RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/291949-25 en 15/322703-23 (vord. tul) (P)
Uitspraakdatum: 23 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 9 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van [DJI] , [adres] , alwaar hij thans gedetineerd is.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij] van het leven te beroven, die [de benadeelde partij] , terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [de benadeelde partij] , terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten [straat] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [de benadeelde partij] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het slaan op de ontblote billen en/of
- het meermalen schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd,
terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag en/of buiten bewustzijn was;
Feit 3
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een North Face jas, een mobiele telefoon van het merk Apple I Phone 12 pro max , een rijbewijs en/of een contant geldbedrag van 950 euro, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] , terwijl hij op de grond lag, meermalen tegen zijn lichaam en/of hoofd te schoppen en/of te stompen en/of te slaan.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. De officier van justitie gaat er daarbij vanuit, mede gelet op de diverse beelden in het dossier, dat het slachtoffer enige tijd buiten bewustzijn is geweest. Daarnaast heeft zij gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 3 ten laste gelegde diefstal met geweld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt. Mocht de rechtbank dit anders zien, dan heeft hij dit niet opzettelijk gedaan.
Daarnaast is volgens de raadsvrouw geen sprake van een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg van het door de verdachte vermeende handelen. Dit kan op basis van het – lichte – letsel dat bij het slachtoffer is geconstateerd niet worden vastgesteld. Tot slot kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat het slachtoffer bewusteloos is geweest.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Wat betreft de onder 3 ten laste gelegde diefstal met geweld heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten en/of het geweld niet gepleegd is met het oog op de diefstal van de in de tenlastelegging genoemde goederen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraken
Feit 3
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld, in vereniging gepleegd.
In de eerste plaats kan niet worden vastgesteld dat de verdachte enige rol heeft gespeeld bij dit feit, laat staan dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Het enige dat kan worden vastgesteld is dat de verdachte op zitting heeft verklaard dat hij heeft gezien dat iemand de telefoon en het rijbewijs van het slachtoffer van de grond heeft gepakt.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat de gepleegde geweldshandelingen waren gericht op het voorbereiden en/of gemakkelijk maken van de diefstal.
Gelet op het voorgaande zal de verdachte overeenkomstig het betoog van de officier van justitie en de raadsvrouw, worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging.
Feit 1 en 2 (partiële vrijspraak)
De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 partieel vrijspreken, namelijk voor wat betreft het bestanddeel ‘en/of buiten bewustzijn was’, nu dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op dit punt bevindt zich in het dossier alleen de verklaring van het slachtoffer dat hij vermoedt dat hij door het geweld buiten bewustzijn is geraakt. De rechtbank acht dit vermoeden onvoldoende om te kunnen vaststellen dat het slachtoffer daadwerkelijk buiten bewustzijn is geweest.
De bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering medeplegen poging doodslag
De raadsvrouw heeft bepleit dat geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt niet dat de verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans, te weten een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, wordt aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. Dit kan worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In ieder geval vier personen hebben meermalen met kracht en met geschoeide voet op dan wel tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zo’n dertig tot veertig keer is getrapt. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft geschopt op zijn lichaam en tegen zijn armen, die het slachtoffer op dat moment voor zijn hoofd hield. Het slachtoffer lag op dat moment op de grond en de verdachte stond er met een aantal jongens omheen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij heeft geschopt nadat anderen dit deden.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, en dus sprake is van medeplegen. Dit betekent dat het geheel aan gepleegde geweldshandelingen zowel aan de verdachte als aan zijn medeverdachten kan worden toegerekend.
Uit het dossier volgt dat het schoppen tegen het hoofd en het lichaam van het slachtoffer met hoge snelheid en met krachtige dan wel zeer krachtige bewegingen is gedaan. De verdachten maken achter elkaar stampende bewegingen op het hoofd van het slachtoffer. Het hoofd is een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam en het is algemeen bekend dat als er fors geweld tegen het hoofd plaatsvindt, de aanmerkelijke kans bestaat dat ernstig letsel wordt toegebracht dat de dood tot gevolg kan hebben.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het meermalen met kracht en met geschoeide voet op/tegen het hoofd van het slachtoffer schoppen, de aanmerkelijke kans oplevert dat de dood van het slachtoffer intreedt. De rechtbank baseert zich hierbij ook op de bevindingen van de forensisch arts. Hieruit blijkt dat dodelijk letsel in dit geval zeer wel mogelijk is geweest.
Dat de rechtbank niet bewezen acht dat het slachtoffer buiten bewustzijn is geweest maakt dit oordeel niet anders, nu uit het forensisch onderzoek volgt dat het voor de gevaarzetting niet relevant is of een slachtoffer al dan niet buiten bewustzijn is geweest. Door de geweldshandelingen die de verdachte samen met de medeverdachten jegens het slachtoffer heeft gepleegd, heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans ook op de koop toegenomen. De verdachte heeft de door de medeverdachten gepleegde geweldshandelingen gezien en is zelfs daarna nog zelf gaan schoppen. Hij heeft daarmee bewust aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou kunnen komen te overlijden. Daarom heeft de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
Primair
hij op 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [de benadeelde partij] van het leven te beroven, die [de benadeelde partij] , terwijl hij op de grond lag meermalen tegen het lichaam en het hoofd heeft geschopt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op 6 september 2025 te Beverwijk openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij] welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit
- het slaan op de ontblote billen en
- het meermalen schoppen en slaan tegen het lichaam en het hoofd,
terwijl die [de benadeelde partij] op de grond lag.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair en 2
de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging tot doodslag
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 294 dagen jeugddetentie waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar.
Zij heeft verzocht aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden – en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren – zoals subsidiair geadviseerd door de Raad in haar rapport van 1 april 2026, met uitzondering van het geadviseerde contactverbod.
In aanvulling op de door de Raad geadviseerde voorwaarden acht zij het van belang dat ook de bijzondere voorwaarde van elektronische monitoring voor de duur van maximaal drie maanden wordt opgelegd.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden opgelegd, inhoudende dat de verdachte zich gedurende een periode van één jaar niet bevindt in [plaats] en dat hij op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer en de drie medeverdachten opneemt, zoekt of heeft, op straffe van één week vervangende hechtenis bij elke overtreding hiervan. De officier van justitie vordert ook hierbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregelen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte op te leggen. De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de vorm waarin de geadviseerde voorwaarden aan de verdachte moeten worden opgelegd. Zij acht het van belang dat de verdachte zo snel mogelijk perspectief krijgt. De verdachte is bereid zich aan alle geadviseerde voorwaarden te houden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals op basis van de zitting en de hierna te noemen persoonsrapportages is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
Op 6 september 2025 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Het slachtoffer is – terwijl hij met ontbloot onderlichaam op de grond lag – meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam geschopt en geslagen. De verdachte heeft het slachtoffer daarnaast op zijn blote billen geslagen. Deze geweldshandelingen zijn gefilmd en op sociale media geplaatst, waarbij het rijbewijs met daarop de foto van het slachtoffer is getoond en opruiende berichten zijn geplaatst. Als gevolg van dit gewelddadige handelen heeft het slachtoffer lichamelijk letsel en pijn opgelopen, waaronder een breuk in zijn hand en meerdere bulten op zijn hoofd en slaap. Daarnaast is sprake van geestelijk letsel. Het feit is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest. Door de broek van het slachtoffer naar beneden te trekken en deze beelden, waarin hij met naam en toenaam wordt genoemd, op sociale media te plaatsen is het slachtoffer bovendien vernederd. Het slachtoffer staat op die manier zijn leven lang “online” met zijn naam erbij. Hoewel het niet de verdachte is geweest die heeft gefilmd en de beelden online heeft gezet, heeft hij wel bijgedragen aan dit vernederende aspect door het slachtoffer onder andere op zijn blote billen te slaan terwijl er werd gefilmd. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting hierop ter zitting is gebleken dat het feit tot op de dag van vandaag enorme impact op het slachtoffer heeft gehad. Het slachtoffer schaamt zich diep. Bovendien weet hij niet door wie de beelden allemaal zijn gezien en wanneer deze beelden wellicht ergens weer zullen opduiken. Het is lastig, zo niet onmogelijk, om de beelden van het internet te krijgen. Die wetenschap draagt hij de rest van zijn leven met zich mee.
Daarnaast heeft deze gebeurtenis en de daarop volgende berichten op sociale media voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. In Beverwijk en omgeving heeft dit ertoe geleid dat door de burgemeester een noodbevel is afgegeven, diverse gebieden als veiligheidsrisicogebied werden aangewezen en middelbare scholen en sportclubs zijn gesloten. Dit heeft zowel landelijk als internationaal media-aandacht gekregen en zal ongetwijfeld ook in de maatschappij voor gevoelens van angst en onveiligheid hebben gezorgd.
De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezen verklaarde feiten eendaadse samenloop aan. De feiten leveren een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op. De verdachte wordt daarvan in wezen één verwijt gemaakt, terwijl de strekking van de strafbepalingen in grote mate overeenkomt. De rechtbank zal hier in de strafoplegging rekening mee houden.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 april 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. Wel is de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking gekomen en liep hij in een proeftijd voor een diefstal met braak en overtreding van de Opiumwet. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 10 februari 2026, opgesteld door [SKJ-kinder-en jeugdpsycholoog] , MSc. Postmaster SKJ-kinder- en jeugdpsycholoog, onder supervisie van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog.
Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (in remissie in een gereguleerde omgeving). Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde. Er kan worden gesteld dat de verdachte globaal genomen functioneert op een zwakbegaafd cognitief niveau, waarbij zijn werkgeheugen en verwerkingssnelheid binnen dit profiel als zwak naar voren komen. Dit maakt dat de verdachte in het algemeen bezien niet altijd goed kan overzien wat er in een situatie gebeurt en is hij in algemene zin kwetsbaar voor cognitieve overbelasting. In de plotseling ontstane en chaotische situatie, is het aannemelijk dat hij enigszins overweldigd raakte door de prikkels en de situatie niet volledig heeft kunnen overzien. Tevens werd de cognitieve overbelasting vergroot doordat de situatie emotioneel beladen was, doordat hij zich boos voelde, hij – naar eigen zeggen, begrijpt de rechtbank – gewond was en fysiek pijn had. Dit alles lijkt debet geweest te zijn aan de gedragsregulatie en de impulscontrole van de verdachte, welke de verdachte in een rustigere en overzichtelijke situatie doorgaans dermate voldoende beheerst, dat hij weinig bekend is met het tonen van fysieke agressie. Bij de verdachte werd door zijn antisociale cognities, in combinatie met het egocentrisch denken en het gebrekkig mentaliserend vermogen, onvoldoende een cognitief en emotioneel morele drempel opgeworpen om uiting te geven aan de vergeldingsdrang die hij voelde. Dit is passend bij de gedragsstoornis. De verdachte moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek onvoldoende goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te kunnen bepalen. Er wordt geadviseerd het onder 1 en 2 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en acht de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar.
Het Pro Justitia rapport houdt verder in dat het zwakbegaafd functioneren en de gedragsstoornis bijdragen aan het recidiverisico. Het risico op toekomstig gewelddadig gedrag wordt matig ingeschat zonder verdere begeleiding en behandeling. Er is behandeling nodig gericht op het versterken van het mentaliserend vermogen van de verdachte, het corrigeren van de aanwezige antisociale cognities en het verminderen van het antisociaal denken. Tevens dient er aandacht te zijn voor het drugsgebruik, gezien het in het onderhavig onderzoek onduidelijk is gebleven in hoeverre er bij de verdachte sprake is van problematisch gebruik.
Gelet op de gewenste behandeling en begeleiding, teneinde de verdachte optimaal te motiveren en voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, is het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel aangewezen. Strikt en intensief toezicht door de jeugdreclassering is noodzakelijk en er dient een duidelijk lik-op-stuk beleid te zijn wanneer de verdachte zich aan de voorwaarden onttrekt.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 1 april 2026 en de aanvulling hierop op de zitting. De Raad sluit zich aan bij het advies in het Pro Justitia rapport. De Raad acht intensief toezicht, duidelijke kaders, praktische begeleiding en begrenzing en behandeling nodig. Een gedragsbeïnvloedende maatregel is hiervoor het meest passend. Daarbij is het van belang dat de verdachte directe consequenties ervaart als hij niet goed meewerkt aan het programma of zich eraan onttrekt. Voor wat betreft de duur van maatregel adviseert de Raad een periode van twaalf maanden. Gezien wordt dat de motivatie van de verdachte wisselend is en er moet nog gestart worden met behandeling. Gezien de problematiek en het hoge recidiverisico is de verwachting dat de behandeling en begeleiding minstens enkele maanden tot mogelijk een jaar of langer zullen gaan duren.
De Raad vindt elektronische monitoring voor de duur van drie maanden noodzakelijk omdat de verdachte zich in het verleden heeft onttrokken aan de hulpverlening. De Raad acht het van belang dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De Raad adviseert voor wat betreft het onvoorwaardelijke deel een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar is eveneens passend. Met de officier van justitie ziet de Raad ook de 38v-maatregel als een passende maatregel voor de verdachte. Gelet op de ernst van de problematiek is het de vraag of een gedragsbeïnvloedende maatregel van één jaar voldoende is.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.
De straf
Samengevat houdt de rechtbank in het nadeel van de verdachte rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en in een proeftijd liep.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, de eendaadse samenloop en de toepassing van artikel 63 Sr.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank het echter niet in zijn belang dat hij nog langer vast blijft zitten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte kan starten met behandeling en begeleiding, omdat dit helpt recidive te voorkomen.
De rechtbank ziet gelet op de verwachte duur van de behandeling geen aanleiding om een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen, maar zal in plaats daarvan – gelet op de ernst van de feiten – een forse deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met een stevig pakket aan bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 294 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Bij de berekening hiervan gaat de rechtbank dus niet uit van het door de officier van justitie genoemde voorwaardelijk deel van 180 dagen. Het is de bedoeling van de rechtbank – evenals die van de officier van justitie – dat de verdachte na de dag van de uitspraak niet langer in detentie hoeft te verblijven. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, aangevuld met de voorwaarde van elektronische monitoring voor maximaal drie maanden, en een proeftijd van twee jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en een gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten (kort gezegd) poging doodslag en openlijke geweldpleging.
Gelet op de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de ernst van de strafbare feiten en het recidivegevaar moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk strafbaar feit zal plegen en is het in het belang van de verdachte dat zo snel mogelijk met de behandeling en begeleiding kan worden gestart. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr
De rechtbank is overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie van oordeel dat het locatieverbod, dat de verdachte zich gedurende één jaar niet in [plaats] mag begeven, alsmede een contactverbod met zijn medeverdachten en het slachtoffer, niet als bijzondere voorwaarden maar als maatregel meer passend zijn. De rechtbank besluit daarom als volgt.
Locatieverbod
De rechtbank is van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming
van strafbare feiten de maatregel dat de verdachte voor de duur van één jaar zich niet zal ophouden in [plaats] , moet worden opgelegd. Dit omdat uit het dossier aanwijzingen naar voren komen dat het incident zich heeft afgespeeld tegen de achtergrond van een al langer lopend conflict tussen rivaliserende jeugdgroepen uit [plaats] en [plaats] .
De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het locatieverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.
Contactverbod
De rechtbank is eveneens van oordeel dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten voor de duur van één jaar de maatregel van een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer moet worden opgelegd.
De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende jeugddetentie zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het contactverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregelen
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en dat aan de in artikel 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 39.339,82 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit:
Materiële schade: € 29.339,82 + pro memorie kosten
Immateriële schade: € 10.000
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de daadwerkelijk geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
De post ‘gestolen en beschadigde eigendommen’ kan ook worden toegewezen, ondanks dat de officier van justitie vrijspraak voor de diefstal met geweld (feit 3) heeft gevorderd. Vaststaat dat de benadeelde partij deze spullen is kwijtgeraakt als gevolg van de geweldshandelingen onder feit 1 en 2.
De pro memorie gevorderde posten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gestolen en beschadigde eigendommen stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat vrijspraak per definitie tot niet-ontvankelijkheid leidt. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij € 950 aan contant geld bij zich droeg. Verder kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij die dag een winterjas droeg. Primair verzoekt de raadsvrouw deze post niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair verzoekt zij de rechtbank rekening te houden met de afschrijving van de jas en de dagwaarde te schatten.
Ten aanzien van de reiskosten heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van het sportabonnement verzoekt de raadsvrouw deze af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan voldoende onderbouwing. Daarnaast rust op de benadeelde partij een schadebeperkingsplicht en had hij tijdelijk zijn abonnement kunnen bevriezen.
Ten aanzien van de medische kosten heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de onderbouwing niet is gebleken of het volledige eigen risico daadwerkelijk is aangesproken en of dat als gevolg van de bewezen verklaarde feiten was. De vordering bevat geen declaratieoverzichten waaruit dit zou blijken.
Ten aanzien van de gederfde inkomsten acht de raadsvrouw onvoldoende onderbouwd waarom de benadeelde partij zes maanden in zijn geheel niet heeft kunnen werken, nu hij ook weer zou beginnen met een nieuwe studie en uit de medische stukken blijkt dat hij maar twee weken in het gips heeft gezeten. Ook acht de raadsvrouw de overgelegde loonstroken niet representatief. De benadeelde partij heeft na zijn examenjaar vroegtijdig zomervakantie gehad waarin hij veel heeft kunnen werken. Het is niet realistisch dat hij dezelfde hoeveelheid uren zou maken naast het volgen van een studie. Daarnaast is de maand augustus buiten beschouwing gelaten. De onderbouwing bevat geen loonstroken van de periode na het feit, waardoor de gestelde inkomstenderving niet kan worden gecontroleerd. De werkgeversverklaring is eenzijdig opgesteld en kan niet objectief geverifieerd worden. Een formele arbeidsongeschiktheidsverklaring waaruit blijkt dat de benadeelde partij zes maanden volledig arbeidsongeschikt zou zijn, ontbreekt.
Ten aanzien van de schoolboeken vraagt de raadsvrouw zich af of deze kosten als rechtstreekse schade kunnen worden beschouwd. De benadeelde partij heeft zelf de keuze gemaakt om zijn opleiding te hervatten, terwijl dat mogelijk niet kon. Ook zouden de licenties van de boeken misschien overdraagbaar zijn. De raadsvrouw verzoekt de benadeelde partij in deze post niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de schade door studievertraging stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de beoordeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij merkt zij op dat de benadeelde partij de keuze had om terug te keren naar zijn opleiding en het zijn eigen keuze is geweest om de opleiding te verlaten. De raadsvrouw betwist een volledig causaal verband tussen deze schade en de bewezen verklaarde feiten.
Ten aanzien van de pro memorie kosten stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat deze in zijn geheel niet zijn onderbouwd en daarom niet kunnen worden toegewezen.
Voor wat betreft de immateriële schade betwist de raadsvrouw de hoogte van de vordering en de wijze van onderbouwing. Zij stelt zich op het standpunt dat aansluiting moet worden gezocht bij het feitelijke aandeel van de verdachte. Daarnaast is de PTSS alleen vastgesteld door de huisarts en bevat de onderbouwing geen eindrapportage van Mind to Move . Het is maar de vraag of de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van het verspreiden van de beelden aan de verdachte kan worden toegerekend.
De raadsvrouw acht een bedrag van € 10.000 niet proportioneel en vindt een bedrag rond de € 3.500 passender. Zij verzoekt de rechtbank de immateriële schade dan ook flink te matigen.
Tot slot verzoekt de raadsvrouw de vordering niet hoofdelijk op te leggen, mede gezien het door de officier van justitie gevorderde contactverbod.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 25.352,30 rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe deze materiële schade is opgebouwd.
Gestolen en beschadigde eigendommen: € 200 toewijzen
Voor de gestolen en beschadigde eigendommen is een totaalbedrag van € 1.350 gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 950 aan contant geld niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat op basis van het dossier onvoldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij dit bedrag bij zich droeg ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Een overzicht van verschillende contante opnames in de periode voorafgaand aan het feit is hiervoor onvoldoende. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Voor wat betreft de North Face winterjas wijst de rechtbank de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200. Dat de verdachte is vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal maakt niet dat deze post niet kan worden toegewezen, nu uit de aangifte voldoende is gebleken dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezen verklaarde geweldshandelingen en de geleden schade. De benadeelde partij is als gevolg van het geweld zijn jas kwijtgeraakt. Dit wordt ondersteund door de beelden waarop is te zien dat hij is uitgekleed.
