RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummers: C/15/376549 / JU RK 26-548 & C/15/377012 / JU RK 26-606
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (voorlopige) ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Alkmaar,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.J.C. Engels, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 8 april 2026 inzake C/15/376549 / JU RK 26-548 en de daarbij behorende stukken;
het verzoekschrift van 8 april 2026 inzake C/15/377012 / JU RK 26-606 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 mei 2026, en heeft de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
3. De verzoeken
De Raad handhaaft het verzoek inzake C/15/376549 / JU RK 26-548 en verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Daarnaast verzoekt de Raad inzake C/15/377012 / JU RK 26-606 om [de minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van een jaar.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing heeft de Raad – samengevat – het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] is opgegroeid met veel (emotionele) onveiligheid en onrust. Haar relatie met de moeder is verstoord en zij hebben onderling veel ruzies (gehad) waarbij ook verbaal en fysiek geweld is gebruikt. Daarbij is [de minderjarige] vaak weggelopen van huis en lijkt zij onvoldoende op een passende manier te zijn begrensd. [de minderjarige] heeft een band opgebouwd met [een voormalig vriendin van de moeder] , een voormalig vriendin van de moeder. De moeder geeft echter geen toestemming voor contact tussen hen en maakt zich zorgen om de veiligheid van [de minderjarige] wanneer zij bij [een voormalig vriendin van de moeder] is. Het gedwongen kader is nodig omdat het vanwege de terugkerende ruzies tussen [de minderjarige] en de moeder niet lukt om de hulpverlening te laten slagen. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig voor [de minderjarige] . Het is belangrijk dat rust ontstaat, zodat vanuit daar gewerkt kan worden aan het verbeteren van hun onderlinge relatie. Omdat [de minderjarige] het gezag van de moeder op dit moment niet accepteert en naar verwachting tijd nodig is om de patronen tussen [de minderjarige] en de moeder te doorbreken, verzoekt de Raad de maatregelen voor de duur van een jaar.
4. De standpunten
De moeder is het eens met het verzoek. Zij heeft verteld dat zij zich zorgen maakt om [de minderjarige] . De moeder heeft zorgelijke filmpjes gevonden die wijzen op onveiligheid bij [een voormalig vriendin van de moeder] . De moeder heeft het contact tussen [de minderjarige] en [een voormalig vriendin van de moeder] verboden maar [de minderjarige] blijft stiekem naar [een voormalig vriendin van de moeder] gaan, ook na plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De advocaat heeft naar voren gebracht dat sprake is van een ontwikkelingsbedreiging. De moeder is erg verdrietig en weet niet meer wat ze moet doen. Het is nodig dat strakke kaders worden gesteld voor [de minderjarige] en dat gewerkt gaat worden aan het herstellen van het contact en de vertrouwensbreuk tussen hen.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij meer voor [de minderjarige] wil zorgen. Hij maakt zich veel zorgen maakt om de situatie bij [een voormalig vriendin van de moeder] en wil niet dat [de minderjarige] bij haar gezin verblijft. De vader snapt niet dat niet meer kan worden gedaan om [de minderjarige] bij [een voormalig vriendin van de moeder] vandaan te houden.
De GI heeft naar voren gebracht dat er zorgen bestaan over seksuele uitbuiting vanaf het adres van [een voormalig vriendin van de moeder] . De GI staat in contact met de politie en heeft de informatie van de moeder met hen gedeeld. De GI heeft met [een voormalig vriendin van de moeder] gesproken en haar duidelijk gemaakt dat zij [de minderjarige] niet meer mag binnenlaten en haar moet terugsturen naar de groep. [de minderjarige] vindt het echter erg fijn bij [een voormalig vriendin van de moeder] en is daarom boos op de GI.
5. De mening van [de minderjarige]
heeft verteld dat zij geen warme gevoelens meer heeft voor de moeder. Na alles wat er tussen hen is gebeurd, wil zij niet meer bij de moeder wonen. Ook haar band met de vader is verslechterd omdat hij samenwerkt met de moeder. [de minderjarige] voelt zich fijn bij [een voormalig vriendin van de moeder] en wil graag bij haar gezin wonen. [de minderjarige] dacht eerst een goede klik te hebben met de betrokken GI maar heeft nu het gevoel dat zij de kant van de moeder heeft gekozen.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er bestaan ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . Zij heeft al veel meegemaakt in haar leven en veel instabiliteit en onveiligheid ervaren. In de thuissituatie bij de moeder hebben veel ruzies plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de moeder waaronder escalaties met verbaal en fysiek geweld. [de minderjarige] is meermaals weggelopen van huis. Het is de kinderrechter duidelijk dat de band tussen [de minderjarige] en de moeder ernstig en langdurig verstoord is. [de minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter zorgelijke uitspraken gedaan over de moeder en heeft verteld enkel nog negatieve herinneringen aan de moeder te hebben. Zij heeft veel weerstand tegen de moeder opgebouwd, wil haar geen ‘mama’ meer noemen en wil niet meer bij haar wonen. Daarnaast is recent bekend geworden dat de vader niet de biologische vader is van [de minderjarige] . De kinderrechter kan zich voorstellen dat dit een schok is geweest voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft verteld [een voormalig vriendin van de moeder] als moederfiguur te zien en van haar liefde en steun te ontvangen. De ouders, de Raad, de betrokken hulpverlening en de politie hebben echter zorgen geuit over de mogelijkheid van seksuele uitbuiting vanaf het adres van [een voormalig vriendin van de moeder] . [de minderjarige] blijft het contact met [een voormalig vriendin van de moeder] opzoeken, waardoor ernstige zorgen bestaan over de acute veiligheid van [de minderjarige] . Tot slot zijn er zorgen over het gedrag van [de minderjarige] . Zij heeft moeite met autoriteit en vertoont zelfbepalend gedrag, vermoedelijk omdat zij door de moeder onvoldoende op een passende manier is begrensd. Ook bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zoekt zij de grenzen op en loopt zij regelmatig weg naar [een voormalig vriendin van de moeder] .
Vanwege de onderlinge verstandhouding tussen [de minderjarige] en de moeder en omdat hulpverlening in het vrijwillig kader niet tot verbetering heeft geleid, is de betrokkenheid van de GI noodzakelijk. De komende periode moet individuele hulpverlening voor [de minderjarige] en hulpverlening gericht op het contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder ingezet worden. Ook moet er aandacht zijn voor de rol van de vader en het toekomstperspectief van [de minderjarige] . Tot slot moet goed gekeken worden of, en zo ja hoe, [een voormalig vriendin van de moeder] op een veilige manier betrokken kan blijven in het leven van [de minderjarige] .
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. Gezien de ernst van de problematiek stelt de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht voor de verzochte duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Gezien de grote weerstand van [de minderjarige] tegen de moeder is het op dit moment niet mogelijk voor [de minderjarige] om bij de moeder te wonen. [de minderjarige] zit voorlopig op haar plek bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Zij heeft zelf aangegeven niet op de groep, maar bij [een voormalig vriendin van de moeder] te willen wonen. Gezien bovenstaande zorgen is een verblijf bij [een voormalig vriendin van de moeder] niet in het belang van [de minderjarige] . Het is nodig dat onderzocht wordt wat een passende plek is voor [de minderjarige] voor de langere termijn, waarbij ook naar de mogelijkheden van de vader gekeken wordt. De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek inzake C/15/376549 / JU RK 26-548 inzake de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] afwijzen. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen belang meer bij het verzoek tot een machtiging voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
C/15/377012 / JU RK 26-606
stelt [de minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 21 april 2026 tot 21 april 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 april 2026 tot 21 april 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
C/15/376549 / JU RK 26-548
wijst af het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.