ECLI:NL:RBNHO:2026:4402

ECLI:NL:RBNHO:2026:4402

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 15/279722-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Vrijspraak moord. Veroordeling voor doodslag. De verdachte heeft zijn moeder met geweld om het leven gebracht en daarna haar lichaam achtergelaten in de sloot achter haar woning. De rechtbank stelt vast dat de verdachte omstreeks 08:18 uur onderweg was naar de woning van het slachtoffer, dat hij omstreeks 10:15 uur in de tuin aanwezig was, dat de politie hem in de garage heeft gezien en dat hij na aandringen van de politie de deur van de woning opende. Het dossier bevat geen aanwijzing voor de aanwezigheid van een ander persoon of andere personen in de woning en/of garage. Daarnaast zijn op de broek van de verdachte meerdere bloedsporen aangetroffen met DNA afkomstig van het slachtoffer, en heeft hij daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de vaststelling dat de verdachte degene moet zijn geweest die de geweldshandelingen heeft gepleegd die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. De verdachte is niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Beslissingen op vorderingen van benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/279722-24 (P)

Uitspraakdatum: 23 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

nu gedetineerd in P.I. Vught, PPC op het adres:

Lunettenlaan 501, 5263 NT te Vught.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van der Leer, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Venhuizen, gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door (hevige) geweldshandelingen te verrichten tegen het hoofd en/of tegen de hals en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van doodslag. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord, omdat niet bewezen kan worden dat sprake was van voorbedachte raad.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde moord, omdat niet bewezen kan worden dat sprake was voorbedachte raad. Wat betreft de ten laste gelegde doodslag heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en de raadsman over het ontbreken van voorbedachte raad en komt tot bewezenverklaring van de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Op 31 augustus 2024 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (het slachtoffer) aangetroffen in de sloot achter haar woning aan de [adres 1]. Uit camerabeelden afkomstig van de woning aan de [adres 2] in Venhuizen blijkt dat het slachtoffer omstreeks 08:40 uur die dag voor het laatst levend is waargenomen. Zij liep toen in de richting van haar woning, nadat zij haar hond had uitgelaten. Op diezelfde camerabeelden is ook te zien dat de verdachte kort daarvoor, omstreeks 08:18 uur, in de richting van de woning van het slachtoffer fietste. [getuige 1], een kleindochter van het slachtoffer, en haar partner [getuige 2] waren omstreeks 10:15 uur bij de woning van het slachtoffer maar zij zagen het slachtoffer niet. De verdachte bevond zich op dat moment in de tuin en wilde [getuige 1] en [getuige 2] niet binnen laten. De verdachte maakte een verwarde indruk. De woning was van binnenuit afgesloten. Op verzoek van de ingeschakelde politie heeft de verdachte de deur van de woning geopend. Kort hierna is het lichaam van het slachtoffer door [getuige 1] en [getuige 2] aangetroffen in de sloot in de achtertuin van de woning.

Uit het forensisch pathologisch onderzoek blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van geweldpleging tegen het hoofd, de hals en/of de romp. De woning van het slachtoffer is eveneens forensisch onderzocht. Hieruit blijkt dat er, gelet op de aangetroffen bloedsporen en voorwerpen, in de bijkeuken en/of garage een geweldsincident heeft plaatsgevonden. Bloed van het slachtoffer is gevonden in de garage en op voorwerpen die in een rolcontainer in de tuin zijn gevonden. De verdachte droeg tijdens zijn aanhouding een rode trainingsbroek, die in beslag is genomen en door het Nederlands Forensisch Instituut is onderzocht. Op deze broek is op de voorzijde van de linker- en rechterbroekspijp bloed aangetroffen. Op basis van DNA-onderzoek stelt de rechtbank vast dat het aangetroffen bloed afkomstig is van het slachtoffer.

Tussenconclusie

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het slachtoffer op 31 augustus 2024 tussen 08:40 uur en 10:15 uur in de bijkeuken en/of garage van haar woning door geweld om het leven is gebracht.

Betrokkenheid van de verdachte

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag wie verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft bij de politie en ter zitting ontkend dat hij betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer. Ook heeft hij ter zitting verklaard dat hij niet in de woning of garage is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte omstreeks 08:18 uur onderweg was naar de woning van het slachtoffer, dat hij omstreeks 10:15 uur in de tuin aanwezig was, dat de politie hem in de garage heeft gezien en dat hij na aandringen van de politie de deur van de woning opende. Het dossier bevat geen aanwijzing voor de aanwezigheid van een ander persoon of andere personen in de woning en/of garage. Daarnaast zijn op de broek van de verdachte meerdere bloedsporen aangetroffen met DNA afkomstig van het slachtoffer, en heeft hij daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de vaststelling dat de verdachte degene moet zijn geweest die de geweldshandelingen heeft gepleegd die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer.

Opzet

Gelet op het toegepaste geweld op kwetsbare lichaamsdelen, waaronder het hoofd, de onderkaak en de hals, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de vaststelling dat het slachtoffer met voorbedachte raad om het leven is gebracht. Uit de omstandigheid dat de verdachte de cilindersloten van de woning van het slachtoffer heeft vervangen, kan geen voorbedachte raad worden afgeleid, omdat niet bekend is op welk moment hij dat heeft gedaan.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 31 augustus 2024 te Venhuizen, gemeente Drechterland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hevige geweldshandelingen te verrichten tegen het hoofd en/of tegen de hals en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Voor de beantwoording van de vraag of het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 19 januari 2026, opgesteld door [psychiater], psychiater, en [psycholoog], GZ-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog. De psychiater en psycholoog hebben het volgende gerapporteerd:

“Bij betrokkene is sprake van een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type. Van deze stoornis was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. In het huidig klinisch onderzoek in het PBC is er - ondanks een adequate dosering antipsychotica en stemmingsstabilisatoren - sprake van een ernstig psychotisch en nog licht ontremd beeld passend bij de classificatie schizoaffectieve stoornis. Een schizoaffectieve stoornis is een ernstige psychiatrische aandoening die wordt gekenmerkt door het samengaan van symptomen uit het schizofreniespectrum en een stemmingsstoornis, waarbij beide symptomendomeinen gedurende het beloop van de aandoening een prominente en onafhankelijke rol spelen. Er is sprake van een ononderbroken ziekteperiode waarin wordt voldaan aan kenmerken van schizofrenie, te weten wanen, hallucinaties, gedesorganiseerd spreken, ernstig gedesorganiseerd gedrag en/of negatieve symptomen. Tijdens deze ziekteperiode doen zich tevens duidelijke stemmingsstoornissen voor, passend bij een depressieve episode, een manische episode of een gemengde episode. In het geval van betrokkene worden al deze symptomen herkend.

Betrokkene kreeg sinds 1996 een antipsychoticum voorgeschreven. De huisarts vermeldt dat betrokkene in februari 2024 tegen advies in stopte met medicatiegebruik en dat hij nadien psychotische symptomen ging vertonen. Uit de stukken komt naar voren dat betrokkene, na het staken van zijn antipsychotische medicatie al langere tijd minder vriendelijk en overheersend was tegenover zijn moeder.

Hoewel het delictscenario niet volledig duidelijk is, kan worden gezegd dat de stoornis van betrokkene moet hebben geleid tot massale oordeels- en kritiekstoornissen en volledig falende regulerende functies. Zelfs als er sprake zou zijn geweest van een eventueel reëel conflict kan aangenomen worden dat deze ernstige oordeels- en kritiekstoornissen en falende regulerende functies tot een volledige wilsonvrijheid heeft geleid, waardoor betrokkene niet in staat is geweest om tot adequate gedragskeuzes te komen. Aldus adviseert het onderzoekend team om betrokkene het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen.”

Zowel de officier van justitie als de verdediging stellen zich op het standpunt dat de conclusies van de psychiater en psycholoog van het Pieter Baan Centrum moeten worden overgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en volgt hun advies. Dit leidt ertoe dat het bewezen verklaarde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van de geestvermogens waaraan hij ten tijde van het plegen van dat feit leed. De verdachte is niet strafbaar en wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. Motivering van de maatregel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met dwangverpleging moet worden opgelegd. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de duur van de tbs-maatregel ongemaximeerd moet zijn. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd voor de duur van vijf jaar, inhoudende - kort gezegd - een contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod met betrekking tot hun woningen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Ten aanzien van het gevorderde contact- en locatieverbod heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De ernst van het feit

De verdachte heeft op 31 augustus 2024 zijn moeder [slachtoffer] met geweld om het leven gebracht en daarna haar lichaam achtergelaten in de sloot achter haar woning. De verdachte heeft [slachtoffer] het leven ontnomen. Haar nabestaanden worden gekweld door gedachten aan de angst en pijn die het slachtoffer in haar laatste momenten moet hebben gevoeld, toen zij door haar zoon werd aangevallen. Het handelen van de verdachte heeft de nabestaanden ernstig geschokt en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Aan hen is door dit familiedrama een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en veel leed toegebracht, wat zij de rest van hun leven met zich zullen dragen. Dat blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de zoon ([betrokkene 1]), de dochter ([betrokkene 2]) en de kleindochter ([getuige 1]) van het slachtoffer. Ook de verdachte zelf zal moeten leven met het gruwelijke besef dat hij zijn eigen moeder, van wie hij hield en die hem steunde, heeft gedood. Een strafbaar feit als dit wordt ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving.

Doodslag is een levensdelict en daarmee een zeer ernstig misdrijf. Hiervoor worden doorgaans lange gevangenisstraffen opgelegd. Omdat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet geen straf worden opgelegd. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is. De rechtbank kan in dat geval wel een maatregel opleggen, en zal dat ook doen, zoals hierna zal worden toegelicht.

De persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 11 november 2024 blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het hiervoor genoemde PBC-rapport van 19 januari 2026. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Gezien de ernst van het psychiatrisch beeld en de therapieresistentie wordt het recidivegevaar voor een soortgelijk feit als het ten laste gelegde klinisch gezien hoog gedacht, vooral naasten lijken gevaar te lopen. Het recidivegevaar is rechtstreeks gekoppeld aan het maniform psychotisch beeld. Er is sprake van een ernstige stoornis, waarbij betrokkene ondanks hoge doseringen medicatie ook thans nog floride psychotisch en licht ontremd is. Er zijn geen beschermende factoren aanwezig; de familie heeft afstand genomen van betrokkene, betrokkene heeft geen netwerk. Hoewel betrokkene thans positief staat tegenover medicatie, is de vraag of hij dat blijft als hij dit niet dagelijks binnen een strakke behandelstructuur krijgt aangereikt.

Vanwege de chronische en hardnekkige aard van de beschreven psychopathologie en het gebrek aan responsiviteit wordt een langer durend behandeltraject noodzakelijk geacht.

Gezien het afwezige ziekte-inzicht bij betrokkene, de onduidelijkheid of betrokkene - gezien het ontbreken van ziekte-inzicht - op termijn vrijwillige medicatie volgens voorschrift zal blijven innemen, de tot dusver beperkte responsiviteit op behandeling in het afgelopen jaar, in combinatie met het hoge recidiverisico adviseren onderzoekers betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Een behandeling in een voorwaardelijk kader of in het kader van een zorgmachtiging wordt door onderzoekers niet toereikend geacht, dit vanwege het gebrek aan probleembesef en ziekte-inzicht (samenhangend met de psychotische problematiek) en in combinatie met de verwachte lange behandelduur en de noodzakelijke hoge mate van beveiliging tijdens de behandeling.”

De op te leggen maatregel

Met betrekking tot de geadviseerde tbs-maatregel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het plegen van het feit sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type, en de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit en het hoge recidiverisico eist de veiligheid van anderen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd. De rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen.

De tbs-maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de tbs-maatregel niet op voorhand is gemaximeerd.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging een locatieverbod in de vorm van een 38v-maatregel op te leggen. Daartoe overweegt de rechtbank dat een 38v-maatregel voor ten hoogste vijf jaar kan worden opgelegd, terwijl wordt verwacht dat de verdachte gedurende langere tijd binnen een streng beveiligingsniveau zal moeten worden behandeld. De rechtbank verwacht niet dat de verdachte in de komende jaren in de gelegenheid zal worden gesteld om zonder begeleiding naar de woningen van de nabestaanden te gaan.

Om ervoor te zorgen dat de verdachte (ook gedurende zijn tbs-maatregel) geen contact mag opnemen met de nabestaanden, zou een contactverbod met de nabestaanden kunnen worden overwogen. Maar dit zou in de praktijk betekenen dat de verdachte bij overtreding daarvan vervangende hechtenis moet ondergaan. Dat zou een doorkruising van de behandeling betekenen die in het kader van de tbs-maatregel wordt ondergaan en dat acht de rechtbank onwenselijk. De rechtbank zal daarom ook geen contactverbod in de vorm van een 38v-maatregel opleggen.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering van [betrokkene 1]

De benadeelde partij [betrokkene 1], zoon van het slachtoffer, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.622,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit reiskosten (€ 99,-) en parkeerkosten (€ 23,50). Deze kosten worden gevorderd als proceskosten. De immateriële schade bedraagt € 17.500,- en wordt gevorderd als vergoeding van affectieschade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de parkeerkosten voor de inhoudelijke zitting (€ 14,10).

De raadsman heeft verzocht deze kosten af te wijzen dan wel de benadeelde partij ten aanzien daarvan niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van proceskosten af, omdat deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover in persoon - dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) - wordt geprocedeerd, en in dit geval sprake is van bijstand door een advocaat.

Immateriële schade

Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.

De benadeelde partij vordert vergoeding van affectieschade. De rechtbank wijst dit verzoek toe op grond van artikel 6:108 BW. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade, omdat hij kind van het slachtoffer is.

Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,-.

