ECLI:NL:RBNHO:2026:4651

ECLI:NL:RBNHO:2026:4651

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer C/15/375660 / JU RK 26-424
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De kinderrechter verklaart de schriftelijke aanwijzing vervallen en bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze vervallen verklaarde aanwijzing in stand blijven op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a Awb.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/375660 / JU RK 26-424

Datum uitspraak: 29 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. F. Pool uit Rotterdam,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd in Amsterdam,

[de pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders (tevens grootouders moederszijde),

wonende in [plaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de advocaat van de moeder met bijlagen, ontvangen op 4 maart 2026;

productie 5 van de advocaat van de moeder, ontvangen op 8 april 2026;

de brief van de GI met bijlage, ontvangen op 9 april 2026;

productie 6 van de advocaat van de moeder, ontvangen op 14 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat en bijgestaan door haar begeleider [begeleider] ;

[vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;

- de pleegouders.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

[de minderjarige] verblijft sinds oktober 2023 bij de pleegouders.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 oktober 2023 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Ook is er een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 28 oktober 2025 tot 30 oktober 2026.

De GI heeft op 19 februari 2026 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de moeder en [de minderjarige] beperkt, in die zin dat de omgang de komende drie maanden wordt teruggebracht naar één keer in de twee weken in plaats van wekelijkse omgang. De omgang vindt in eerste instantie bij de moeder thuis plaats. Mocht dit bij [de minderjarige] opnieuw gedragsveranderingen veroorzaken, dan kan worden besloten om de omgang binnen een neutrale setting te laten plaatsvinden. Mocht de moeder in de komende periode opnieuw een omgangsmoment afzeggen of niet (beschikbaar) verschijnen, dan zal de GI besluiten dat de omgang eens per drie weken plaatsvindt bij [organisatie voor jeugdzorg] op kantoor.

De begeleide omgangsmomenten zullen zijn op:

- vrijdag 27 februari (voorjaarsvakantie): de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . De omgangsbegeleider maakt de inschatting of de moeder in staat is om de omgang vorm te geven. Omdat het vakantie is, mag de moeder eventueel van tevoren (minimaal 2 dagen), met de omgangsbegeleider een activiteit afstemmen wat zij met [de minderjarige] wil doen. Om 17:00 uur wordt [de minderjarige] weer opgehaald door haar opa of oma bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] ;

- vrijdag 13 maart: de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . Samen halen zij [de minderjarige] uit school. [de minderjarige] wordt om 17:00 uur opgehaald bij de moeder thuis in [plaats] ;

- vrijdag 27 maart: de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . Samen halen zij [de minderjarige] uit school. [de minderjarige] wordt om 17:00 uur opgehaald bij de moeder thuis in [plaats] ;

- vrijdag 10 april: de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . Samen halen zij [de minderjarige] uit school. [de minderjarige] wordt om 17:00 uur opgehaald bij de moeder thuis in [plaats] ;

- vrijdag 24 april of eventueel een ander moment deze week in verband met de meivakantie: af te stemmen in overleg met de GI en [organisatie voor jeugdzorg] ;

- vrijdag 8 mei: de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . Samen halen zij [de minderjarige] uit school. [de minderjarige] wordt om 17:00 uur opgehaald bij de moeder thuis in [plaats] ;

- vrijdag 22 mei: de moeder en de omgangsbegeleider spreken om 13:30 uur af bij [organisatie voor jeugdzorg] in [plaats] . Samen halen zij [de minderjarige] uit school. [de minderjarige] wordt om 17:00 uur opgehaald bij de moeder thuis in [plaats] .

Deze regeling geldt voor de periode van 20 februari tot en met 22 mei. Tussendoor en na afloop zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd.

3. Het verzoek

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de moeder – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft op 17 februari jl. een whatsappbericht ontvangen waarin de GI een voornemen tot het geven van een schriftelijke aanwijzing kenbaar heeft gemaakt, waarbij direct is besloten wat dit betekent voor de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] . Dit bericht valt niet aan te merken als zijnde een vooraankondiging en de moeder is niet in de gelegenheid gesteld om haar visie kenbaar te maken. Voordat het besluit van de GI in werking treedt, dient de moeder voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken, wat de bedoeling van een vooraankondiging is. Dit, omdat op die manier alle belangen door de GI kunnen worden afgewogen, en vervolgens inzichtelijk kan worden gemaakt in de motivering van de schriftelijke aanwijzing. De totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing is onzorgvuldig, met een bericht via WhatsApp op 17 februari, het besluit op 19 februari en dan een gesprek op 20 februari. Er is nu geen sprake geweest van een zorgvuldige voorbereiding en haar belang is onvoldoende meegewogen. De moeder acht het ook van belang te benadrukken dat de aangepaste omgangsregeling aanvangt op vrijdag 27 februari 2026. Dit valt echter binnen de termijn voor het indienen van een verzoek tot het geheel dan wel gedeeltelijk vervallen laten verklaren van de schriftelijke aanwijzing. Hierdoor is er geen sprake van een zorgvuldige voorbereiding, omdat het besluit van de GI al aanvangt, voordat de moeder een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank heeft kunnen indienen.Daarnaast is de aanwijzing niet deugdelijk gemotiveerd. De moeder deelt de zorgen van de GI ten aanzien van haar persoonlijke situatie alsmede de zorgen omtrent (alcohol)gebruik niet. De moeder staat open voor gebruikstesten. Het is aan de GI om te borgen dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] veilig is en dat als er zorgen zijn, die worden ondervangen. Het is gebruikelijk dat er nadere voorwaarden worden verbonden ter controle. De moeder betwist de juistheid van het standpunt van de GI en stelt dat het besluit van de GI niet slechts kan worden gebaseerd op enkel gedeelde vermoedens zonder nader onderzoek. Ook betwist de moeder de juistheid van de redenering dat de omgang wordt beperkt om [de minderjarige] te beschermen, nu de GI ziet dat [de minderjarige] geniet van de omgangsmomenten en teleurgesteld is wanneer de omgang niet doorgaat. De moeder merkt in het kader van subsidiariteit op dat de GI niet heeft gemotiveerd waarom begeleiding onder aanvullende voorwaarden onvoldoende zou zijn, alsmede waarom een tijdelijke evaluatie zonder structurele frequentievermindering niet mogelijk is. De GI voert ook aan dat indien de moeder in de komende drie weken een omgangsmoment afzegt of niet verschijnt, de GI zal besluiten dat de omgang ééns per drie weken plaatsvindt bij [organisatie voor jeugdzorg] op kantoor. Dit is niet noodzakelijk en absoluut niet in het belang van zowel de moeder als [de minderjarige] . Ook stelt de moeder dat hiermee vooruitlopend wordt beslist zonder concrete toekomstige feiten, alsmede dat geen ruimte wordt gelaten voor een beoordeling van de reden van eventuele verhindering of een toezegging wordt gedaan voor een individuele belangenafweging per situatie. Een dergelijke automatische sanctie-constructie is strijd in met het motiveringsbeginsel. Tot slot, doordat de moeder niet in de gelegenheid is gesteld door de GI haar zienswijze kenbaar te maken, is het belang van de moeder onvoldoende meegewogen in de beslissing van de GI. De GI dient zich zoveel mogelijk in te spannen om de familieband zoveel mogelijk in stand te laten. Vorenstaande leidt ertoe dat het te voorbarig is om de huidige omgangsregeling te beperken waarmee afbreuk wordt gedaan aan de hechtingsrelatie tussen de moeder en [de minderjarige] en geen rekening wordt gehouden met het belang van [de minderjarige] bij continuïteit van het contact met de moeder. De moeder acht het dan ook van belang dat de huidige omgangsregeling in stand blijft, inhoudende dat de moeder eenmaal per week op vrijdag van 14.00 tot 17.00 uur omgang heeft met [de minderjarige] . Ook eerdergenoemde automatische sanctie-constructie geeft blijk van een onvoldoende kenbare en concrete belangenafweging door de GI. Er wordt niet gekeken naar wat de reden is van een eventuele afzegging door de moeder, dan wel onderzocht wat op dat moment in het belang van [de minderjarige] is.

