RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.390977.24 (P)
Uitspraakdatum: 21 april 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.A. Zwinkels en van wat de raadsman van de verdachte, mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 6 december 2024 te Beets, gemeente Edam-Volendam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - na gebruik van lachgas, althans een of meer middel(en) die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden,- met dat door hem bestuurde motorrijtuig,- heeft gereden over de Rijksweg A7 met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en/of- een of meerdere voertuigen via de vluchtstrook heeft ingehaald en/of- (vervolgens) de controle over zijn voertuig heeft verloren tengevolge waarvan hij met zijn voertuig via rijstrook 2, de vluchtstrook is opgereden en/of- (vervolgens) de (rechter)berm heeft ingestuurd en/of-(vervolgens) met zijn voertuig via de geleiderail in de sloot terecht is gekomen,waardoor een ander, de bijrijder (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een geamputeerde arm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 december 2024 te Beets, gemeente Edam-Volendam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A7, heeft gereden over de Rijksweg A7 - na gebruik van lachgas, althans een of meer middel(en) die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, met dat door hem bestuurde motorrijtuig,- heeft gereden over de Rijksweg A7 met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en/of - een of meerdere voertuigen via de vluchtstrook heeft ingehaald en/of-(vervolgens) de controle over zijn voertuig heeft verloren tengevolge waarvan hij met zijn voertuig via rijstrook 2, de vluchtstrook is opgereden en/of- (vervolgens) de (rechter)berm heeft ingestuurd en/of-(vervolgens) met zijn voertuig via de geleiderail in de sloot terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.hij op of omstreeks 6 december 2024 te Beets, gemeente Edam-Volendam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas (distikstofoxide), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2. Volgens hem kan worden bewezen dat 1. de verdachte zich als bestuurder zeer onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, en 2. de verdachte kort voor het ongeval lachgas heeft gebruikt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Voor zover nodig zal de rechtbank hierna ingaan op de argumenten die de raadsman hiervoor heeft aangedragen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2
Zoals de rechtbank hierna onder 3.3.3 zal uitleggen, is zij, met de raadsman, van oordeel dat het dossier niet voldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat de stof die de verdachte voorafgaand aan het ongeval heeft gebruikt de werkzame stof van lachgas (distikstofmonoxide) bevatte. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 1 primair op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverwegingen feit 1 primair
Inleiding
Op 6 december 2024 heeft op de Rijksweg A7 bij Beets een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval was één personenauto, een grijze Volkswagen Polo met kenteken [kenteken], met twee inzittenden, betrokken. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte de bestuurder van de auto was en de heer [slachtoffer] de bijrijder. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte over de linkerrijstrook reed, komende uit de richting van Amsterdam en gaande in de richting van Den Oever. Op enig moment ging de verdachte van de linkerrijstrook naar de rechterrijstrook en vervolgens door naar de vluchtstrook en de rechterberm. Vervolgens schoof de onderzijde van de auto over de geleiderail en begon naar rechts te schuiven. Vervolgens kwam de rechterzijde van de auto eerst in contact met een lantaarnpaal en daarna met een paal en kast van een matrixbord. Aan het einde van de geleiderail begon de auto te rollen en werden de verdachte en de bijrijder uit de auto geslingerd. De auto kwam half in de berm en half in een sloot aan de rechterzijde van de Rijksweg A7 tot stilstand. De bijrijder, [slachtoffer], heeft door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een geamputeerde rechter onderarm.
Juridisch kader
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval, met zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer als gevolg, heeft plaatsgevonden. Het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) houdt in dat minimaal sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Er is sprake van zulke aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid als de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer bijzondere gevallen als roekeloos handelen. Bij de beoordeling van de vraag of het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk dan wel zeer onvoorzichtig en/of onoplettend of roekeloos is geweest, gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.
Betrouwbaarheid verklaring getuige [slachtoffer]
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van de getuige [slachtoffer] onbetrouwbaar is, althans dat de betrouwbaarheid van diens verklaring niet kan worden vastgesteld. Om die reden moet de verklaring van het bewijs worden uitgesloten. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat [slachtoffer] zich niet alles kan herinneren van het ongeluk en pas na vier maanden een verklaring heeft afgelegd bij de politie. Daarnaast strookt deze verklaring niet met wat [slachtoffer] eerder tegen zijn begeleider van de reclassering heeft gezegd. De raadsman heeft hiertoe verwezen naar een proces-verbaal van bevindingen waarin een verbalisant heeft gerelateerd dat een reclasseringswerker hem in een telefoongesprek vertelde dat [slachtoffer] tegen deze reclasseringswerker had gezegd dat het ongeval zomaar is gebeurd, de verdachte niet onder invloed was van enig middel en dat hij de verdachte niet verantwoordelijk hield voor het ongeval.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de verklaring van de getuige [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaring is gedetailleerd en consistent. De rechtbank overweegt voorts dat het niet ongebruikelijk is dat slachtoffers van ernstige verkeersongevallen zich niet alles meer kunnen herinneren. Daarbij komt dat [slachtoffer] na het ongeval enige tijd in coma heeft gelegen en dat hij eerst vier maanden na het ongeval in staat was om een verklaring af te leggen. [slachtoffer] heeft in zijn verklaring duidelijk aangegeven wat hij zich wel en niet kan herinneren, hetgeen bijdraagt aan de betrouwbaarheid van die verklaring. De mededeling van een reclasseringswerker over wat [slachtoffer] – al dan niet om hem moverende redenen – aan hem zou hebben verteld doet niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] bij de politie.
Lachgasgebruik
Standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte lachgas heeft gebruikt voorafgaand aan het ongeval. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de inhoud van de na het ongeval aangetroffen cilinders niet zijn onderzocht. Het bloed van de verdachte is evenmin onderzocht op de werkzame stof van lachgas. Noch kan uit de verklaring van [slachtoffer] worden afgeleid dat de verdachte lachgas heeft gebruikt. [slachtoffer] heeft weliswaar verklaard dat de verdachte lachgas gebruikte, maar zegt ook: “Tegenwoordig weet je niet eens wat er allemaal in zo’n tank zit. Ze vullen hem vaak zelf.”
Uit het enkele feit dat getuigen de verdachte voorafgaand aan het ongeval met een ballon in zijn mond hebben gezien, kan niet worden afgeleid dat hij daadwerkelijk lachgas gebruikte.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte tijdens de rit vanaf de woning van [slachtoffer] in Badhoevedorp naar Hoorn lachgas gebruikte uit een lachgastank. Volgens [slachtoffer] werd de verdachte “paranoia”, dacht hij dat hij werd achtervolgd en ging hij steeds gekker en sneller rijden.
Op de camerabeelden van het BP tankstation, waar de verdachte circa dertig minuten voor het ongeval is gestopt, is te zien dat de verdachte een ballon aan zijn mond hield. De getuige [getuige 1] heeft de verdachte ook zien rijden met een ballon aan zijn mond. Na het ongeluk heeft de politie in de buurt van de auto twee cilinders (die de politie herkende als lachglasflessen) aangetroffen en in de auto aan de bestuurderskant een ballon.
Nu de inhoud van de cilinders en het bloed van de verdachte niet zijn onderzocht op de werkzame stof van lachgas (distikstofmonoxide), kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte onder invloed was van lachgas.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank echter wel van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte tijdens de rit, kort voor het ongeval, een middel tot zich heeft genomen dat de rijvaardigheid kan beïnvloeden. Op basis van de verklaring van [slachtoffer] acht de rechtbank ook aannemelijk dat de verdachte wist dat die stof zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden en dat die stof zijn rijvaardigheid daadwerkelijk heeft beïnvloed.
De gereden snelheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte met een hogere snelheid dan toegestaan heeft gereden over de Rijksweg A7. De door de getuigen genoemde snelheden betreffen namelijk schattingen en niet is gebleken dat deze schattingen zijn gebaseerd op de snelheid die zij hadden waargenomen op hun eigen snelheidsmeter. Ook uit het forensisch onderzoek is niet gebleken dat de auto harder heeft gereden dan toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de toegestane snelheid op de Rijksweg A7 ter plaatse van het ongeval op dat moment 100 kilometer per uur was.
De verklaring van de getuige [slachtoffer] dat de verdachte met een snelheid van rond de 160 tot 180 kilometer per uur zou hebben gereden, wordt niet ondersteund door de overige getuigenverklaringen. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij dacht dat de verdachte 130 kilometer per uur reed. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de verdachte kort voor het ongeval steeds versnelde en dan weer vertraagde. Toen hij zelf naar schatting 110 kilometer per uur reed, zag hij dat de auto van de verdachte ineens met hoge snelheid van links naar de vluchtstrook rechts schoot en vervolgens via de berm op de geleiderail terecht kwam en vervolgens door de lucht vloog. De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij ongeveer 100 kilometer per uur reed en zag dat het voertuig van de verdachte met hoge snelheid van rijstrook 2 naar de vluchtstrook reed.
Nu de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat de verdachte ten opzichte van hun eigen snelheid, die rond de maximumsnelheid lag, vlak voor het ongeval met hoge snelheid reed, acht de rechtbank deze verklaringen in samenhang met de verklaringen van de getuigen [slachtoffer] en [getuige 2] voldoende om bewezen te achten dat de verdachte vlak voor het ongeval harder reed dan de toegestane snelheid.
Inhalen over de vluchtstrook
Standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte één of meer voertuigen via de vluchtstrook heeft ingehaald. Slechts de anoniem gebleven getuige, die door de politie telefonisch is gehoord, heeft verklaard over het inhalen via de vluchtstrook. De andere getuigen die het ongeval hebben zien gebeuren, spreken hier niet over. Weliswaar heeft [slachtoffer] verklaard: “Hij ging alle kanten inhalen, over de vluchtstrook,” maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte via de vluchtstrook auto’s heeft ingehaald.
De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan de anoniem gebleven getuige te mogen horen, indien de rechtbank de verklaring van deze getuige voor het bewijs zal gebruiken.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van voornoemde verklaring van [slachtoffer] worden vastgesteld dat de verdachte meerdere voertuigen over de vluchtstrook heeft ingehaald. Nu de rechtbank deze vaststelling niet tevens op de verklaring van de anoniem gebleven getuige baseert, treedt de voorwaarde voor het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om deze getuige te horen niet in. Dat andere getuigen niet hebben verklaard dat de verdachte auto’s over de vluchtstrook inhaalde, doet hieraan niet af.
Causaal verband
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het causaal verband tussen eventueel bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en het ongeval niet kan worden aangetoond. Op basis van het dossier is niet met zekerheid vast te stellen dat het ongeval niet door een technisch mankement of een andere omstandigheid is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat de verdachte, na gebruik van een middel dat de rijvaardigheid kan beïnvloeden en heeft beïnvloed, met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan en meerdere voertuigen via de vluchtstrook heeft ingehaald. Hoewel in het proces-verbaal van het forensisch onderzoek plaats delict en de overige bewijsmiddelen in het dossier geen conclusie is geformuleerd omtrent de oorzaak van het ongeval, komt de rechtbank, op grond van deze feiten en omstandigheden, en de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte paranoïde werd, dacht dat hij werd achtervolgd en steeds gekker en sneller ging rijden, in samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte door voornoemde gedragingen de controle over zijn voertuig heeft verloren. Dat de auto niet volledig kon worden onderzocht vanwege de schade na het ongeval, het die dag wellicht regende en er sprake zou zijn geweest van harde windstoten, doet hieraan niet af.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. Ten gevolge van dit ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van overtreding van artikel 6 WVW.
De mate van schuld
Artikel 175 lid 2 WVW 1994 bepaalt dat bij overtreding van artikel 6 WVW sprake is van een strafverzwarende omstandigheid indien de schuld bestaat in roekeloosheid. Van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW. Dit artikellid verbiedt het een ieder zich opzettelijk zo in het verkeer te gedragen, dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden en daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Onder meer gevaarlijk inhalen, over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan en de maximumsnelheid overschrijden kan als zulk verkeersgedrag worden aangemerkt.
De rechtbank moet in het kader van artikel 5a WVW dus beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daarvoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Schending van de verkeersregels
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden en auto’s heeft ingehaald over de vluchtstrook. Deze gedragingen zijn, zoals hiervoor vermeld, uitdrukkelijk als voorbeelden genoemd in artikel 5a lid 1 WVW. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden als bedoeld in dat artikel.
In ernstige mate
Artikel 5a WVW ziet alleen op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte en alle omstandigheden van het geval. Een dergelijke omstandigheid is – op grond van artikel 5a lid 2 WVW – de mate waarin de verdachte in een toestand verkeerde zoals bedoeld in artikel 8 WVW (kort gezegd: rijden onder invloed).
De verdachte heeft zeer belangrijke verkeersregels geschonden, terwijl hij de auto bestuurde onder invloed van een stof waarvan hij wist dat die zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden en ook heeft beïnvloed. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Opzettelijk
Het opzet van de verdachte moet gericht zijn geweest of het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
De rechtbank is van oordeel dat het overschrijden van de toegestane snelheid en het inhalen via de vluchtstrook niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Ook voor het onder invloed van rijden van een stof die de rijvaardigheid negatief beïnvloedt geldt dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [slachtoffer] en uit de uitgekeken camerabeelden van het BP tankstation blijkt dat de verdachte geruime tijd en ook kort voor het ongeval reed met een ballon in zijn mond. Van de waarschuwingen van zijn bijrijder [slachtoffer] om dit niet te doen heeft hij zich niets aangetrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden.
Gevaar te duchten
De rechtbank acht het voorzienbaar dat door de hiervoor beschreven verkeersgedragingen van de verdachte een zeer gevaarlijke situatie zou ontstaan. Dat die gevaarlijke situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt uit het feit dat de verdachte een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij hij en zijn bijrijder uit de auto zijn geslingerd en waarbij de bijrijder zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. De rechtbank concludeert dan ook, anders dan de officier van justitie en de raadsman, dat de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval heeft gehad, te weten roekeloosheid.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 6 december 2024 te Beets, gemeente Edam-Volendam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos - na gebruik van een middel dat de rijvaardigheid kan beïnvloeden - met dat door hem bestuurde motorrijtuig,- heeft gereden over de Rijksweg A7 met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en- meerdere voertuigen via de vluchtstrook heeft ingehaald en- vervolgens de controle over zijn voertuig heeft verloren ten gevolge waarvan hij met zijn voertuig via rijstrook 2, de vluchtstrook is opgereden en- vervolgens de rechterberm heeft ingestuurd en- vervolgens met zijn voertuig via de geleiderail in de sloot terecht is gekomen,waardoor een ander, de bijrijder (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een geamputeerde arm, werd toegebracht.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van zeven maanden en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor drie jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Bij zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat de verdachte zeer onoplettend en onvoorzichtig heeft gereden, waarbij sprake is geweest van enkelvoudig drugsgebruik en waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij in februari 2026 is veroordeeld voor een Opiumwetfeit, waarbij het ging om lachgas, en met de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, in het geval van een bewezenverklaring, bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat het slachtoffer de kans heeft gehad om uit de auto te stappen, te weten bij het BP tankstation, en zelf heeft beslist om geen gordel te dragen. Hij is daardoor niet te vergelijken met een toevallig passerende andere weggebruiker die zwaar lichamelijk letsel oploopt. Voorts moet rekening worden gehouden met het reclasseringsrapport waaruit blijkt dat de verdachte als gevolg van het ongeval zijn meniscus heeft gescheurd, ribben heeft gebroken en mentale problemen heeft. Ten slotte verzoekt de raadsman rekening te houden met het feit dat het rijbewijs van de verdachte al twaalf maanden ingevorderd is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft door roekeloos rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed, terwijl hij een middel gebruikte waarvan hij wist dat het de rijvaardigheid kon beïnvloeden en dat ook heeft beïnvloed, te hard en hij heeft via de vluchtstrook andere auto’s ingehaald. Door het rijgedrag van de verdachte is zijn auto via een geleiderail tollend in een sloot in de rechterberm terechtgekomen waarbij de verdachte en de bijrijder uit de auto zijn geslingerd. Door dit ongeval heeft de bijrijder zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zijn rechter onderarm werd geamputeerd en hij heeft een klaplong en een hersenbloeding opgelopen. Het slachtoffer heeft geruime tijd in coma gelegen en was een jaar na het ongeval nog steeds aan het revalideren. Uit zijn verklaring bij de politie blijkt ook dat hij het geestelijk moeilijk heeft.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 maart 2026), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake een soortgelijk feit is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte problemen heeft op meerdere leefgebieden. Vanaf zijn twintigste is de verdachte verslaafd aan lachgas en de delicten die hij heeft gepleegd zijn vooral gerelateerd aan dat lachgasgebruik. Omdat de verdachte bij de reclassering niet over het ongeval en de schuldvraag wil praten heeft de reclassering het opleggen van straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het feit dat de verdachte geen enkele verantwoording voor zijn handelen heeft afgelegd. Bij de reclassering heeft hij niet willen praten over het ongeval en de schuldvraag en op de terechtzitting is hij niet verschenen.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen voor het slachtoffer, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Bij het bepalen van de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor roekeloosheid in het verkeer is geen afzonderlijk oriëntatiepunt geformuleerd en is maatwerk aangewezen. Het ligt daarom in de rede om in zaken waarin de schuld bestaat in roekeloosheid hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan die in de oriëntatiepunten zijn vermeld voor ‘zeer hoge mate van schuld’. Bepalend voor de hoogte van de straf zijn het verkeersgedrag van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. Bijkomende straf
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingevorderd is geweest.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
63 Wetboek van Strafrecht
6, 175, 179 Wegenverkeerswet.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.J. Riem, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(---------------------)