Vordering van [betrokkene 2]

De benadeelde partij [betrokkene 2], dochter van het slachtoffer, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.621,18 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit reiskosten (€ 97,68) en parkeerkosten (€ 23,50). Deze kosten worden gevorderd als proceskosten. De immateriële schade bedraagt € 17.500,- en wordt gevorderd als vergoeding van affectieschade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de parkeerkosten voor de inhoudelijke zitting (€ 14,10). Ten aanzien van deze kosten heeft hij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van proceskosten af en verwijst hiervoor naar wat zij onder 7.1 (onder het kopje materiële schade) heeft overwogen.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert vergoeding van affectieschade. Op grond van wat zij hiervoor onder 7.1 heeft overwogen, wijst de rechtbank dit verzoek toe. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade, omdat zij kind van het slachtoffer is.

Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,-.

Vordering van [getuige 1]

De benadeelde partij [getuige 1], kleindochter van het slachtoffer, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.747,47 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit het eigen risico (€ 385,-), reiskosten naar de huisarts, praktijkondersteuner en psycholoog

(€ 144,93), reiskosten voor de inzage in het PBC-rapport en het slachtoffergesprek met de officier van justitie (€ 194,04) en parkeerkosten (€ 23,50). Laatstgenoemde reiskosten en de parkeerkosten worden gevorderd als proceskosten. De immateriële schade bedraagt € 20.000,- en wordt gevorderd als vergoeding van schokschade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de parkeerkosten voor de inhoudelijke zitting (€ 14,10). De raadsman heeft verzocht deze kosten af te wijzen. Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eigen risico en de reiskosten naar de huisarts, praktijkondersteuner en psycholoog is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering toe.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de proceskosten (de overige reiskosten en de parkeerkosten) af en verwijst hiervoor naar wat zij onder 7.1 (onder het kopje materiële schade) heeft overwogen.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert vergoeding van schokschade. Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade het volgende moet meewegen:

de aard, de toedracht en de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde feit, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;

de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde feit en de gevolgen daarvan;

de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.

De verdachte heeft het slachtoffer, oma van de benadeelde partij, met geweld om het leven gebracht. Vaststaat dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het gepleegde feit, omdat zij samen met haar partner het levenloze lichaam van het slachtoffer heeft aangetroffen in de sloot van de achtertuin van haar woning. Op basis van de aangeleverde stukken stelt de rechtbank vast dat dit bij haar een hevige schok teweeg heeft gebracht als gevolg waarvan zij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. De verdachte heeft daarom ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van schokschade. Gelet op de omstandigheden en de aard van de relatie met het slachtoffer, vindt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000 een passende vergoeding, en zal zij dit bedrag toewijzen.

Vordering van [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde], partner van de kleindochter van het slachtoffer, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.042,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit reiskosten naar de psycholoog (€ 42,77). De immateriële schade bedraagt € 15.000,- en wordt gevorderd als vergoeding van schokschade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Immateriële schade

Op grond van wat de rechtbank hiervoor onder 7.3 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor vergoeding van schokschade in aanmerking komt.

Vaststaat dat de benadeelde partij direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het gepleegde feit, omdat hij samen met zijn partner het levenloze lichaam van het slachtoffer heeft aangetroffen. Ook staat vast dat dit bij hem een hevige schok teweeg heeft gebracht als gevolg waarvan hij geestelijk letsel, bestaande uit herbelevingen en gevoelens van angst, heeft opgelopen. Uit de overgelegde stukken van de psycholoog blijkt dat de benadeelde partij hiervoor EMDR-therapie heeft ondergaan. Gelet op de aard van de relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer (de oma van zijn partner), zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van schokschade toewijzen tot een bedrag van € 10.000,-.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de hiervoor genoemde vorderingen tot schadevergoeding worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. Nu de materiële schade op verschillende momenten is ontstaan, houdt de rechtbank voor al deze schadeposten een gemiddelde datum aan van 1 juli 2025 voor het ingaan van de wettelijke rente.

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Gijzeling Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.

Op grond van artikel 36f, vijfde lid, Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur daarvan beloopt ten hoogste één jaar. Gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen zal de totale duur van de gijzeling het maximum van 365 dagen overstijgen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank de gijzeling naar evenredigheid toepassen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 37b en 287 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Vordering benadeelde partij [betrokkene 1]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,- bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [betrokkene 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [betrokkene 1] wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [betrokkene 1] aan de Staat € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 97 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [betrokkene 2]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,- bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [betrokkene 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [betrokkene 2] wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [betrokkene 2] aan de Staat € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 97 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [getuige 1]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 529,93 bestaande uit materiële schade en € 20.000,- bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [getuige 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

wijst de vordering van [getuige 1] wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [getuige 1] aan de Staat € 20.529,93 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 114 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering benadeelde partij [benadeelde]

wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 42,77 bestaande uit materiële schade en € 10.000,- bestaande uit immateriële schade;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

wijst de vordering van [benadeelde] wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 10.042,77 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 56 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.J. Straathof, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.J. Straathof
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?