Concluderend voldoet het besluit niet aan de formele alsmede de materiële algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Tevens zijn de belangen niet, althans onvoldoende, afgewogen.

4. Het verweer van de GI

De moeder heeft tot eind januari 2026 in het Safehouse verbleven. De GI vindt het knap van de moeder dat zij gedurende haar verblijf aldaar bij alle omgangsmomenten met [de minderjarige] aanwezig is geweest. De moeder is in januari 2026 positief getest, waarna zij een time-out heeft gekregen van het Safehouse. In dezelfde periode ontstonden er spanningen tussen de moeder en medebewoners, omdat zij vermoedens hadden dat de moeder wederom in gebruik was. De moeder heeft toen besloten om niet terug te keren naar het Safehouse en sindsdien verblijft zij weer in haar eigen woning. De omgang met [de minderjarige] is vervolgens twee keer in een periode van drie weken onverwachts niet doorgegaan, hetgeen heel belastend is voor [de minderjarige] . Het is voor [de minderjarige] heel intens en verdrietig wanneer de omgang niet doorgaat. Gezien wordt dat [de minderjarige] het daaropvolgende omgangsmoment heel terughoudend reageert op de moeder. De omgangsbegeleider heeft tijdens een omgangsmoment in februari besloten dat de omgang niet kon doorgaan, omdat er vermoedens waren dat de moeder onder invloed was. Eén van de afspraken is dat de omgang geen doorgang vindt indien wordt getwijfeld of de moeder al dan niet onder invloed is. Deze afspraak is met de moeder zelf gemaakt. De moeder geeft aan dat zij getest mag worden, maar dat is niet een taak van de GI. De moeder moet zelf verantwoordelijkheid nemen met betrekking tot haar herstel. De GI komt op voor het belang van [de minderjarige] . Daarom is deze schriftelijke aanwijzing gegeven. Na drie maanden zal worden bekeken hoe de omgang verloopt en hoe [de minderjarige] dit ervaart. In de schriftelijke aanwijzing zijn slechts de begeleide omgangsmomenten vastgelegd. De moeder mag op speciale momenten, zoals op haar verjaardag, ook met [de minderjarige] zijn. Verder is het een fout van de GI geweest om de vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing niet op schrift te stellen. De jeugdbeschermer heeft geprobeerd de moeder te bellen, maar zij kreeg geen gehoor. Vervolgens heeft de jeugdbeschermer het bericht alvast naar de moeder verzonden. De GI wist dat de moeder het niet eens was met de schriftelijke aanwijzing. Met betrekking tot het terugschroeven van de omgang naar één keer in de drie weken op het moment dat de moeder een omgangsmoment afzegt of niet verschijnt geeft de GI aan dat het hierbij gaat om het plotseling niet verschijnen bij een omgangsmoment. De GI begrijpt dat hierop gereageerd wordt en dat had meer moeten worden toegelicht. [de minderjarige] moet voor onverwachte momenten in bescherming worden genomen. Het is in het verleden voorgekomen dat de moeder een paar weken helemaal niet bereikbaar was voor [de minderjarige] . Zolang er geen inzicht is in het herstel van de moeder, zal er geen sprake zijn van onbegeleide omgang of uitbreiding daarvan.

5. De standpunt van de pleegouders

De pleegouders hebben – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Op dit moment verloopt de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder goed, maar er zijn recentelijk perioden geweest waarin dit minder goed verliep. De omgang is twee keer niet doorgegaan. [de minderjarige] is er kapot van als de omgang met de moeder niet doorgaat. Op die momenten wordt ook een terugval bij [de minderjarige] geconstateerd. [de minderjarige] wil dan weer tussen de pleegouders in slapen. De omgangsbegeleider heeft de tweede keer terecht besloten dat het niet verantwoord was om [de minderjarige] met de moeder te laten meegaan. De pleegmoeder denkt niet dat de moeder helemaal clean is. De pleegmoeder ziet dit op diverse momenten aan het gedrag en het uiterlijk van de moeder.

6. De beoordeling

Op grond van artikel 1:265f, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige, voor de duur van die uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Krachtens het tweede lid van dit artikel geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter kan de schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:264 BW op verzoek van een of beide ouders geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

In de eerste plaats beoordeelt de kinderrechter de ontvankelijkheid van het verzoek van de moeder. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. Deze termijn liep in dit geval tot 6 maart 2026, nu de schriftelijke aanwijzing op 19 februari 2026 is verzonden. Het verzoek is op 4 maart 2026 door de rechtbank ontvangen en de kinderrechter acht de moeder dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

De kinderrechter dient bij een verzoek tot vervallenverklaring te beoordelen of het besluit van de GI, dat op grond van artikel 1:263 BW dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. De vraag moet beantwoord worden of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. Hierbij dienen de omstandigheden ten tijde van de beslissing te worden meegenomen, maar kan ook rekening worden gehouden met eventuele gewijzigde omstandigheden. De kinderrechter kan de aanwijzing slechts marginaal toetsen, waarbij moet worden bedacht dat aan de GI een zekere beleidsvrijheid toekomt. De kinderrechter dient, gegeven de taak van de GI, te bezien of er voldoende grond is om de schriftelijke aanwijzing op te leggen. Bij de beoordeling door de kinderrechter moet verder in aanmerking worden genomen dat beperking van de omgang tussen een ouder en een kind een ingrijpende beslissing is. Dit betekent dat een dergelijke beperking moet zijn ingegeven door concrete omstandigheden en in het belang van het kind moet zijn.

De kinderrechter overweegt dat de schriftelijke aanwijzing voldoende is gemotiveerd en dat de motivering het besluit ook kan dragen. De aangepaste frequentie is ingegeven door de belasting die [de minderjarige] ervaart op de momenten dat de omgang plotseling niet kan plaatsvinden. De GI wenst [de minderjarige] te beschermen tegen herhaaldelijke teleurstellingen. De kinderrechter acht voldoende onderbouwd, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, dat het afzeggen van de contactmomenten met [de minderjarige] te belastend is voor [de minderjarige] . De kinderrechter ziet verder geen ondeugdelijke belangenafweging in de schriftelijke aanwijzing. De GI stelt dat de visie van de moeder over het terugschroeven van de omgang bekend was, maar dat zij een fout hebben gemaakt in de procedure van de schriftelijke aanwijzing. De algemene strekking van de visie van de moeder, namelijk dat zij het niet eens is met de beslissing en dat zij wel clean zou zijn, is betrokken in de besluitvorming.

Aan de formele vereisten van het geven van een schriftelijke aanwijzing worden echter hoge eisen gesteld. Bij het niet goed uitvoeren van de formele vereisten bestaat het risico dat niet is voldaan aan de beginselen van een zorgvuldige voorbereiding. Een zorgvuldige voorbereiding houdt onder meer in dat de moeder de gelegenheid moet krijgen om haar zienswijze naar voren te brengen, alvorens het definitieve besluit wordt genomen. Voor de schriftelijke aanwijzing van 19 februari jl. geldt dat de lagere frequentie vooraf niet expliciet met de moeder is besproken en dat evenmin schriftelijk de mogelijkheid voor de moeder om haar visie kenbaar te maken is aangekondigd. Er is wel een whatsappbericht verstuurd naar de moeder op 17 februari jl., maar dit bericht heeft een overwegend definitief karakter en is onvoldoende om als vooraankondiging te gelden. Vervolgens wordt op 19 februari 2026 de schriftelijke aanwijzing verzonden, waarin wordt opgemerkt dat een dag later – op 20 februari 2026 – het voornemen om deze beslissing te nemen en de inhoud met de moeder is besproken. De reactie van de moeder is dat zij het niet eens is met de beslissing en geen drugs en/of alcohol gebruikt. De kinderrechter ziet dat de procedure omtrent het vaststellen van een schriftelijke aanwijzing niet goed is gegaan, hetgeen de GI erkent. De kinderrechter houdt er daarbij rekening mee dat er sprake was van een zekere mate van spoedeisendheid, gezien de berichtgeving vanuit de omgeving van de moeder over een mogelijke terugval, waarbij ook de omgangsbegeleider zelf het niet verantwoordelijk vond om [de minderjarige] aan de moeder mee te geven, en dat de omgang met [de minderjarige] in een zeer korte periode diverse malen is afgezegd. Het afzeggen van deze omgangsmomenten heeft een aanzienlijke impact op [de minderjarige] . De GI moest in die omstandigheden adequaat en voortvarend een besluit nemen over de veiligheid en de doorgang van de bestaande omgangsmomenten. Dit brengt echter niet met zich mee dat de GI de moeder niet alsnog de gelegenheid moest bieden om haar zienswijze kenbaar te maken. Namens de moeder is in dat verband terecht aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen nu niet is voldaan aan de beginselen van een zorgvuldige voorbereiding. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 19 februari 2026 vervallen verklaren nu deze niet voldoet aan de gestelde formele vereisten.

Nu de toetsing van de aanwijzing in een bestuursrechtelijk kader plaatsvindt, acht de kinderrechter ook artikel 8:72 Awb van toepassing. Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a Awb kan de rechter bepalen dat de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit, in dit geval een vervallen verklaarde schriftelijke aanwijzing, geheel of gedeeltelijk in stand blijven. De kinderrechter acht zich hiertoe eens te meer bevoegd nu zij op grond van artikel 1:265f, tweede lid BW zelf ook een contactregeling kan vaststellen.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat er vanuit verschillende bronnen zorgen zijn over een mogelijke terugval in (alcohol)gebruik bij de moeder. De omgang is in een korte periode twee keer onverwachts niet doorgegaan en [de minderjarige] heeft hier veel last van. Daarbij spreekt de pleegmoeder van een terugval bij [de minderjarige] op de momenten dat de omgang wordt afgezegd. De kinderrechter acht het van belang dat de omgang wordt vormgegeven op een wijze die voor [de minderjarige] het meest prettig en voorspelbaar is. Daarbij neemt de kinderrechter ook in overweging dat zij de schriftelijke aanwijzing wel gemotiveerd vindt, waarbij er sprake is geweest van een voldoende, concrete belangenafweging. Gelet op deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat de rechtsgevolgen van de aanwijzing in stand moeten blijven. Redengevend hiervoor is dat de omgangsregeling zoals vastgelegd in de aanwijzing inhoudelijk in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. Niet ter discussie staat dat de moeder goed met [de minderjarige] kan omgaan, maar gelet op de situatie van de moeder en zorgen om het gebruik van de moeder is de kinderrechter van oordeel dat de rechtsgevolgen van de schriftelijke aanwijzing in het belang van [de minderjarige] in stand dienen te blijven. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI, als de moeder een langere periode betrouwbaar is gebleken in het nakomen van de omgangsafspraken en voldoende stabiel is, blijft onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor wat betreft het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Hierbij staat het belang van [de minderjarige] te allen tijde voorop.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 19 februari 2026 vervallen;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze vervallen verklaarde aanwijzing in stand blijven.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.V. Loeve, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. R.M. Bergmans als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. Bergmans als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand