ECLI:NL:RBNHO:2026:4685

ECLI:NL:RBNHO:2026:4685

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 15-392909-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn drie (stief)dochters, waarbij ook sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam. Schakelbewijs. Gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Deels toewijzen vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-392909-24 (P)

Uitspraakdatum: 30 april 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[detentieadres] ,

aldaar gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. R.H.I. van Dongen, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt er, kort samengevat, van beschuldigd dat hij gedurende meerdere jaren ontuchtige handelingen heeft gepleegd met/bij zijn drie (destijds) minderjarige stiefdochters. De ontuchtige handelingen vonden plaats in de woning van zijn toenmalige partner (en moeder van de drie meisjes) in Buitenkaag, waarbij de verdachte onder meer hun borsten en billen heeft betast en met zijn vingers hun vagina is binnengedrongen.

De volledige tekst van de tenlastelegging luidt als volgt:

feit 1 primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2019 tot en met 23 mei 2021 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte (telkens):-zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of-met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of betast;

subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2019 tot en met 23 mei 2021 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of betast;

feit 2 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 mei 2021 tot en met 23 mei 2023, te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, doordat hij:-zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en/of-met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of betast;

feit 3

primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 februari 2021 tot en met 7 februari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte (telkens):-zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht en/of-zijn tong in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht en/of-met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of betast en/of-met zijn penis de vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 2] aangeraakt;

subsidiair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 februari 2021 tot en met 7 februari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2008, die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte:-met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of betast en/of-met zijn penis de vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of betast;

feit 4 primair

hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 1 januari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,(telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten:- het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en/of- het aanraken met zijn hand(en) en/of vinger(s)van de borsten en/of billen en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 3] ;

subsidiair hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aanraken met zijn hand(en) en/of vinger(s)van de borsten en/of billen en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 3] ;

feit 5 primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2024 tot en met 1 april 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft verdachte (telkens):-zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of -met zijn hand(en) en/of vinger(s) de borsten en/of billen en/of vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of betast;

subsidiair hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 2 januari 2024 tot en met 1 april 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het aanraken met zijn hand(en) en/of vinger(s)van de borsten en/of billen en/of vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer 3] .

In dit vonnis zal de rechtbank [slachtoffer 1] aanduiden als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] als [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als [slachtoffer 3] .

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 primair ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Op het standpunt van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 4 primair en feit 5 primair op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

Juridisch kader

Bij het beantwoorden van de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, heeft de rechtbank het volgende voorop gesteld.

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het vaak om het woord van het slachtoffer tegen het woord van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaringen van de drie slachtoffers staan tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte.

Bewijsminimum

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend baseren op de verklaring van één getuige. De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs. Daar staat tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate van steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. In de jurisprudentie zijn hiervoor enige regels geformuleerd. Zo moet steunbewijs voldoende steun geven aan de verklaring van de getuige/aangeefster. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de getuige/aangeefster. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, zoals bijvoorbeeld de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet de verweten seksuele handelingen bevestigen, binnen de context van gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis te kunnen spelen als steunbewijs. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking moet hebben op de ten laste gelegde seksuele handelingen. Eveneens is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.

Schakelbewijs

Als er geen direct steunbewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, dan kunnen de feiten met zogenoemd schakelbewijs toch bewezen worden. Schakelbewijs is een bewijsconstructie waarbij de verklaring van het slachtoffer over het ene feit als steunbewijs wordt gebruikt voor een ander vergelijkbaar feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Voor de bewijsvoering van dat andere feit wordt dan dus mede redengevend geacht dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten is betrokken.

Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verschillende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomen of kenmerkende gelijkenissen vertonen.

Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of een verklaring voldoende wordt ondersteund door ander bewijs, gaat de rechtbank eerst na of de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn en daarmee bruikbaar voor het bewijs.

Betrouwbaarheid verklaringen slachtoffers

[slachtoffer 1] heeft op 19 september 2024, na een informatief gesprek met zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft misbruikt in de periode dat zij veertien tot zeventien jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de aangeefster consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, die de verdachte met haar heeft gepleegd. Zij benoemt enkele concrete gebeurtenissen en vermeldt details met betrekking tot de plaats en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden.

[slachtoffer 2] heeft op 27 augustus 2024, na een informatief gesprek met zedenrechercheurs, aangifte gedaan van seksueel misbruik. Zij heeft verklaard dat het misbruik begon in groep 8 en eindigde rond 14 april 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook deze aangeefster consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, die de verdachte met haar heeft gepleegd. Daarnaast komt de verklaring van [slachtoffer 2] authentiek op de rechtbank over, omdat [slachtoffer 2] ook aangeeft dat bepaalde dingen niet zijn gebeurd (zoals het niet (willen) aftrekken van de verdachte). Verder benoemt zij concrete gebeurtenissen en vermeldt details met betrekking tot de plaats en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden. Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] draagt bij dat andere personen (getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] ) hebben verklaard dat [slachtoffer 2] hen heeft verteld dat de verdachte haar op een seksuele manier aanraakte en dat ze haar daarover verdrietig zagen.

[slachtoffer 3] heeft op 8 oktober 2024 een getuigenverklaring afgelegd, nadat een medewerker van Veilig Thuis namens haar aangifte had gedaan van seksueel misbruik. Zij heeft verklaard dat het misbruik begon toen zij negen jaar was en eindigde rond april 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook [slachtoffer 3] consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, die de verdachte met haar heeft gepleegd. Zij benoemt concrete gebeurtenissen en vermeldt details met betrekking tot de plaats en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden. De rechtbank weegt ook mee dat [slachtoffer 3] spontaan tegen haar juf op school over het misbruik is begonnen. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van haar verklaring. Daarnaast draagt aan die betrouwbaarheid bij dat door getuigen [getuige 3] en [getuige 4] is waargenomen dat [slachtoffer 3] emotioneel was toen zij over het misbruik vertelde. Zo heeft [getuige 3] verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 3] wiebelig op haar stoel zat, zat te frunniken en moest huilen. [getuige 4] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 3] heel erg verdrietig zag. Bovendien bevestigt [getuige 4] de verklaring van [slachtoffer 3] dat zij tijdens een weekend weg naar Slagharen in het najaar van 2023 in het zwembad tegen hem voor het eerst over het misbruik is begonnen.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en dat de rechtbank die verklaringen voor de feiten waarop zij betrekking hebben, tot uitgangspunt neemt.

De rechtbank overweegt verder dat, in tegenstelling tot wat de verdediging naar voren heeft gebracht, het dossier geen concrete aanwijzingen bevat dat de verklaringen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ieder afzonderlijk hebben afgelegd, zijn beïnvloed door informatie waarvan zij in de tussenliggende periode (over en weer) kennis hebben genomen en dat de verklaringen daarom niet betrouwbaar zouden zijn. Ook is de rechtbank niet gebleken dat [slachtoffer 1] een sturende of regisserende rol heeft gehad in de aangiftes afgelegd door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Ook door de verdediging in de pleitnota genoemde inconsistenties in de verklaringen van de slachtoffers, zoals bijvoorbeeld verschillen tussen de aangifte en het proces-verbaal van het informatieve gesprek of het niet juist plaatsen van bepaalde gebeurtenissen in de tijd door slachtoffers, zijn naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikt belang. De rechtbank gaat daaraan voorbij, omdat deze gezien de zeer beperkte betekenis en relevantie geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op wezenlijke onderdelen.

Steunbewijs

Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betrouwbaar zijn, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De verdachte heeft verklaard dat hij de moeder van de slachtoffers (hierna: [naam 1] ) in 2019 leerde kennen en dat zij vanaf 2022 een relatie kregen. Vanaf dat moment bleef verdachte ook slapen in de woning in Buitenkaag waar de slachtoffers woonden. In 2023 is hij ingetrokken bij [naam 1] en de slachtoffers. Ook heeft hij verklaard dat hij in de nachtelijke uren met regelmaat alleen met de slachtoffers in de woning was, omdat [naam 1] nachtdiensten draaide. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze verklaring van de verdachte in zoverre steun voor de door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afgelegde verklaringen, dat hij bevestigt dat hij met regelmaat alleen met hen in de woning was en zij hebben verklaard dat juist op die momenten dat hun moeder nachtdiensten ging werken, het misbruik plaatsvond.

Feit 1 primair en feit 2 ( [slachtoffer 1] )

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige 5] , de tante van aangeefster. Zij bevestigt de verklaring van [slachtoffer 1] over een incident tussen [slachtoffer 1] en de verdachte tijdens een vakantie in de Ardennen (volgens [slachtoffer 1] in mei 2023). [getuige 5] verklaart dat zij zag dat [slachtoffer 1] op enig moment vanuit het zwembad in haar badpak terugliep naar haar tent met een handdoek om haar middel en daarbij eerst langs de tent van haar tante liep. Toen ze doorliep naar de tent van haar moeder en de verdachte zou de verdachte, die voor de tent zat tegen [slachtoffer 1] gezegd hebben: “Oh daar laat je je tieten wel zien, maar hier zit ik tegen een handdoek aan te kijken!”. De verdachte heeft ontkend dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Hoewel het gaat om een incident dat niet direct betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [getuige 5] daarvoor als steunbewijs heeft te gelden. Het gaat immers om een opmerking die de verdachte heeft gemaakt, met een duidelijk seksuele connotatie, die bovendien blijk geeft van een bepaalde (ongezonde) kijk van de verdachte op de fysiek en de seksualiteit van zijn stiefdochter. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte ontkent dat dit incident heeft plaatsgevonden terwijl zowel [slachtoffer 1] als [getuige 5] hierover, onafhankelijk van elkaar, volstrekt gelijkluidend hebben verklaard.

Feit 4 primair en feit 5 primair ( [slachtoffer 3] )

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] voldoende steun vindt in de verklaringen van [slachtoffer 2] en de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] . [slachtoffer 2] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op enig moment zag dat de hand van de verdachte in de broek van [slachtoffer 3] zat. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een kindgesprek met [slachtoffer 3] voerde vanuit zijn werk bij Veilig Thuis, waarbij [slachtoffer 3] vertelde over het misbruik door de verdachte en wiebelig op haar stoel zat en aan het frunniken was. Ook was zij aan het huilen, volgens getuige [getuige 3] , en gaf [slachtoffer 3] meermaals aan dat ze het erg vond dat ze moest huilen en dat het maar niet stopte. Verder heeft de getuige [getuige 4] verteld dat [slachtoffer 3] tijdens een vakantie naar Slagharen heel verdrietig was. Zij vertelde toen aan deze getuige dat de verdachte haar aanraakte en probeerde te zoenen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de eigen waarnemingen van deze getuigen over de gemoedstoestand van [slachtoffer 3] voldoende objectief en houden zij verband met de ten laste gelegde gedragingen. Daarbij is van belang dat [getuige 4] emoties bij [slachtoffer 3] heeft waargenomen in de periode dat het misbruik door de verdachte volgens [slachtoffer 3] nog plaatsvond. De waarnemingen van [getuige 3] dateren van half juli 2024, en dus enkele maanden nadat het misbruik volgens [slachtoffer 3] voor het laatst zou hebben plaatsgevonden. Ondanks dit tijdsverloop vindt de rechtbank zijn waarnemingen voldoende objectief, mede gelet op wat hij daarover heeft verklaard, om deze als steunbewijs te bezigen.

Feit 3 primair ( [slachtoffer 2] )

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voor de verklaring van [slachtoffer 2] niet direct steunbewijs in de vorm van waarnemingen of verklaringen van getuigen bevat.

De rechtbank stelt echter wel vast dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afzonderlijk van elkaar verklaringen hebben afgelegd die op enkele onderdelen belangrijke overeenkomsten vertonen. Zo hebben zij alle drie verklaard dat het misbruik plaatsvond in de woning waar zij met hun moeder woonden, waarbij de seksueel verdergaande handelingen in hun slaapkamer of op de bank in de woonkamer gebeurden. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben verklaard dat het misbruik veelal plaatsvond in de nachten dat [naam 1] aan het werk was. [slachtoffer 1] woonde op het moment dat [naam 1] nachtdiensten werkte niet meer thuis. Daarnaast volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dat het misbruik zich in ernst opbouwde; het begon met het aanraken van de borsten en billen tijdens het stoeien of in het voorbijgaan en ontwikkelde zich tot het punt dat de verdachte met zijn vinger(s) in de vagina van slachtoffers ging.

Gelet op de hiervoor genoemde specifieke overeenkomsten over de wijze waarop, de context waarbinnen en de omstandigheden waaronder de verdachte bepaalde ontuchtige handelingen heeft gepleegd, acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bruikbaar als steunbewijs (in de vorm van schakelbewijs) voor de verklaring van [slachtoffer 2] . Ook in meer algemene zin ondersteunen de verklaringen van de drie slachtoffers, gelet op die overeenkomsten, elkaar onderling.

Conclusie

De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1 primair

hij in de periode van 24 mei 2019 tot en met 23 mei 2021 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte telkens:-zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en -met zijn hand(en) de borsten en billen en vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of betast;

feit 2 hij in de periode van 24 mei 2021 tot en met 23 mei 2023, te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, doordat hij:-zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en-met zijn hand(en) de borsten en billen en schaamstreek van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of betast;

feit 3

primair hij in de periode van 8 februari 2021 tot en met 7 februari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte (telkens):-zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en-zijn tong in de vagina en/of tussen en/of over de schaamlippen van die [slachtoffer 2] gebracht en -met zijn hand(en) de borsten en billen van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of betast;

feit 4 primair

hij in de periode van 1 juni 2023 tot en met 1 januari 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, telkens handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten:- het brengen van zijn vinger tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en - het aanraken met zijn hand(en) en/of vinger van de borsten en billen en vagina van die [slachtoffer 3] ;

feit 5 primair

hij in de periode van 2 januari 2024 tot en met 1 april 2024 te Buitenkaag, gemeente Haarlemmermeer, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft verdachte (telkens):-zijn vinger in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] gebracht en -met zijn hand(en) en/of vinger de borsten en billen en vagina, althans schaamstreek van die [slachtoffer 3] aangeraakt en/of betast.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

feit 2: ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

feit 3 primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

feit 4 primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

feit 5 primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en om daarnaast aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat per overtreding één week hechtenis wordt opgelegd, met een maximum van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een gevangenisstraf te overwegen van vier jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn drie (stief)dochters, waarbij ook sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam. Dit zijn buitengewoon ernstige feiten, waarmee de verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van deze jonge vrouwen geschonden en het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat een kind bij een (stief)ouder moet kunnen hebben, op grove wijze beschaamd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden van wat hen is aangedaan en kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hele ernstige feiten en daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 19 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het door de reclassering over de verdachte uitgebracht voorlichtingsrapport van 31 oktober 2025. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de impact die deze feiten hebben gehad op de slachtoffers, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zal de rechtbank echter een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden moet worden opgelegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, omdat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte nog contact zoekt of recent heeft gezocht met de slachtoffers. Ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten dat de verdachte zich op enigerlei wijze belastend naar hen of andere personen zal gedragen.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Vorderingen benadeelde partijen

Vordering [slachtoffer 1]

Inhoud van de vordering

[slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.565,92 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 20.000,- immateriële schade en € 40.565,92 euro materiële schade, waarvan € 40.525,- toekomstige schade.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de toekomstige schade.

De raadsman heeft verzocht om de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de reiskosten heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat er geprocedeerd is met een gemachtigde. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij verzocht het bedrag te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten naar de advocaat, het gesprek met de officier van justitie en voor het bijwonen van de zitting, geen materiële schade betreffen maar als proceskosten moeten worden aangemerkt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:414) biedt het wettelijk stelsel in het kader van een proceskostenveroordeling geen ruimte voor de vergoeding van reiskosten van de benadeelde partijen als zij, zoals in dit geval aan de orde is, met een gemachtigde procederen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren (zie ook Hoge Raad 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:492)

Ten aanzien van de post toekomstige materiele schade dient ook niet-ontvankelijkheid te volgen, nu de wet geen ruimte biedt om toekomstige schade op voorhand te vergoeden.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de ernst van het feit en de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het bewezenverklaarde jarenlange seksuele misbruik van de benadeelde vormt een grove schending van haar lichamelijke en geestelijke integriteit, zoals hiervoor is uiteengezet. Het ligt daarom voor de hand dat de benadeelde partij hieraan psychische schade heeft overgehouden.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a: de meest ernstige gevallen van seksueel binnendringen, omdat sprake is van verregaande seksuele handelingen, een kwetsbaar (jong) slachtoffer, een vertrouwensband tussen het slachtoffer en de verdachte en het misbruik een periode van meerdere jaren beslaat. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 15.000,00 billijk is. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2023.

Proceskosten

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering [slachtoffer 2]

Inhoud van de vordering

[slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 51.956,76 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 3 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 26.250,- immateriële schade en € 25.706,76 materiële schade, waarvan € 25.650,- toekomstige schade.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de toekomstige schade.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij voor de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de reiskosten heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er geprocedeerd is met een gemachtigde. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij de rechtbank verzocht een keuze te maken tussen een toe te wijzen bedrag voor PTSS of voor seksueel misbruik. Tevens heeft hij verzocht het bedrag te matigen, gelet op het moeilijk vast te stellen causaal verband.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Gelet op wat hiervoor bij [slachtoffer 1] is overwogen met betrekking tot de reiskosten en de toekomstige schade, is de rechtbank van oordeel dat deze posten ook voor [slachtoffer 2] tot niet-ontvankelijkheid moeten leiden.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij het verzoek tot schadevergoeding is een verklaring van een psycholoog overlegd, waaruit blijkt dat bij [slachtoffer 2] (onder andere) PTSS is vastgesteld.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 15.2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a: de meest ernstige gevallen van seksueel binnendringen, omdat sprake is van verregaande seksuele handelingen, een kwetsbaar (jong) slachtoffer, een vertrouwensband tussen het slachtoffer en de verdachte en het misbruik heeft gedurende een langere periode van enkele jaren plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 15.000,00 billijk is. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024.

Proceskosten

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering [slachtoffer 3]

Inhoud van de vordering

[naam 2] heeft namens [slachtoffer 3] een vordering tot schadevergoeding van € 29.554,12 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 4 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 26.500,- immateriële schade en € 3.054,12 materiële schade, waarvan € 3.000,- toekomstige schade.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de toekomstige schade.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij voor de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren. Met betrekking tot de reiskosten heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat er geprocedeerd is met een gemachtigde. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij de rechtbank verzocht een keuze te maken tussen een toe te wijzen bedrag voor PTSS of voor seksueel misbruik. Tevens heeft hij verzocht het bedrag te matigen tot € 6.500,-

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Gelet op wat hiervoor bij [slachtoffer 1] is overwogen met betrekking tot de reiskosten en de toekomstige schade, is de rechtbank van oordeel dat deze posten ook voor [slachtoffer 3] tot niet-ontvankelijkheid moeten leiden.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de ernst van het feit en de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het bewezenverklaarde jarenlange seksuele misbruik van de benadeelde, die nog zeer jong was, vormt een grove schending van haar lichamelijke en geestelijke integriteit, zoals hiervoor is uiteengezet. Het ligt daarom voor de hand dat de benadeelde partij hieraan psychische schade heeft overgehouden.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat de Rotterdamse schaal zo moet worden begrepen dat er bij een aantasting in de persoon op andere wijze een vergoeding kan worden toegekend voor vastgesteld geestelijk letsel óf voor de aard en ernst van de normschending. In dit geval zal de rechtbank een vergoeding vaststellen voor de aard en ernst van de normschending, omdat uit de overgelegde stukken onvoldoende gegevens zijn verstrekt dat er sprake is van vastgesteld geestelijk letsel.

De rechtbank heeft in het bijzonder gekeken naar paragraaf 15.2 van de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie b: de ernstige gevallen van seksueel binnendringen, omdat sprake is van verregaande seksuele handelingen, een kwetsbaar (jong) slachtoffer, een vertrouwensband tussen het slachtoffer en de verdachte en het misbruik een (relatief) lange periode heeft geduurd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 billijk is. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024.

BEM-clausule

Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.

Proceskosten

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 36f, 57, 244 (oud), 245 (oud), 247 (oud), 248 (oud) en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te openen rekening met een BEM-clausule.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A. Groenendijk, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A. Groenendijk
  • mr. M. Hoendervoogt
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand