ECLI:NL:RBNHO:2026:4539

ECLI:NL:RBNHO:2026:4539

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 15/030145-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Veroordeling en oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/030145-26

Uitspraakdatum: 1 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [PI] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Zwinkels en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.W. van Nieuwkerk, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer één of meerdere winkelartikelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 april 2026 afgelegd;

een proces-verbaal van aangifte namens de Albert Heijn van 29 januari 2026 (dossierpagina 31 t/m 33).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 29 september 2026 op Schiphol te Haarlemmermeer winkelartikelen, die aan Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen. Volgens de raadsvrouw is aan één van de ‘harde criteria’ niet voldaan om een dergelijke maatregel op te kunnen leggen, namelijk dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. De recente veroordelingen zien op het beledigen van ambtenaren in functie en het niet voldoen aan ambtelijke bevelen. Die gedragingen leveren volgens de raadsvrouw naar hun aard geen direct gevaar voor de veiligheid van personen of goederen op. De veroordelingen voor winkeldiefstal dateren van langere tijd geleden en komen slechts sporadisch voor. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de ‘zachte criteria’, omdat er een reëel alternatief is voor oplegging van de ISD-maatregel. De verdachte kan bij zijn vader verblijven en gedurende die tijd meewerken aan bijvoorbeeld een ambulante behandeling. Ook staat de verdachte open voor een eventuele klinische behandeling. Gelet hierop heeft de raadsvrouw verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk of korter is dan de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf kunnen bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en een ambulante, dan wel klinische behandeling worden verbonden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor een zo kort mogelijke duur en met aftrek van het voorarrest.

In het geval waarin de rechtbank voornemens is het primaire en subsidiaire verzoek af te wijzen omdat de reclassering geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van het opleggen van bijzondere voorwaarden of vanwege gebrek aan onderzoek naar een mogelijke verblijfplaats bij vader of een andere (externe) overbruggingsplek totdat de verdachte klinisch kan worden opgenomen, heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van de zaak te heropenen en aan te houden teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen op deze punten een aanvullende rapportage te laten opmaken.

Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Hij heeft meerdere winkelartikelen gestolen uit een supermarkt. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die doorgaans veel overlast en financiële schade geven voor betrokkenen.

Persoon van de verdachte

Uit het reclasseringsadvies van 10 april 2026 komt naar voren dat de verdachte op alle leefgebieden problemen heeft en dat zowel het risico op recidive als op het onttrekken aan voorwaarden als hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een duidelijke pro-criminele houding en is ongevoelig voor justitiële sancties. Het delictgedrag komt in hoge mate voort uit zijn verslavingsproblematiek. De verdachte heeft geen hulpvraag. In 2024 is ingezet op reclasseringsinterventies op de forse problematiek van de verdachte, maar het is niet gelukt de verdachte in beeld te krijgen. Hierdoor is, zoals de deskundige [reclasseringswerker] bij Verslavingsreclassering GGZ Fivoor, op zitting heeft toegelicht, onder meer de ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) niet van de grond gekomen. Een langdurige klinische opname is nog niet eerder ingezet, maar dat heeft volgens de reclassering geen kans van slagen omdat de verdachte door de huidige lange wachtlijsten niet aansluitend aan zijn detentie in een kliniek kan worden geplaatst. De kans dat de verdachte na detentie uit beeld raakt, schat de reclassering daarbij hoog in. Daarom ziet de reclassering nu geen mogelijkheden in een voorwaardelijk kader. De verdachte is gebaat bij een langdurige behandeling gericht op zijn verslavingsproblematiek en waarbij diagnostiek zal plaatsvinden, zodat voor de verdachte een passend hulpverleningstraject kan worden ingezet. De reclassering heeft geadviseerd dat het beoogde behandeltraject het best wordt geborgd bij het opleggen voor langere tijd van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel, wat een voldoende stevig en dwingend kader biedt.

Oplegging ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden wordt voldaan die artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Immers, het door de verdachte begane feit (diefstal) betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, terwijl het hier bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van die straffen. Gelet op de veelvuldige recidive en de persoonlijke problematiek van de verdachte zoals uit het reclasseringsrapport blijkt, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan als hij geen hulp en begeleiding krijgt. De veiligheid van goederen vereist daarom het opleggen van de ISD-maatregel, omdat eerder opgelegde straffen hem niet hebben weerhouden van het plegen van nieuwe delicten. Ook stelt de rechtbank vast dat is voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers" van het Openbaar Ministerie. De verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van de pleegdatum van onderliggend feit.

De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte in de afgelopen jaren al verschillende vormen van begeleiding en behandeling aangeboden heeft gekregen. Zo is er in de periode van 26 augustus 2020 tot 25 februari 2021 sprake geweest van een intensieve begeleiding door Samen-Veilig in het kader van een maatregel ITB harde kern, waaronder een periode

met elektronische controle. De verdachte stelde zich niet begeleidbaar op en kwam afspraken niet na. Er werd getracht aan gedragsverandering/stabilisatie van de leefgebieden te werken, maar dit is niet gelukt. De verdachte heeft in het kader van voorwaardelijke veroordelingen tevens een toezichtskader bij de reclassering Inforsa gehad, waarbij hij vanaf het moment dat het toezicht is opgelegd, zeer frequent in contact met justitie is gekomen. De verdachte heeft zich niet bij de reclassering gemeld. Alle interventies hebben tot nu toe niet tot het gewenste effect van gedragsverandering geleid. De verdachte is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank acht het handelen van de verdachte zorgelijk gezien de aard en intensiteit van de gepleegde misdrijven in combinatie met het door de reclassering benoemde hoge risico op recidive en het hoge risico op het onttrekken aan voorwaarden. Uit het reclasseringsadvies blijkt verder dat de verdachte voornamelijk extrinsiek is gemotiveerd om aan voorwaarden mee te werken, omdat hij geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel wil.

Alles afwegende ziet de rechtbank geen mogelijkheden om behandeling en begeleiding aan de verdachte te laten plaatsvinden binnen een voorwaardelijk kader. De rechtbank heeft onvoldoende vertrouwen dat de verdachte binnen een voorwaardelijk kader tot gedragsverandering kan komen. De rechtbank acht oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel dan ook passend en geboden.

Duur ISD-maatregel

Het is van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De maatschappij moet optimaal worden beschermd, de recidive van de verdachte moet worden beëindigd en er moet worden bijgedragen aan een oplossing voor de problematiek die bij de verdachte speelt. Daarom zal de rechtbank de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen, zonder aftrek van het voorarrest.

Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak

Hoewel de rechtbank niet meegaat in het primaire en subsidiaire standpunt van de verdediging, is niet voldaan aan de voorwaarden die door de raadsvrouw aan het voorwaardelijk verzoek zijn verbonden. De rechtbank komt immers niet tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel ‘omdat de reclassering geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van het opleggen van bijzondere voorwaarden of vanwege gebrek aan onderzoek naar een mogelijke verblijfplaats bij vader of een andere (externe) overbruggingsplek totdat de verdachte klinisch kan worden opgenomen’. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om behandeling en begeleiding aan de verdachte te laten plaatsvinden binnen een voorwaardelijk kader. Gelet op dat oordeel behoeft het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding van de zaak geen verdere bespreking.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

Bij dit vonnis zal de verdachte worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel ter zake van diefstal. Dit is een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Er bestaan ernstige bezwaren tegen de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat hiernaast ook gronden voor de voorlopige hechtenis aanwezig zijn, namelijk ernstig gevaar voor vlucht en een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert, namelijk (kort gezegd) de recidivegrond. Wat betreft de eerste grond, neemt de rechtbank in aanmerking dat van de verdachte vanaf 9 april 2025 geen adres meer bekend is. Mede gelet op de proceshouding van de verdachte moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel zal onttrekken. Gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte en het door de reclassering als hoog ingeschatte risico op recidive, acht de rechtbank tevens de recidivegrond nog onverkort aanwezig.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van (2) twee jaren.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.E.A. Chao, voorzitter,

mr. G.D. Kleijne en mr. P. Reemst, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.E.A. Chao
  • mr. G.D. Kleijne
  • mr. P. Reemst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand