, wat op basis van het Prokuratuur-arrest wel zou moeten. Nu de rechtbank de locatie- en de APN-gegevens niet gebruikt voor het bewijs, kan bespreking van dit verweer achterwege blijven.

Bewijsuitsluiting wegens ontbreken notificaties aan derde landen

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de telefoons die worden toegeschreven aan de gebruiker van het Sky-account [account 1] zich op momenten ook hebben bevonden in België, Duitsland, Spanje, Marokko en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat er geen notificaties zijn verstuurd naar deze landen conform artikel 31 van de EOB-richtlijn, artikel 8 EVRM en het territorialiteitsbeginsel, dienen volgens de raadsman alle berichten die zijn verstuurd en ontvangen terwijl de gebruiker zich niet in Nederland bevond van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de EOB-richtlijn van toepassing is geldt dat het niet naleven van de kennisgevingsplicht leidt tot een eventuele schending van onder andere de soevereiniteit van de betrokken (lid)staat en tot een mogelijke onregelmatigheid (vormverzuim) jegens verdachten in onderzoeken, die lopen in die derde landen. Voor een verdachte, in dit geval een Nederlands staatsburger, in een Nederlands onderzoek, die in het kader van dat Nederlands onderzoek zijn verdedigingsbelangen kan uitoefenen, is een eventuele schending van die kennisgevingsplicht aan een derde-land evenwel niet relevant; hij wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad (ECLI:NL:GHDHA:2025:2568). Een en ander geldt onverkort ter zake van derde landen waarop de EOB-richtlijn niet van toepassing is, zoals de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank zal de bewuste berichten daarom niet uitsluiten van het bewijs.

Toeschrijving van het Sky-account [account 1] aan de verdachte

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periodes de gebruiker is geweest van het Sky-account [account 1] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de inhoud van de berichten in onderling verband en samenhang bezien met de overige in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen. Hierbij is onder andere van belang dat in de berichten diverse onderwerpen worden besproken die tot de verdachte zijn te herleiden. Zo blijkt uit de inhoud van de chats dat de gebruiker van het Sky-account [account 1] – net als de verdachte – de voornaam [naam 1] heeft, op [datum] jarig is en ten tijde van het versturen van de berichten 29 jaar oud is. Daarnaast blijkt uit chatberichten dat de gebruiker van het Sky-account [account 1] – wederom net als de verdachte – een kind heeft dat op [datum] één jaar oud is geworden. Ook geeft de gebruiker aan dat hij 4 maanden een enkelband moet dragen in België en dat hij daarvoor een adres nodig heeft in België. De gebruiker van het account geeft aan dat hij 16 maanden naar binnen moet in België als er iets gebeurd. Uit onderzoek blijkt dat de verdachte niet lang daarvoor in België is veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf en precies in de periode waarin deze berichten zijn gestuurd zich heeft ingeschreven in België. Verder wenst iemand de gebruiker van het Sky-account [account 1] en zijn gezin op 21 december 2020 een fijne vlucht en een goede, gezonde en gelukkige week terwijl uit onderzoek naar de vluchtgegevens is gebleken dat de verdachte op die datum met zijn gezin op een vlucht naar Dubai zat. Ook stuurt de gebruiker van het account op 14 juli 2020 het bericht dat hij op dat moment op de rechtbank is voor een zitting. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte op die datum een zitting heeft gehad voor de meervoudige kamer, alwaar hij is verschenen. Daarnaast heeft de gebruiker van het Sky-account [account 1] enkele afbeeldingen verstuurd waarvan uit onderzoek is gebleken dat deze zijn gemaakt in de keuken en woonkamer van de verdachte. Ook is in zijn woning een niet-gebruikershoeveelheid cocaïne aangetroffen. Tot slot zijn er nog notities in de woning van de verdachte aangetroffen die overeenkomen met de inhoud van de chats van Sky-account [account 1] . De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het enkele feit dat deze notities niet gedateerd zijn, daar niet aan afdoet. Ook de overige door de raadsman aangevoerde contra-indicaties dat de verdachte [account 1] zou zijn, zoals dat er geen cryptotelefoon bij de verdachte is aangetroffen, dat de notities in de kledingkast van zijn vrouw zijn aangetroffen en dat medeverdachte [medeverdachte 1] een ontkennende veroordeelde is, doen op geen enkele wijze af aan deze grote hoeveelheid aanwijzingen die ondubbelzinnig tot alleen de verdachte zijn te herleiden.

Nu de rechtbank de APN-gegevens en de stemherkenning niet gebruikt voor het bewijs, zal de rechtbank de daaraan gerelateerde verweren niet nader bespreken.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat de verdachte degene is geweest die gedurende de ten laste gelegde periodes de gebruiker is geweest van het Sky-account [account 1] .

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat de verdachte in de ten laste gelegde periodes niet de (enige) gebruiker was van het bewuste Sky-account, nu dit op geen enkele manier door de raadsman nader is gesubstantieerd of onderbouwd.

Bewijsminimum feit 1, feit 2 en feit 3

De rechtbank volgt de raadsman niet in het gevoerde verweer dat het bewijs voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten slechts op één bron berust, namelijk de SkyECC-berichten.

Het is weliswaar juist dat de berichten allemaal het gevolg zijn van de ontsleuteling van de SkyECC-data, maar de rechtbank is van oordeel dat de berichten die ten grondslag worden gelegd aan de verdenking uit meerdere bronnen afkomstig zijn. Zo gaat het om verschillende gesprekken van niet alleen de verdachte met andere SkyECC-gebruikers, maar zijn er ook groepsgesprekken met verschillende daaraan deelnemende SkyECC-gebruikers. In een aantal van deze gesprekken zijn niet alleen de berichten van de verdachte te lezen, maar ook die van andere deelnemers. Het gaat daarbij dus om meerdere gesprekken op meerdere dagen en op verschillende tijdstippen waarin over verschillende onderwerpen wordt gesproken en waarbij ook afbeeldingen worden gestuurd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat met deze verschillende gesprekken op zichzelf al sprake is van meerdere bronnen. Bovendien wordt de inhoud van de chatberichten ook nog ondersteund door meerdere andere bewijsmiddelen in het dossier. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Feit 1 (medeplegen voorbereidingshandelingen afleveren, verstrekken en vervoeren 75 kilo cocaïne)

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte stuurt via Sky-ECC op 7 juli 2020 berichten aan medeverdachte [medeverdachte 1] om te vragen of hij die dag ‘spullen’ aan kan nemen in Breda. [medeverdachte 1] vraagt of het om blokken gaat en de verdachte bevestigt dit. Uit het gesprek kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] vervolgens ook daadwerkelijk naar Breda is gegaan. [medeverdachte 1] geeft aan dat Breda vol zit met politie en dat er zelfs een helikopter is. De verdachte geeft vervolgens aan dat [medeverdachte 1] weg moet gaan uit Breda, omdat ‘hij zegt we gaan echt geen spullen geven’, er overal politie is en ze onder de radar moeten blijven. De verdachte geeft aan dat het een andere dag zal moeten gebeuren en dringt er meerdere malen op aan dat [medeverdachte 1] zo snel mogelijk weg gaat uit Breda.

Op 7 juli 2020 werd door de politie een vrachtwagen gevolgd die afkomstig was uit de haven van Rotterdam. De verdenking bestond dat zich in de container, die met deze vrachtwagen werd vervoerd, verdovende middelen bevonden. De vrachtwagen reed naar de achterkant van een bedrijf in Breda. Daar werd de vrachtwagen met container gecontroleerd. Twee mannen die zich direct achter de inmiddels geopende container bevonden renden weg van het terrein en zijn kort daarop aangehouden. Er is een helikopter ingezet om beide personen op te sporen. Na onderzoek werd in de container ongeveer 900 kilo cocaïne aangetroffen.

De verdachte heeft het vervolgens in gesprekken met andere Sky-gebruikers over die ‘900 kg in Breda’ en geeft aan dat hij ‘die spullen zou krijgen’. De verdachte zegt dat zijn chauffeur op dat moment daar was om de eerste 75 kilo op te halen. De verdachte geeft daarbij aan dat er een inval is gedaan en zegt dat als ‘die’ 15 minuten eerder was, hij echt genaaid zou zijn.

De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en verder geen uitleg gegeven over de inhoud van de berichten. Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen andere conclusie worden getrokken dan dat de berichten van de verdachte zien op het instrueren van medeverdachte [medeverdachte 1] om 75 kiloblokken van de daadwerkelijk aangetroffen 900 kilo cocaïne op te halen, maar dat dit door de politie is voorkomen. Gelet hierop heeft de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander voorbereidingshandelingen getroffen voor het afleveren, verstrekken en vervoeren van 75 kilo daarvan.

Feit 2 (medeplegen voorbereidingshandelingen invoer 10 kilo cocaïne)

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte stuurt op 30 november 2020 berichten aan medeverdachte [medeverdachte 2] en geeft aan dat hij straks een afspraak heeft ‘met iemand voor koffers op Schiphol als je wilt vullen’. Een uur later geeft hij aan dat het mogelijk is en dat het een test mag zijn van 5 of van 10. Ook geeft de verdachte aan ‘koffers postzakken cargo’ en ‘kan allemaal’. Vervolgens stuurt de verdachte de berichten ’10 eerste keer doen’ en ‘ze willen wel gps in 1 blok hebben’.

De volgende dag maakt de verdachte een groepschat aan met [medeverdachte 2] en de gebruiker van het Sky-account [account 2] . De verdachte opent de chat met ‘laten we werken’.

De gebruiker van het Sky-account [account 2] geeft aan dat het kan met koffer, postzak of cargo maar niet vanuit Suriname. Vervolgens stuurt hij een bericht door waaruit blijkt dat er borg betaald moet worden voor het reserveren van 3 data. De verdachte geeft aan dat dit geen probleem is.

Op 8 februari 2021 stuurt [medeverdachte 2] verschillende foto’s. Op de eerste foto is een wit blok te zien met een telefoon met daarop de datum, een GPS-tracker en een briefje met de tekst ‘Good luck 08-02-2021’. De andere foto’s zijn close ups van het witte blok met de GPS-tracker en het briefje. Daarop is ook te zien dat onder het witte blok een Arubaanse krant ligt die eveneens van 8 februari 2021 is. [medeverdachte 2] verstuurt de inloggegevens van de GPS-tracker. Dan stuurt de gebruiker van het Sky-account [account 2] echter het bericht dat het moeilijk gaat worden omdat alle vluchten vertraging hebben of afgelast zijn door de sneeuw. Vervolgens stuurt hij het bericht ‘Over 10 uurtjes weten we het broer’.

De verdachte geeft op 9 februari 2021 aan dat de 10 uur voorbij zijn en vraagt wat nu de bedoeling is. De gebruiker van het Sky-account [account 2] stuurt een screenshot van een bericht waaruit blijkt dat alles geannuleerd is en dat het tot en met het weekend niet mogelijk is om veilig te werken. Een paar uur later stuurt [medeverdachte 2] foto’s waarop PAG- en PMC-nummers te zien zijn. Uit informatie van de KLM blijkt dat al deze vliegtuigplaten aan boord zaten van vlucht KL771, die op 8 februari 2021 vanuit Aruba is vertrokken en op 9 februari 2021 op Schiphol is geland. Uit nader onderzoek naar de chatberichten tussen [medeverdachte 2] en zijn overige contacten is gebleken dat het transport op het allerlaatste moment door [medeverdachte 2] is afgeblazen vanwege het extreme weer in Nederland. Uit deze gesprekken blijkt ook dat het de bedoeling was om ‘10 blokken’ in te voeren. Deze hoeveelheid wordt meerdere malen bevestigd.

De verdachte heeft zich ook ten aanzien van dit feit beroepen op zijn zwijgrecht en heeft geen uitleg gegeven over de inhoud van genoemde chatberichten. Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen andere conclusie worden getrokken dan dat de berichten zien op het voorbereiden van de invoer van blokken cocaïne per vliegtuig. Dat de gps-tracker inmiddels niet meer actief is en de profielnaam “ [naam 2] ” niet herleid kon worden tot een bij Schiphol werkzaam persoon met een gelijkluidende echte naam als de gekozen profielnaam, doen aan deze conclusie niets af. Anders dan de verdediging heeft bepleit heeft de verdachte hierbij bovendien een substantiële rol gespeeld, gezien zijn initiërende rol, het samenbrengen van partijen in de groepschat, het willen betalen van de benodigde borg en het houden van een vinger aan de pols met betrekking tot de zending. De inhoud van de berichten is voldoende concreet om te kunnen spreken van strafbare voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, in vereniging gepleegd.

Feit 3 (medeplegen verkopen, afleveren en vervoeren grote hoeveelheden cocaïne)

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte stuurt op 29 april 2020 het bericht naar medeverdachte [medeverdachte 1] ‘Ik hoor net word 15:30’. [medeverdachte 1] gaat blijkbaar met iemand afspreken, want hij stuurt vervolgens het bericht: ‘Ik sta over 5 min in de buurt van die garage van de vorige keer. Zeg hem dat dan hoeft hij me niet te zoeken’. [medeverdachte 1] vraagt kort daarna aan de verdachte of hij ‘blokken’ nodig heeft of dat [medeverdachte 1] ‘meteen kan wegleggen’. Niet lang daarna stuurt [medeverdachte 1] een foto van blokken. Daaronder schrijft hij ’30 stuks’. De verdachte geeft [medeverdachte 1] de opdracht om de blokken in de ‘stash’ te doen. Vervolgens geeft de verdachte aan dat hij 10 blokken moet hebben en dat er 2 blokken naar [naam 3] moeten. De overige blokken moeten worden weggelegd. Daarna stuurt de verdachte [medeverdachte 1] naar iemand anders toe om geld aan te nemen. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens een foto van rollen met geld en bevestigt na het tellen dat het inderdaad om € 126.000,- gaat.

De verdachte stuurt op 16 juni 2020 het bericht naar [medeverdachte 1] dat er 15 blokken moeten worden gepakt in Rotterdam. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij dit gaat doen en stuurt een paar uur later het bericht ’16 stuks’. De verdachte vraagt vervolgens: ’16 geen 15?’. [medeverdachte 1] stuurt daarna een foto waarop de 16 blokken te zien zijn.

De verdachte vraagt op 14 juli 2020 aan [medeverdachte 1] of hij de volgende dag ‘spullen’ kan aannemen aan de zijkant van de Praxis. [medeverdachte 1] meldt de volgende dag dat hij het heeft. De verdachte geeft aan dat hij graag foto’s wil hebben en wil weten hoeveel het is. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens een foto van blokken en geeft aan dat het om 30 stuks gaat. De verdachte vraagt om welke ‘stempel’ het gaat. Hierop stuurt [medeverdachte 1] een foto van de bovenkant van een blok met daarop ‘BRP’.

De verdachte vraagt op 17 juli 2020 aan [medeverdachte 1] of hij ‘blokken’ kan aannemen. [medeverdachte 1] spreekt af dat hij de blokken gaat ophalen aan de [adres 2] . Even later bevestigt [medeverdachte 1] dat hij de blokken heeft en stuurt een foto van blokken met de stempel ‘Rolex’. [medeverdachte 1] geeft aan dat het 18 stuks zijn en spreekt met de verdachte af dat hij ze weglegt.

De verdachte geeft op 30 augustus 2020 aan [medeverdachte 1] aan dat hij een aanbod heeft gekregen dat hij niet kan weigeren. [medeverdachte 1] vraagt hoe laat. De verdachte geeft aan dat het tijdstip niet uitmaakt, maar dat het wel vandaag moet. [medeverdachte 1] vraagt hoeveel hij moet ophalen. De verdachte geeft aan dat hij dit nog niet zeker weet maar dat hij denkt dat het om 30 of 40 gaat. De verdachte geeft aan dat [medeverdachte 1] foto’s moet maken en daarna alles moet wegleggen. De verdachte geeft door dat het codewoord ‘redbull’ is. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan dat hij het heeft opgehaald. Later stuurt hij foto’s van blokken en schrijft ’40 x uil stempel’.

De verdachte vraagt op 12 december 2020 of [medeverdachte 1] iets op kan halen in Roermond. Hij stuurt een foto van een andere telefoon waarop een adres staat. Even later stuurt [medeverdachte 1] dat hij ze heeft en vraagt waar ze heen moeten. Het gaat om 25 stuks. De verdachte geeft aan dat hij een foto wil hebben en wil weten welke het zijn. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] een foto van blokken.

De verdachte heeft zich ook ten aanzien van dit feit op zijn zwijgrecht beroepen en verder geen uitleg gegeven over de inhoud van de berichten. Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank – mede gelet op alle voorgaande chatberichten van feit 1 en feit 2 en de op 7 juli 2020 aangetroffen cocaïne – echter geen andere conclusie worden getrokken dan dat de berichten van de verdachte gaan over de grootschalige handel in kiloblokken cocaïne. Het gaat om een groot aantal verschillende transporten waarbij telkens wordt gesproken over blokken en grote geldbedragen worden genoemd. Bovendien worden er telkens foto’s verzonden met blokken, die de rechtbank ambtshalve herkent als kiloblokken cocaïne. Daarnaast is er in het voertuig van [medeverdachte 1] een verborgen ruimte aangetroffen en zijn er in de woning van de verdachte notities aangetroffen waarop veel bedragen, namen en in het drugsmilieu gebruikte termen voor cocaïne als ‘colo’ en ‘boli’ staan geschreven die overeenkomen met de inhoud van de chatberichten van de verdachte.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het witte poeder cocaïne betrof en dat de gesprekken en overdrachten ook over andere substanties zouden kunnen gaan. De raadsman heeft dit alternatieve scenario verder op geen enkele manier gesubstantieerd of onderbouwd waarom de verdachte via cryptocommunicatie met anderen zou communiceren over de overdracht van kiloblokken wit poeder, met stempels, waarbij wordt gesproken over colo en boli en waarbij grote geldbedragen gemoeid gaan. Bij gebreke van enige concrete invulling van de geschetste alternatieve scenario’s, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het om cocaïne gaat. De overige gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met anderen grote hoeveelheden cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd.

Feit 4 (opzettelijk aanwezig hebben 99 gram cocaïne)

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van de doorzoeking, het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen en uit de kennisgeving van inbeslagneming duidelijk blijkt dat de onderzochte en geteste cocaïne is aangetroffen in de woning van de verdachte. De rechtbank twijfelt er daarom niet aan dat de cocaïne daar is aangetroffen, en niet bij zijn medeverdachte. Voor zover ergens abusievelijk geen of een verkeerd parketnummer is vermeld, doet dit hier niet aan af. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verweer van de raadsman en komt tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit.

Het voorwaardelijk verzoek tot het heropenen en aanhouden van het onderzoek

Voor het geval de rechtbank niet over zou gaan tot bewijsuitsluiting van de SkyECC-chatberichten, heeft de raadsman verzocht het onderzoek te heropenen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en alle overige onderzoekswensen die in een eerder stadium tijdens de regiezitting en de inhoudelijke behandeling al zijn gedaan toe te wijzen. Daarnaast wordt wederom verzocht de zaak aan te houden, in afwachting van de prejudiciële procedure die de Cour de Cassation op 16 september 2025 bij het Hof van Justitie aanhangig heeft gemaakt.

Op de regiezitting van 13 maart 2025 en tijdens de inhoudelijke behandeling heeft de rechtbank het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie en alle overige onderzoekswensen en aanhoudingsverzoeken gemotiveerd en soms bij herhaling afgewezen. De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die het thans noodzakelijk maken om hier op terug te komen. Met verwijzing naar het hiervoor overwogene acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht en ontbreekt reeds daarom de noodzaak om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie of de overige onderzoekswensen toe te wijzen, dan wel de zaak aan te houden. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat er telecommunicatie is afgetapt op het grondgebied van staten die geen onderdeel uitmaken van de JIT-overeenkomst en dat er daarom ten onrechte niet is voldaan aan de notificatieplicht van artikel 31 van de EOB-richtlijn is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd. Het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:650) geeft ten aanzien van de uitleg van artikel 31 van de EOB-richtlijn mede aandacht aan de eerbiediging van het privéleven en de communicatie van de persoon op wie de interceptie is gericht. Dit belang dient echter wel te worden onderbouwd, zo volgt uit het arrest. Die onderbouwing ontbreekt, hetgeen leidt tot de conclusie dat het niet voldoen aan de verplichting tot het sturen van notificaties niet automatisch leidt tot uitsluiting van het bewijs. De voorwaardelijke verzoeken worden daarom afgewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

C1 — 900 kilo

hij op 7 juli 2020 in de omgeving van Breda, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten

- het opzettelijk afleveren, verstrekken en vervoeren van een materiaal bevattende cocaïne,

- zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- crypto telefoons voorhanden te hebben gehad en

- op cryptotelefoons een SKY applicatie te hebben geïnstalleerd en hiermee met elkaar te hebben gecommuniceerd, en hiermee

- gesprekken te hebben gevoerd en afspraken te hebben gemaakt over het ophalen van 75 kilogram cocaïne, en hiertoe een auto met verborgen ruimte voorhanden te hebben gehad en daartoe te hebben aangewend;

2.

C2 — 15 kilo

hij in de periode van 6 december 2020 tot en met 9 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- crypto telefoons voorhanden te hebben gehad en

- op die cryptotelefoons een SKY applicatie te hebben geïnstalleerd en hiermee met elkaar te hebben gecommuniceerd, en hiermee:

- gesprekken te hebben gevoerd met anderen over de hoeveelheid en het vervoer en de verbergplekken van cocaïne en de betaling van borg en

- informatie te hebben verstrekt en instructies door te geven en foto’s door te sturen en ontvangen ten behoeve van het vervoer en de invoer van cocaïne;

3.

C3 – handel

hij in de periode van 8 april 2020 tot en met 8 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, grote hoeveelheden cocaïne;

4.

hij op 16 april 2024 te Heerlen in een pand aan de [adres 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad 99 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

5.

hij op 16 april 2024 te Heerlen in een pand aan de [adres 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad 99 gram hasj.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Feit 2:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en/of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Feit 3:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een geldboete op te leggen van € 25.000,-, bij niet betalen te vervangen door 141 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in het bijzonder de zorg voor zijn autistische zoon. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de beperkte rol die de verdachte in zijn ogen heeft gespeeld bij de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten, de langdurige voorlopige hechtenis en een overschrijding van de redelijke termijn. De straf die door de officier van justitie wordt geëist is, gelet op soortgelijke zaken, veel te hoog. De raadsman heeft daarom verzocht om bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen van maximaal 5 jaren.

Voorts heeft de raadsman verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met een ander voorbereidingshandelingen getroffen om 75 kilo cocaïne binnen Nederland te vervoeren, af te leveren en te verstrekken. Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen gedurende twee maanden voorbereidingshandelingen getroffen om 10 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen vanuit Aruba. Verder heeft de verdachte samen met een of meer anderen gedurende elf maanden grote hoeveelheden cocaïne vervoerd en verkocht. De verdachte vervulde in de samenwerking met anderen bij het plegen van deze feiten een coördinerende rol en voorzag andere personen die betrokken waren van essentiële informatie. Hij ging professioneel te werk door gebruik te maken van cryptotelefoons. De verdachte had met verschillende personen chatgesprekken, werd door hen geïnformeerd en instrueerde hen. Ook heeft hij 99 gram cocaïne en 99 gram hasj opzettelijk aanwezig gehad in zijn woning.

De rechtbank acht deze feiten zeer ernstig. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verboden handel in cocaïne heeft een enorme maatschappelijk ontwrichtende werking, in zowel de productielanden als in Nederland, waarbij de grote winsten leiden tot vele vormen van zware criminaliteit, waaronder levensdelicten en witwassen.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij hier – enkel uit winstbejag – aan heeft bijgedragen door op grote schaal in grote hoeveelheden cocaïne te handelen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, zoals dat blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie, van 26 maart 2026. Hieruit volgt dat de verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog meegewogen dat de voorlopige hechtenis in deze zaak tijdelijk geschorst is geweest, zodat de verdachte voor zijn zoon kon zorgen omdat zijn vrouw een operatie moest ondergaan. De rechtbank constateert in dat kader dat de verdachte zich vervolgens heeft onttrokken en is blijven onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis.

De redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn waarbinnen deze zaak moet zijn afgedaan, 2 jaar is. De termijn is gestart op 16 april 2024, omdat de verdachte toen in verzekering gesteld is en de verdachte hieraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en 5 dagen verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met 5 dagen is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze zeer geringe overschrijding niet is toe te rekenen aan justitie maar aan de zeer omvangrijke en uitgebreide en herhaalde onderzoekswensen ingediend door de verdediging. Dit brengt met zich dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een termijnoverschrijding waar rekening mee behoeft te worden gehouden.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot het verkopen, afleveren en vervoeren van harddrugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en softdrugs. Daarbij geldt als oriëntatiepunt voor twintig kilogram harddrugs in beginsel een gevangenisstraf van zes jaar (72 maanden) voor een strafbare dader in de organisatie. De rechtbank stelt vast dat de verdachte duidelijk een organiserende rol had en hij in veel grotere hoeveelheden handelde dan ‘slechts’ twintig kilogram.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte ook nog voorbereidingshandelingen heeft getroffen om cocaïne af te leveren, te verstrekken en te vervoeren en om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Bovendien geldt als strafverzwarend dat hij ondanks eerdere veroordelingen wederom Opiumwetfeiten heeft gepleegd én hij zich aan voorlopige hechtenis heeft onttrokken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform eis, een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, aan de verdachte moet worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast het opleggen van de voornoemde gevangenisstraf een geldboete op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op de op te leggen vrijheidsstraf zal de rechtbank het verzoek van de verdediging tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen .

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:

1. EUR (Omschrijving: 27BAD230022 _16722 IBG 16-04-2024)2. 690 EUR (Omschrijving: 27BAD230022 _16723 IBG 16-04-2024)

De officier van justitie heeft erop gewezen dat er zowel klassiek als conservatoir beslag op het geldbedrag ligt en heeft gevorderd dat het beslag op strafrechtelijke titel wordt opgeheven.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.

Teruggave aan de verdachte

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag dient te worden teruggegeven aan de verdachte. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op het geldbedrag zowel klassiek als conservatoir beslag rust. De rechtbank heft het klassiek beslag op.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2, 3, 10, 10a en 11van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (NEGEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. 2650 EUR (Omschrijving: 27BAD230022 _16722 IBG 16-04-2024)2. 690 EUR (Omschrijving: 27BAD230022 _16723 IBG 16-04-2024)

Wijst af het verzoek van de verdediging tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. P.A. Hesselink en mr. N. Mook, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.

mr. Mook is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. P.A. Hesselink
  • mr. N. Mook

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?