ECLI:NL:RBNHO:2026:4547

ECLI:NL:RBNHO:2026:4547

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer K/4101/12134307
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

In dit kort geding vordert een werknemer doorbetaling van loon en herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en). De werknemer stelt dat hij daarop aanspraak heeft na vernietiging van een vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling. De kantonrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat in een gewone procedure (een bodemprocedure) zal wor¬den beslist dat de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling buitengerechtelijk is vernietigd. Daarvan uitgaande duurt de arbeidsovereenkomst dus voort na 1 januari 2026. De gevorderde loondoorbetaling wordt daarom toegewezen (tot 1 januari 2027). Voor een veroordeling tot herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en) is geen plaats. In een kort geding kan alleen een voorlopig oordeel worden gegeven en geen definitieve uitspraak wor¬den gedaan. De werkgever wordt wel veroordeeld tot aanmel¬ding bij de pensioenuit¬voer¬¬ders en/of verzekeraars, met de mededeling dat in kort geding is geoordeeld dat aanne¬me¬lijk is dat in een bodemprocedure zal worden bepaald dat het dienstverband voortduurt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 12134307 \ KG EXPL 26-44 (NE)

Vonnis in kort geding van 28 april 2026

in de zaak van

[eiser 1] , en

[eiser 2] ,

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna te noemen: gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] ,

gemachtigde: mr. O.S. van Beijeren,

tegen

de besloten vennootschap NRG Pallas B.V.,

te Petten,

gedaagde partij,

hierna te noemen: NRG Pallas,

gemachtigde: mr. H.T. ten Have.

De zaak in het kort

In dit kort geding vordert een werknemer doorbetaling van loon en herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en). De werknemer stelt dat hij daarop aanspraak heeft na vernietiging van een vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling. De kantonrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat in een gewone procedure (een bodemprocedure) zal worden beslist dat de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling buitengerechtelijk is vernietigd. Daarvan uitgaande duurt de arbeidsovereenkomst dus voort na 1 januari 2026. De gevorderde loondoorbetaling wordt daarom toegewezen (tot 1 januari 2027). Voor een veroordeling tot herstel van pensioen- en verzekeringsregeling(en) is geen plaats. In een kort geding kan alleen een voorlopig oordeel worden gegeven en geen definitieve uitspraak worden gedaan. De werkgever wordt wel veroordeeld tot aanmelding bij de pensioenuitvoerders en/of verzekeraars, met de mededeling dat in kort geding is geoordeeld dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden bepaald dat het dienstverband voortduurt.

1. De procedure

[eisers] hebben met een dagvaarding van 2 april 2026 een vordering in kort geding tegen NRG Pallas ingesteld. NRG Pallas heeft daartegen (schriftelijk) verweer gevoerd.

Op 13 april 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.

2. De feiten

[eiser 1] is op 1 januari 2014 als CEO bij de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor (hierna: de Stichting Voorbereiding) in dienst getreden. Ook is [eiser 1] benoemd tot (onbezoldigd) statutair bestuurder bij de Stichting Voorbereiding.

In april 2020 is [eiser 1] tevens benoemd tot (onbezoldigd) statutair bestuurder bij de Stichting NRG. De Stichting Voorbereiding en de Stichting NRG zijn op 31 december 2023 gefuseerd in de Stichting NRG Pallas. De Stichting NRG Pallas is per 1 mei 2025 omgezet in de besloten vennootschap NRG Pallas.

Het laatstverdiende salaris van [eiser 1] is € 15.800,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en een eindejaarsuitkering.

[eiser 1] en NRG Pallas hebben op 9 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2026 zal eindigen. Verder is daarin opgenomen dat [eiser 1] vanaf 1 mei 2025 niet langer statutair bestuurder is, dat [eiser 1] tussen 1 mei en 1 september 2025 advieswerkzaamheden zal verrichten, en dat NRG Pallas een beëindigingsvergoeding zal betalen van € 75.000,00 bruto.

Op 9 juli 2025 is bij [eiser 1] een ernstige ziekte vastgesteld. De gestarte behandeling is niet aangeslagen en verdere behandeling is gericht op levensverlenging.

[eiser 1] heeft op 10 oktober 2025 gesproken met de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft de eerste ziektedag van [eiser 1] vastgesteld op 9 juli 2025.

[eiser 1] heeft de bedrijfsarts op 12 december 2025 opnieuw gesproken en heeft zich op deze datum bij NRG Pallas ziekgemeld.

NRG Pallas heeft eind december 2025 aan haar pensioenadviseur gevraagd advies uit te brengen over de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de pensioen- en nabestaandenpensioenvoorzieningen voor [eiser 1] en zijn nabestaanden. Daaruit volgt dat het ASR-pensioenreglement (ouderdomspensioen, partnerpensioen en Anw-hiaat pensioen) komt te vervallen als de arbeidsovereenkomst met een deelnemer eindigt voor het bereiken van de pensioengerechtelijke leeftijd. Hierop geldt als uitzondering dat deze verzekeringen met terugwerkende kracht herleven en premievrij worden voortgezet als een deelnemer tijdens het dienstverband ziek wordt en vervolgens (voor of na het dienstverband) recht krijgt op een WIA-uitkering. Verder biedt de WIA-excedentverzekering bij Nationale Nederlanden dekking na 104 weken van arbeidsongeschiktheid.

Per 1 januari 2026 is de pensioenverzekering bij ASR voor alle andere medewerkers van NRG Pallas van rechtswege overgegaan naar de verplicht gestelde pensioenregeling bij ABP.

[eiser 1] heeft op 24 december 2025 de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst van 9 mei 2025 ingeroepen op grond van wederzijdse dwaling.

3. Het geschil

[eisers] vorderen – samengevat – doorbetaling van loon vanaf 1 januari 2026 en herstel van de pensioen- en verzekeringsregeling(en).

[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de vaststellingsovereenkomst van 9 mei 2025, ontvangt [eiser 1] nu geen 100% doorbetaling van loon meer tijdens het eerste ziektejaar, maar een uitkering op grond van de Ziektewet van minder dan € 5.000,00 bruto per maand. Ook is er geen dekking voor het partnerpensioen en het Anw-hiaatpensioen, tussen de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en de datum waarop [eiser 1] een (vervroegde) WIA-uitkering zal ontvangen. Zou [eiser 1] in deze periode komen te overlijden, dan heeft [eiser 2] geen aanspraak op pensioen. Verder bestaat pas na 104 weken arbeidsongeschiktheid aanspraak op de WIA-excedentverzekering, zodat tot 9 juli 2027 sprake is van een aanzienlijke inkomensachteruitgang. Een vangnet in beide regelingen voor de situatie dat een medewerker uit dienst treedt terwijl hij terminaal ziek is en geen loon of WIA-uitkering heeft, ontbreekt. Als [eiser 1] in mei 2025 had geweten dat hij ongeneeslijk ziek is en welke consequenties een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem zouden hebben, zou hij niet akkoord zijn gegaan met de vaststellingsovereenkomst en zou NRG Pallas dat niet hebben voorgesteld. Volgens [eiser 1] is daarom sprake van wederzijdse dwaling die een vernietiging van de vaststellingsovereenkomst rechtvaardigt.

NRG Pallas voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

NRG Pallas voert het volgende aan. NRG Pallas stelt zich op het standpunt dat deze zaak zich niet leent voor een beoordeling in kort geding. Ook is geen sprake van een rechtsgeldige vernietiging. In de vaststellingsovereenkomst is vernietiging contractueel uitgesloten en voor het aannemen van dwaling in geval van een vaststellingsovereenkomst geldt grote terughoudendheid. Verder is aan de vereisten voor dwaling niet voldaan. NRG Pallas ontkent niet dat [eiser 1] ten tijde van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst al ziek was, maar de ziekte had zich nog niet geopenbaard en [eiser 1] bleef zijn werkzaamheden uitvoeren, waardoor hij nog niet arbeidsongeschikt was. Verder voert NRG Pallas aan dat ook als de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig zou zijn vernietigd, [eiser 1] nog steeds ‘tussen wal en schip’ zou belanden, omdat de pensioenuitvoerders ASR en ABP naar elkaar wijzen. Daarbij kan de periode waarin er geen dekking is voor het partner- en Anw-hiaatpensioen aanzienlijk worden verkleind als [eiser 1] een vervroegde WIA-uitkering aanvraagt, wat NRG Pallas [eiser 1] ook heeft geadviseerd. Ook is de hoogte van het partnerpensioen en de duur van het Anw-hiaatpensioen aanzienlijk lager dan [eisers] stellen en bestaat sowieso aanspraak op de WIA-excedentverzekering.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Waar gaat het om in dit kort geding?

De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of er voldoende reden is om NRG Pallas te veroordelen tot loondoorbetaling en herstel van de pensioen- en verzekeringsregeling(en).

Er is een spoedeisend belang

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij een spoedeisend belang bestaat. Gelet op de door [eisers] gestelde inkomensachteruitgang en het ontbreken van een vangnet in de pensioenregelingen, is dat het geval. De vorderingen zijn gelet daarop naar hun aard spoedeisend.

De beoordeling in kort geding

Voor de door [eisers] gevorderde veroordeling van NRG Pallas in kort geding is alleen plaats is als het voldoende aannemelijk is dat de vorderingen in een gewone procedure (een zogenoemde bodemprocedure) ook zullen worden toegewezen. Daarnaast moeten de belangen van [eisers] bij toewijzing van de vorderingen zwaarder wegen dan de belangen van NRG Pallas bij behoud van de huidige situatie.

De vorderingen van [eiser 2] worden afgewezen

NRG Pallas stelt terecht – en dat is ook niet weersproken – dat [eiser 2] geen partij is bij de arbeidsovereenkomst en de pensioen- en verzekeringsregelingen. Een grondslag voor de vorderingen van [eiser 2] ontbreekt dan ook. Dit leidt tot afwijzing van de door [eiser 2] ingestelde vorderingen.

Er is sprake van wederzijdse dwaling bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst

De kantonrechter komt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling en daarom terecht buitengerechtelijk is vernietigd. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarnaar [eiser 1] heeft verwezen, een grote rol zal spelen. Die uitspraak gaat immers in de kern genomen om een situatie die in grote mate overeenkomsten heeft met deze zaak, en in deze uitspraak is geoordeeld dat het beroep op wederzijdse dwaling slaagt. De kantonrechter verwijst naar de overwegingen in die uitspraak en voegt daar het volgende aan toe.

Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is onder andere vernietigbaar als sprake is van wederzijdse dwaling, tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Bij de beoordeling van een beroep op (wederzijdse) dwaling bij het aangaan van een vaststellingsovereenkomst, geldt als uitgangspunt dat in beginsel geen beroep op dwaling kan worden gedaan over punten waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond. Blijkt echter een misvatting te bestaan ten aanzien van wat partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling wel mogelijk.

Partijen zijn bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ervan uitgegaan dat [eiser 1] gezond en arbeidsgeschikt was. Twee maanden later is bij [eiser 1] een ernstige ziekte vastgesteld en gelet op de aard daarvan moet worden aangenomen dat die ziekte al bestond op het moment dat partijen de vaststellingsovereenkomst sloten. Partijen hebben dus wederzijds gedwaald, in die zin dat zij beide bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst zijn uitgegaan van een onjuiste veronderstelling.

Partijen zijn het erover eens dat als de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk door de vaststellingsovereenkomst is geëindigd, dit meebrengt dat er geen dekking is voor het partnerpensioen en Anw-hiaatpensioen tussen de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en de datum waarop [eiser 1] een (vervroegde) WIA-uitkering ontvangt. Ook brengt dit mee dat [eiser 1] wordt geconfronteerd met een grote inkomensachteruitgang. Over de hoogte van het partnerpensioen en de duur van het Anw-hiaatpensioen bestaat discussie, maar denkbaar is dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ook in dat kader (aanzienlijke) financiële gevolgen heeft voor [eiser 1] en zijn partner. Als de arbeidsovereenkomst zou voortduren, blijven deze gevolgen achterwege.

Partijen zijn het niet eens over de vraag wat er zou zijn gebeurd als van een juiste voorstelling van zaken was uitgegaan. NRG Pallas stelt dat de vaststellingsovereenkomst ook zou zijn gesloten bij een juiste voorstelling van zaken, omdat het alternatief was dat de arbeidsovereenkomst dan via een andere weg zou zijn beëindigd en dit voor [eiser 1] tot een nadeliger uitkomst zou hebben geleid. Die stelling wordt niet gevolgd. NRG Pallas gaat uit van de veronderstelling dat zij de mogelijkheid had gehad om een ontbinding te verkrijgen op de zogenoemde h-grond, ook als partijen hadden geweten van de ziekte van [eiser 1] , en dat [eiser 1] daarom ook in dat geval akkoord was gegaan met de vaststellingsovereenkomst. Die veronderstelling vindt de kantonrechter te speculatief. Het is onzeker dat NRG Pallas in dat geval daadwerkelijk een ontbindingsverzoek had gedaan en het is ook zeer de vraag of het ontbindingsverzoek zou zijn toegewezen. Anders dan NRG Pallas heeft gesteld, kan niet zonder meer worden aangenomen dat zo’n verzoek succes zou hebben gehad, alleen al niet vanwege de mogelijkheid dat het opzegverbod tijdens ziekte of de verplichting tot herplaatsing daaraan in de weg zouden kunnen staan.

Ook is niet waarschijnlijk dat [eiser 1] had ingestemd met de vaststellingsovereenkomst als partijen op de hoogte waren geweest van de ziekte van [eiser 1] . [eiser 1] heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat hij in dat geval het risico zou lopen dat hij zijn recht op een uitkering op grond van de Ziektewet zou verliezen, vanwege het plegen van een benadelingshandeling. Ook de negatieve gevolgen die onder 4.9 zijn beschreven, maken het onwaarschijnlijk dat [eiser 1] zou hebben ingestemd met de vaststellingsovereenkomst.

Het is daarom voldoende aannemelijk dat partijen ook bij een juiste voorstelling van zaken de vaststellingsovereenkomst niet zouden hebben gesloten.

Van een zuiver toekomstige omstandigheid, zoals NRG Pallas stelt, is geen sprake. Immers, aannemelijk is dat [eiser 1] al ernstig ziek was toen hij de vaststellingsovereenkomst sloot. Verder maken de omstandigheden van het geval – net als in eerdergenoemde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam – dat de dwaling niet voor rekening van [eiser 1] behoort te blijven. Daarbij is in het bijzonder van belang de ernstige ziekte waaraan [eiser 1] achteraf blijkt te lijden en de omstandigheid dat die ziekte voor beide partijen niet kenbaar was.

Daarnaast beroept NRG Pallas zich nog op het beding in de vaststellingsovereenkomst op grond waarvan vernietiging van deze overeenkomst contractueel is uitgesloten. Dat beding is echter ook onder invloed van diezelfde dwaling aanvaard, zoals ook is overwogen in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

De conclusie is dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling buitengerechtelijk is vernietigd en dat de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2026 zal voortduren.

De loonvordering wordt toegewezen

Gelet op het voorgaande is de gevorderde loondoorbetaling toewijsbaar, omdat moet worden aangenomen dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. NRG Pallas zal dus worden veroordeeld tot loondoorbetaling, waarbij zal worden bepaald dat NRG Pallas het loon mag verrekenen met de beëindigingsvergoeding van € 75.000,00 bruto, zoals [eisers] hebben gevorderd. Deze vordering zal niet voor onbepaalde tijd worden toegewezen, maar tot 1 januari 2027, waarbij de kantonrechter ervan uitgaat dat partijen voor die tijd in een bodemprocedure een definitief oordeel (kunnen) krijgen over het voortduren van de arbeidsovereenkomst.

Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen staat niet in de weg aan toewijzing van de loonvordering. Vast staat dat [eiser 1] en zijn partner grote belangen hebben bij het voortduren van de arbeidsovereenkomst na 1 januari 2026. Afgezien van de verplichting tot loondoorbetaling is niet gebleken van andere zwaarwegende belangen van NRG Pallas die in de weg staan aan toewijzing van deze vordering. Daarbij komt dat de veroordeling tot loonbetaling ziet op een beperkte periode tot 1 januari 2027 en dat NRG Pallas het loon voor een belangrijk deel kan verrekenen met de beëindigingsvergoeding.

Geen wijziging van de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst

NRG Pallas heeft verzocht om zo nodig slechts de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst te wijzigen ter opheffing van het nadeel als gevolg van de wederzijdse dwaling.Aan dat verzoek wordt voorbij gegaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan het nadeel van [eiser 1] slechts worden opgeheven als de arbeidsovereenkomst (voorlopig) wordt voortgezet.

Bovendien wordt hierna bij de beslissing over de overige vorderingen van [eisers] al voldoende aan de belangen van NRG Pallas tegemoet gekomen.

De vordering tot aanmelding wordt deels toegewezen

De overige vorderingen komen in de kern erop neer dat wordt gevraagd dat NRG Pallas [eiser 1] moet aanmelden bij ASR, Nationale Nederlanden en/of ABP, met de mededeling dat het dienstverband is hersteld. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar, omdat in kort geding alleen een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen en geen definitieve uitspraak kan worden gedaan. Dat betekent dat niet kan worden bepaald dat een mededeling moet worden gedaan dat het dienstverband is hersteld, want dat komt neer op een verklaring voor recht met een definitief karakter.

De kantonrechter kan NRG Pallas wel tot ‘het mindere’ veroordelen, te weten tot een aanmelding bij de pensioenuitvoerders en/of verzekeraars, met de mededeling dat door de kantonrechter in kort geding is geoordeeld dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden bepaald dat het dienstverband voortduurt na 1 januari 2026.

NRG Pallas heeft tegen de gevorderde dwangsom verweer gevoerd en heeft verklaard aan de veroordelingen te zullen voldoen. De kantonrechter heeft geen aanleiding om aan deze toezegging te twijfelen. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van NRG Pallas

NRG Pallas is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

155,67

- griffierecht

93,00

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.185,67

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiser 2] af;

veroordeelt NRG Pallas tot doorbetaling aan [eiser 1] van het op grond van de arbeidsovereenkomst verschuldigde loon en emolumenten (waaronder vakantiegeld en eindejaarsuitkering) vanaf 1 januari 2026 tot 1 januari 2027, met verstrekking van deugdelijke loonstroken, waarbij NRG Pallas de betaalde beëindigingsvergoeding van € 75.000,00 bruto kan verrekenen met de verschuldigde loonbetalingen;

veroordeelt NRG Pallas tot aanmelding van [eiser 1] bij ASR en/of ABP voor wat betreft het ouderdomspensioen, partnerpensioen en de Anw-hiaatregeling, en bij Nationale Nederlanden voor wat betreft de WIA-excedentpolis, met de mededeling dat door de kantonrechter in kort geding is geoordeeld dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden bepaald dat het dienstverband voortduurt na 1 januari 2026, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis;

veroordeelt NRG Pallas in de proceskosten van € 1.185,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NRG Pallas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?