Reiskosten: € 27,72 toewijzen
Voor de reiskosten is € 27,72 gevorderd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. Bovendien is dit deel van de vordering niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Sportabonnement: niet-ontvankelijk
Verder is namens de benadeelde partij € 131,94 aan kosten voor het sportabonnement gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien heeft de raadsvrouw dit deel van de vordering gemotiveerd betwist. Een verdere beoordeling van deze schadepost levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
Medische kosten (eigen risico 2025): € 385 toewijzen
Voor de medische kosten is € 385 gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd en rechtstreeks in verband staat tot de bewezen verklaarde feiten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij meerdere sessies bij Mind to Move heeft gehad. Aannemelijk is dat hiervoor het gehele eigen risico is aangesproken. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Gederfde inkomsten: € 2.705,58 toewijzen
Namens de benadeelde partij is € 5.411,16 gevorderd wegens gederfde inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering tot een bedrag van € 2.705,58 kan worden toegewezen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de benadeelde partij – naast het volgen van een fulltime studie en de daarbij behorende studiebelasting – nog zoveel uren had kunnen werken. De rechtbank zal het bedrag daarom beperken tot 50% van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze post voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Schoolboeken: € 434 toewijzen
Er is € 434 euro gevorderd aan schoolboeken. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en acht dit in voldoende mate onderbouwd. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Studievertraging: € 21.600 toewijzen
De benadeelde partij heeft € 21.600 gevorderd voor de schade die hij door studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd en rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het forfaitair bedrag dat is opgenomen in de Letselschade Richtlijn Studievertraging. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Pro memorie kosten: niet-ontvankelijk
De rechtbank acht de verschillende pro memorie posten onvoldoende onderbouwd. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
De benadeelde partij kan de delen van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Tot slot is namens de benadeelde partij een bedrag van € 10.000 gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek (hierna BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij op alle drie deze grondslagen is gebaseerd.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Uit de medische verslagen blijkt dat de benadeelde partij meerdere zwellingen aan zijn achterhoofd en slaap, schaafwonden, een botbreuk ter hoogte van de basis van het middenhandsbeentje van de ringvinger en mogelijke botbreuk van de rechterpink, alsmede aanhoudende neurologische klachten heeft opgelopen.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten is aangetast in zijn eer en goede naam. De benadeelde partij is tijdens de geweldshandelingen ontkleed en door de verdachte op zijn ontblote billen geslagen. Dit is gefilmd en op sociale media geplaatst. De benadeelde partij is hierdoor vernederd en in zijn eer en goede naam aangetast. Bovendien is bekend dat dergelijke beelden de benadeelde partij onbeperkt lang kunnen blijven achtervolgen.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. De huisarts heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld, waarna de benadeelde partij EMDR-therapie heeft gevolgd bij Mind to Move . Dat de vordering geen onderbouwing bevat waaruit blijkt dat de PTSS door een gespecialiseerde professional in de geestelijke gezondheidszorg is vastgesteld doet hier niet aan af. Mind to Move is gespecialiseerd in de behandeling van traumatische ervaringen. Bovendien mag bekend worden verondersteld dat EMDR-therapie veelvuldig wordt toegepast bij de behandeling van PTSS. De rechtbank acht het daarom zeer aannemelijk dat de behandelend GZ-psycholoog van Mind to Move EMDR voor de behandeling van PTSS heeft ingezet.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade daarom geheel toe.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 35.352,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijkheid
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezen verklaarde feiten en daarom jegens de benadeelde partij voor de gehele schade aansprakelijk is. Op grond van artikel 6:102, eerste lid, BW jo. artikel 6:166 BW zijn de verdachte en zijn medeverdachten immers hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de geleden schade. Wat door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Hoofdelijke aansprakelijkheid dient ter bescherming van het slachtoffer. Daarnaast geldt dat het regelen van de onderlinge draagplicht van de daders via (professionele) derden kan verlopen, daarvoor is persoonlijk contact niet nodig. Een contactverbod staat daarom niet aan hoofdelijkheid in de weg. Gelet daarop zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en bepalen dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 35.352,30 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 3 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 15/322703-23 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank de verdachte ter zake van (kort gezegd) diefstal in vereniging met braak en het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 23 oktober 2024 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 4 december 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie op 7 januari 2026 nog geen drie maanden geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering, omdat de voorwaardelijk opgelegde straf al ten uitvoer is gelegd.
Oordeel van de rechtbank
Nu is gebleken dat de bij vonnis van 26 november 2025 van de kinderrechter van deze rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf volledig ten uitvoer is gelegd en de verdachte deze straf al heeft uitgezeten, zal de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 38v, 45, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 77we, 141, 287 Sr.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 294 (tweehonderdvierennegentig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 178 (honderdachtenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling, zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 116 (honderdzestien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Hetgeen betekent dat de veroordeelde de dag na de uitspraak niet meer in detentie verblijft.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
Locatieverbod
Legt op de maatregel dat de veroordeelde zich voor de duur van één jaar niet zal ophouden in [plaats] .
Contactverbod
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van één jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan één van de maatregelen wordt voldaan, met een maximum duur van zes maanden. Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Beveelt dat de maatregelen, gelet op artikel 77we, tweede lid, jo. artikel 38v, vierde lid, Sr, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 35.352,30 (vijfendertigduizend driehonderdtweeënvijftig euro en dertig eurocent), bestaande uit € 25.352,30 voor de materiële en € 10.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan [de benadeelde partij] van dit toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot de dag van volledige betaling.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de veroordeelde ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij[de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.352,30 (vijfendertigduizend driehonderdtweeënvijftig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/322703-23.
Beslissing over de voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. J.W. Moors en mr. F.W. van Dongen, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Kramer,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 april 2026.