RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-247615-25 (P)
Uitspraakdatum: 30 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2026 in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 31 juli 2025 betrokken is geweest bij de uitvoer van een koffer met de harddrug 4-CMC (feit 1) en dat hij op 21 oktober 2025 grote hoeveelheden heroïne, cocaïne en amfetamine in een huis in Amsterdam aanwezig heeft gehad (feit 2). De volledige tenlastelegging luidt dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-Chloormethcathione (4-CMC), zijnde 4-Chloormethcathione (4-CMC) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair hij op of omstreeks de periode van 30 juli 2025 tot en met 31 juli 2025 te Amsterdam en/of Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten 4-Chloormethcathinone (4-CMC)- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door / te weten- (telefonisch) contact te onderhouden, instructies en/of updates te geven en/of door te sturen aan zijn, verdachtes, mededader(s) en/of - opdracht te geven aan medeverdachte om zich als een ander voor te doen en/of - hierbij afspraken te maken aangaande de overdracht van de rolkoffer (inhoudende bovengenoemde verdovende middelen) met zijn, verdachtes, mededader(s) en/of- zijn, verdachtes, mededader uit te nodigen en/of vervolgens te ontmoeten op de [adres 2] in Amsterdam (alwaar verdachte verbleef) en/of- vervolgens het kamernummer van het hotel waar zijn, verdachtes, mededader verbleef en voornoemde rolkoffer overhandigd heeft gekregen (telefonisch) door te sturen;
feit 2 hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kunnen beide ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor beide feiten.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, zodat het primair tenlastegelegde medeplegen niet kan worden bewezen. De verdachte heeft enkel berichten doorgestuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] , zonder te weten waar deze berichten betrekking op hadden. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte had moeten weten dat er verdovende middelen zouden worden uitgevoerd.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet wist of had moeten weten dat er verdovende middelen in de woning aanwezig waren.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair In de koffer die in de taxi met medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen bleek een hoeveelheid drugs te zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat deze koffer naar het buitenland zou gaan of dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de koffer bestemd was voor het buitenland. Het dossier bevat daarom onvoldoende aanknopingspunten voor de (voorwaardelijke) opzet van de verdachte op die bestemming. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage van dit vonnis staan.
Nadere bewijsoverwegingen
Feit 1 subsidiair
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 31 juli 2025 in het Joy Hotel in Amsterdam een koffer overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 2] . Kort hierna is [medeverdachte 2] aangehouden en bleek in de koffer 3.970,6 gram 4-CMC, een harddrug, te zitten.
De avond hiervoor, op 30 juli 2025, hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] telefonisch berichten uitgewisseld. De verdachte stuurt om 21:09 uur het (Amsterdamse) adres [adres 2] naar [medeverdachte 1] , waarna [medeverdachte 1] twee minuten later ‘Am there’ stuurt. Omstreeks 21:44 uur checkt [medeverdachte 1] in in het Joy Hotel in Amsterdam. Om 23:34 uur stuurt de verdachte twee berichten aan [medeverdachte 1] met ‘101’ en ‘room’. [medeverdachte 2] verblijft in kamer 101 in het Joy Hotel.
Op 31 juli 2025 stuurt de verdachte om 8:56 uur een bericht aan [medeverdachte 1] door, waarin staat dat [medeverdachte 1] zich ‘Chris’ moet noemen en moet zeggen dat hij werkt bij het fondsuitgiftecentrum in Amsterdam. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben op 31 juli 2025 tussen 11:05 uur en 11:34 uur veelvuldig telefonisch contact, waarbij zij beiden elkaar bellen. Diezelfde dag om 11:23 uur ontmoet [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] in het hotel en overhandigt hij hem een koffer, enkele formulieren en een geldbedrag. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij de koffer, formulieren en het geldbedrag heeft ontvangen van ene ‘Chris’.
Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte een coördinerende rol heeft vervuld bij de overdracht van de koffer, waarin de 4-CMC is aangetroffen. De verdachte stuurde [medeverdachte 1] immers instructies voor en stond in direct contact met [medeverdachte 1] ten tijde van de ontmoeting waarbij [medeverdachte 1] de koffer aan [medeverdachte 2] heeft overgedragen. De rechtbank kwalificeert dit als een nauwe en bewuste samenwerking waarin de verdachte een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van het afleveren en vervoeren van de 4-CMC.
Voorts leidt de rechtbank uit bovenstaande vaststellingen af dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het afleveren en vervoeren van de harddrugs die in de koffer zat. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de berichten aan [medeverdachte 1] enkel heeft doorgestuurd, dat hij niets afwist van de inhoud van deze berichten, een koffer of de drugs in die koffer en dat hij op 31 juli 2025 wel is gebeld maar niet kon opnemen schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte rond het tijdstip waarop [medeverdachte 1] de koffer overdraagt aan [medeverdachte 2] meermaals gedurende enkele minuten belt met [medeverdachte 1] .
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de verdachte medepleger betrokken was bij de voorbereiding of bevordering van het opzettelijk afleveren en vervoeren van 4-CMC.
Feit 2
Op 21 oktober 2025 is in de woning waar de verdachte op dat moment verbleef, op de [adres 2] in Amsterdam, ruim 18,5 kilo cocaïne en heroïne aangetroffen. Het door de verdachte en zijn raadsman gevoerde verweer dat de verdachte slechts af en toe in de woning was en geen wetenschap had van de verdovende middelen wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, omdat uit het dossier niet ondubbelzinnig blijkt dat een van de aangetroffen stoffen daadwerkelijk amfetamine bevatte.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1
subsidiair hij in de periode van 30 juli 2025 tot en met 31 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten- het opzettelijk afleveren en vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 4-Chloormethcathinone (4-CMC)- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen door - telefonisch contact te onderhouden, instructies en/of updates te geven en/of door te sturen aan zijn, verdachtes, mededader en- opdracht te geven aan medeverdachte om zich als een ander voor te doen en - hierbij afspraken te maken aangaande de overdracht van de rolkoffer (inhoudende bovengenoemde verdovende middelen) met zijn, verdachtes, mededader en- vervolgens het kamernummer van het hotel waar zijn, verdachtes, mededader verbleef telefonisch door te sturen;
feit 2 hij op 21 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de door deze rechtbank gehanteerde uitgangspunten voor de bestraffing van drugskoeriers.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het afleveren en vervoeren van de harddrug 4-CMC. De verdachte heeft een coördinerende rol gehad bij het overdragen van een koffer met daarin bijna vier kilogram
4-CMC door medeverdachte [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] .
De verdachte heeft daarnaast ruim 18,5 kilo cocaïne en heroïne aanwezig gehad. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid en de manier waarop deze harddrugs waren verpakt, neemt de rechtbank aan dat de drugs bestemd waren voor de handel.
De verspreiding van en handel in drugs gaat gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waaronder levensdelicten. Cocaïne, heroïne en 4-CMC zijn bovendien sterk verslavend en het gebruik ervan kan ernstige gevolgen hebben voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de gebruikers. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze gevolgen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van de verdachte van 19 december 2025, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarnaast rekening gehouden met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, valt de opgelegde straf lager uit dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden passend en geboden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Beslag
De officier van justitie heeft een beslaglijst overlegd met daarop 46 goederen. De officier van justitie heeft verzocht om de goederen genummerd 1 (geld), 2 (simkaart), 6 (administratie), 11 (computer) en 12 (drie telefoondoosjes) te retourneren aan de beslagene, goed nummer 9 (telefoon) verbeurd te verklaren en de overige goederen te onttrekken aan het verkeer.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Retour beslagene
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten geld, een simkaart, administratie, een computer en een doos moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon verbeurd moet worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van deze telefoon.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven verdovende middelen en verpakkingsmateriaal moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen tot het begaan van het onder 2 bewezen verklaarde feit zijn bestemd en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
Verklaart verbeurd:
1STK GSM (Voorwerpnummer 27BAD250013_8).
Onttrekt aan het verkeer:
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H. Bakker, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.