ECLI:NL:RBNHO:2026:4696

ECLI:NL:RBNHO:2026:4696

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer C/15/375519 / JU RK 26-397 en C/l 5/371567 /JU RK 25-1585
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Verlening van een (traject)machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg / gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van één minderjarige in een pleeggezin voor de duur van acht maanden. Gelet op de behandeling van de (verslavings)problematiek van de moeder en de stappen die binnen het behandelingstraject nog moeten worden gezet om tot een succesvolle afronding te kunnen komen, is een machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarigen noodzakelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummers: C/15/375519 / JU RK 26-397 en C/l 5/371567 /JU RK 25-1585

Datum uitspraak: 3 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige 1] ,

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige 2] ,

- [de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. M.S. Krol, kantoorhoudende te Rotterdam,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,

wonende in [plaats] .

1. Het verloop van de procedures

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van de kinderrechter in zaaknummer C/l5/371567 /JU RK 25-1585 van 9 december 2025 en de daarin genoemde stukken;

het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026, ingeschreven onder zaaknummer C/15/375519 / JU RK 26-397;

de brief met betrekking tot de stand van zaken en voortzetting aangehouden deel machtiging uithuisplaatsing in zaaknummer C/l5/371567 /JU RK 25-1585, ontvangen op 30 maart 2026;

het aangepaste verzoekschrift van 27 februari 2026 in zaaknummer C/15/375519 / JU RK 26-397, ontvangen op 31 maart 2026;

de brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 31 maart 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. A.L. Witteveen, namens mr. Krol, en vergezeld door een begeleidster van Safehouse [safehouse] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .

[de minderjarige 1] verblijft sinds 20 februari 2026 in gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] . [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verblijven in een pleeggezin.

Bij beschikking van 5 oktober 2023 heeft de kinderrechter [de minderjarige 3] (voorlopig) onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien definitief is uitgesproken en is verlengd en nu nog voortduurt tot 2 januari 2027.

Bij beschikking van 2 januari 2024 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd en nu nog voortduurt tot

2 januari 2027.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 2 juli 2026.

Bij beschikking van 15 april 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een pleeggezin, die is verlengd en nu nog

voortduurt tot 2 juli 2026.

3. De (verdere) beoordeling

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis ( [gezinshuis] ) te verlenen voor [de minderjarige 1] en voor [de minderjarige 2] in een voorziening voorpleegzorg en aansluitend in gezinshuis [gezinshuis] voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

de beschikking van 9 december 2025

Bij beschikking van de kinderrechter van 9 december 2025 is het verzoek van de GI tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing (voor de duur van een jaar) van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] toegewezen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter heeft hierbij overwogen dat door het traject dat de moeder vanaf januari 2026 gaat volgen, het nog onduidelijk is wanneer de kinderen bij haar kunnen worden teruggeplaatst. Daarbij komt dat het netwerkpleeggezin van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft aangegeven dat de zorg voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in combinatie met de zorg voor hun eigen kinderen te veel wordt, waardoor gezocht moet worden naar een nieuwe plek. Omdat op dat moment nog onduidelijk was waar de kinderen geplaatst konden worden en de moeder in januari 2026 zou starten met haar behandeling, heeft de kinderrechter de resterende zes maanden van het verzoek aangehouden. In de eerste helft van 2026 kon dan worden onderzocht wat een passende plek is voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .

De GI heeft bij verzoekschrift van 27 februari 2026 aangegeven dat terugplaatsing bij de moeder op dit moment niet mogelijk is. De moeder zal eerst een klinisch traject doorlopen, gevolgd door een gefaseerde terugkeer in de maatschappij en deelname aan een gezinsopname. Het perspectief op thuisplaatsing op korte termijn is daarom niet

reëel. Tijdens de gezinsopname zal de moeder samen met [de minderjarige 3] worden opgenomen voor

observatie, begeleiding en behandeling. Na afronding volgt een behandeladvies. Op basis van dit advies en de ontwikkeling in de komende maanden zal de GI een zorgvuldig besluit nemen over een eventuele (gedeeltelijke) terugplaatsing.

[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zullen niet meegaan in de opname omdat eerst moet worden onderzocht of thuisplaatsing van [de minderjarige 3] mogelijk is. In de toekomst zal dan gekeken worden of ook thuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] mogelijk en in het belang van de kinderen is. Plaatsing bij de vader is niet mogelijk, omdat er onvoldoende zicht is op zijn woon- en leefsituatie en omdat er zorgen zijn over het persoonlijk welzijn, gebruik van middelen en draagkracht van de vader. [de minderjarige 1] verblijft sinds 20 februari 2026 in gezinshuis [gezinshuis] . Zodra er een plaats beschikbaar is zal [de minderjarige 2] hier ook instromen. De GI acht het in het belang van de zussen dat zij samen verblijven binnen één stabiele woonomgeving. Gelet op de (naderende) overplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , wordt verzocht om een machtiging voor een andere uithuisplaatsingcategorie.

Bij brief van 30 maart 2026 heeft de GI verzocht om het aangehouden deel van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] (C/l 5/371567 /JU RK 25-1585) te handhaven.

De GI heeft aangegeven dat de moeder op 19 februari 2026 een intake heeft gehad bij GGZ Drenthe in [plaats] . Op 3 maart 2026 is zij zonder [de minderjarige 3] opgenomen voor een zogenaamde samenwerkingsopname, waarbij wordt beoordeeld of zij voldoende motivatie en stabiliteit toont om door te gaan met volledige opname en het behandeltraject. Op grond van de uitkomst van deze samenwerkingsopname bepaalt GGZ [plaats] of de moeder samen met [de minderjarige 3] kan starten met de gezinsopname. [de minderjarige 3] zal in het weekend, als de moeder naar huis gaat, bij de pleegmoeder verblijven. Tijdens de overbruggingsperiode tussen de samenwerkingsopname en de daadwerkelijke gezinsopname met [de minderjarige 3] , die afhankelijk van de wachtlijst drie tot zes maanden duurt, blijft GGZ [plaats] ambulante betrokken bij de moeder. De moeder-kindopname duurt zestien weken. De GI heeft bepaald dat moeder het volledige traject in [plaats] moet doorlopen. Afhankelijk van de inhoud van het terugplaatsingsadvies van GGZ [plaats] , kan pas daarna een zorgvuldige afweging worden gemaakt over eventuele terugplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

Op de zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een nieuw verzoek tot uithuisplaatsing is ingediend omdat er een machtiging voor een andere uithuisplaatsingcategorie nodig is nu [de minderjarige 1] in een gezinshuis is geplaatst en het de bedoeling is dat [de minderjarige 2] daar binnenkort ook zal verblijven. [de minderjarige 3] blijft in het pleeggezin, dus voor hem blijft de uithuisplaatsingscategorie ongewijzigd; het resterende deel van het aangehouden verzoek wordt daarom voor hem gehandhaafd.

De moeder is nu vijf maanden abstinent van middelen maar het is nog te vroeg om de kinderen bij haar terug te plaatsen; haar zelfinzicht is nog onvoldoende ontwikkeld. De moeder kan zich niet goed verhouden tot het plan dat de GI heeft uitgezet. Ze volgt haar eigen koers, ze heeft onvoldoende risicobesef en ze is onvoorspelbaar in haar stemming en in haar afspraken over de omgang met de kinderen. Ze belast de kinderen regelmatig met volwassenenzaken en ze heeft zonder overleg met de GI aan [de minderjarige 2] voorgesteld om ook met haar deel te nemen aan de gezinsopname. In de huidige aanpak is uitgegaan van de situatie dat alleen [de minderjarige 3] met de moeder aan de gezinsopname deelneemt. Tijdens de gezinsopname in [plaats] zal diagnostiek en klinische behandeling plaats vinden en daar zal ook gekeken worden hoe de moeder omgaat met de situatie als zij de focus heeft op één kind. Het is vervolgens de bedoeling dat uiteindelijk alle kinderen worden betrokken binnen het traject. De insteek is dat de kinderen uiteindelijk weer – gefaseerd – bij de moeder zullen worden teruggeplaatst.

standpunt moeder

De moeder en haar advocaat hebben op de zitting naar voren gebracht dat de moeder het liefst alle drie de kinderen bij zich wil hebben. Zij is bang dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer bij haar thuis zullen terugkeren als zij langere tijd samen in het gezinshuis verblijven. De overplaatsing van [de minderjarige 2] uit het pleeggezin naar het gezinshuis kan bovendien schadelijk zijn. [de minderjarige 2] wordt gescheiden van [de minderjarige 3] en de overplaatsing kan van invloed zijn op haar vermogen om zich te hechten. [de minderjarige 1] heeft inmiddels aangegeven dat ze niet mee wil naar de gezinsopname in [plaats] . [de minderjarige 2] kan wel mee als ze tijdig wordt aangemeld. Zo kan de moeder gedurende het traject laten zien dat zij in staat is om goed voor haar jongste twee kinderen te zorgen. Voor plaatsing in [plaats] en voor plaatsing in een pleeggezin is geen machtiging tot uithuisplaatsing nodig, omdat de moeder hiervoor toestemming geeft. Omdat de verwachting is dat de moeder in juni 2026 in [plaats] terecht kan, verzoekt de advocaat van de moeder om het verzoek tot (nieuwe) verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan te houden en de onderhavige (oude) machtiging tot uithuisplaatsing te handhaven.

mening van de minderjarigen

[de minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij wil weten wat er gaat gebeuren. Zij is bang dat zij niet bij haar moeder kan worden teruggeplaatst. [de minderjarige 1] wil graag meer omgang met haar moeder dan nu het geval is. Ook wil zij graag een nachtje bij haar moeder logeren in de nieuwe woning. In het gezinshuis vindt ze iedereen erg aardig maar ze voelt zich daar vaak alleen. Met haar vriendinnen kan ze vanwege de reisafstand niet afspreken. Ze wil niet dat de vader wordt betrokken bij het traject omdat dat haar terugplaatsing bij de moeder zou kunnen doorkruisen. Ze spreekt de vader af en toe telefonisch. Op school en met haar gezondheid gaat het momenteel goed.

[de minderjarige 2] heeft aangegeven dat zij graag terug wil naar haar moeder, maar ze weet niet of ze liever met haar moeder naar de opname wil, of naar [de minderjarige 1] in het gezinshuis. Ze is blij dat het nu beter met haar moeder gaat, maar ze weet ook dat zij nog moet werken aan haar (verslavings)problemen. [de minderjarige 2] gelooft wel dat haar moeder dit kan. Ook wil ze haar vader graag weer eens zien en wil ze een nachtje bij opa slapen. In het pleeggezin is het leuk en op school gaat het goed.

overwegingen kinderrechter

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

Gelet op de behandeling van de (verslavings)problematiek van de moeder en de stappen die binnen het behandelingstraject nog moeten worden gezet om tot een succesvolle afronding te kunnen komen, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk. Gelet op hun leeftijd en hun behoefte aan stabiliteit, continuïteit en

professionele begeleiding, is plaatsing in een gezinshuis passend. Zo krijgen de zussen ook de mogelijkheid om samen op te groeien. Een gezinshuis biedt de langdurige stabiliteit, bestendigheid van opvoeding en een duidelijk opvoedperspectief. Ter zitting heeft de GI bevestigd dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in gezinshuis [gezinshuis] kunnen blijven voor zolang dit nodig is, maar de intentie blijft om de kinderen uiteindelijk weer bij de moeder terug te plaatsen. De kinderrechter is het met de GI eens dat dat op dit moment nog niet mogelijk is. Daarom zal het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in gezinshuis [gezinshuis] worden toegewezen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Voor [de minderjarige 2] wordt de verzochte trajectmachtiging toegewezen, eerst in het huidige pleeggezin en aansluitend, zodra zij daar terecht kan, in een gezinsgericht voorziening (gezinshuis [gezinshuis] )

Gelet hierop wordt de resterende termijn van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afgewezen.

Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] is (nog) noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Gezien de kwetsbare situatie van de moeder en het langdurige behandeltraject dat zij nog moet doorlopen, is het in het belang van [de minderjarige 3] dat de resterende termijn van het verzoek wordt toegewezen. Dit waarborgt continuïteit en stabiliteit in de zorg voor [de minderjarige 3] en voorkomt onnodige risico’s voor zijn veiligheid en ontwikkeling. De kinderrechter volgt de advocaat van de moeder niet in haar standpunt dat voor [de minderjarige 3] geen machtiging nodig is. Op grond van artikel 1:265a van het BW geschiedt een plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing. Nu [de minderjarige 3] onder toezicht staat, is – los van een inhoudelijke beoordeling – voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] daarom een machtiging tot uithuisplaatsing wettelijk vereist, ook als dit gedurende de gezinsopname alleen de weekenden betreft. De lopende machtiging wordt daarom verlengd.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4. De beslissing

De kinderrechter:

zaaknummer C/15/375519 / JU RK 26-397

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) met ingang van 3 april 2026 tot 2 januari 2027;

verleent een (traject)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) met ingang van 3 april 2026 tot 2 januari 2027;

zaaknummer C/15/371567 /JU RK 25-1585

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een pleeggezin tot 2 januari 2027;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand