RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/224584-24 en 96/062668-22 (tul)
Uitspraakdatum: 1 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.P. Visser, van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt vervolgd voor zijn betrokkenheid bij een verkeersongeval op 10 juli 2024 op de kruising van de Ingenieur Krabbeweg en de Groeneveldsdijk in Sint Maarten, als gevolg waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen.
Onder feit 1 primair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig heeft gedragen dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is en subsidiair dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
Onder feit 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij de plaats van het verkeersongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een ander was gedood of letsel was toegebracht en in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Onder feit 3 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij het voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van MDMA en/of MDA en/of THC.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat onder feit 1 primair sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 zowel primair als subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Daarnaast heeft de verdachte geen gevaar veroorzaakt op de weg. De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging feit 1 primair
Het beoordelingskader
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, met het overlijden van het slachtoffer als gevolg.
Op grond van vaste rechtspraak gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte moet daarvoor worden vergeleken met wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In het algemeen kan niet worden gesteld dat een enkele verkeersovertreding voldoende is om schuld in de zin van artikel 6 WVW bewezen te kunnen verklaren. Verder kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag niet worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in deze bepaling.
Feiten en omstandigheden
Op 10 juli 2024 omstreeks 18:41 uur heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op het gelijkwaardige kruispunt van de Ingenieur Krabbeweg (overgaand in de Delftweg) en de Groeneveldsdijk in Sint Maarten. Beide wegen bestaan uit één rijbaan zonder wegbelijning en hebben een nagenoeg recht wegverloop. Het kruispunt ligt in een 60 km/u zone. Voorafgaand aan het kruispunt is voor beide richtingen een waarschuwingsbord geplaatst, dat duidt op een gevaarlijk kruispunt.
De verdachte reed in een Toyota over de Ingenieur Krabbeweg richting de Delftweg. Het slachtoffer reed op zijn wielrenfiets over de Groeneveldsdijk, in de richting van Groenveld. Beide weggebruikers naderden het voornoemde kruispunt. De fietser kwam voor de verdachte gezien van links, zodat de verdachte voorrang op hem had. Uit forensisch onderzoek volgt dat voor beide verkeersdeelnemers voldoende zicht was op naderend verkeer, dat werd niet belemmerd door vaste objecten of door de stand van de zon.
De fietser reed met een indicatieve snelheid van 38 km/u. Uit de uitgelezen voertuigdata van de auto van de verdachte blijkt dat hij vijf seconden vóór het ongeval 84 km/u reed en ten tijde van de aanrijding 76 km/u. Deze meetresultaten zijn door de verdediging niet betwist.
Uit bloedonderzoek blijkt dat de verdachte onder invloed was van onder meer MDMA (490 microgram per liter bloed, en daarmee bijna twintig keer de toegestane hoeveelheid), evenals THC en MDA. Deze resultaten zijn door de verdediging evenmin betwist.
De verdachte is met de voorzijde van zijn auto tegen de rechterzijde van het slachtoffer gereden. Op de plaats van het ongeval zijn geen remsporen van de auto aangetroffen. Het slachtoffer is als gevolg van de botsing van zijn fiets geslingerd en via de voorruit van de auto van de verdachte in een sloot terechtgekomen. Hij is overleden als gevolg van hevig botsend geweld, al dan niet in combinatie met verdrinking. Het letselbeeld past bij een aanrijding door een auto en de daaropvolgende val in de sloot. De verdachte is na het ongeval doorgereden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, en overweegt daartoe het volgende.
Het besturen van een auto vereist een voortdurende verplichting tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder. Ook is het aan de bestuurder om te anticiperen op wat er kan komen of wat er – ook onverwachts – kan gebeuren. De verdachte is hierin ernstig tekortgeschoten. Ondanks de waarschuwing voor een gevaarlijk kruispunt, reed de verdachte vlak vóór het kruispunt ruim 20 km/u harder dan was toegestaan. Vervolgens is hij het kruispunt met nauwelijks verminderde snelheid opgereden, waarbij hij bovendien onder invloed was van meerdere drugs. De verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring niet geremd, maar slechts het gas losgelaten. Hoewel de verdachte onbelemmerd zicht had, heeft hij verklaard dat hij de fietser niet heeft gezien. Dit alles duidt erop dat hij onvoldoende heeft gekeken en het kruispunt niet met de vereiste voorzichtigheid is genaderd. Dit geldt temeer nu sprake was van een gelijkwaardig kruispunt, waar ander verkeer te verwachten was.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat door zijn schuld een dodelijk verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Dat het slachtoffer een verkeersfout heeft gemaakt door geen voorrang te verlenen, maakt het voorgaande niet anders. In het algemeen geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer, de schuld van de verdachte niet opheft. De verdachte had, net als iedere verkeersdeelnemer, bedacht moeten zijn op verkeersfouten die door andere weggebruikers gemaakt kunnen worden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
Primair hij op 10 juli 2024 te Sint Maarten, gemeente Schagen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Ingenieur Krabbeweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en verantwoord was een kruispunt te naderen, zich onvoldoende te vergewissen van kruisend verkeer en onvoldoende te kijken, waardoor hij in botsing is gekomen met een wielrenner, genaamd [slachtoffer] en deze werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2 hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Sint Maarten, gemeente Schagen op de kruising, Ingenieur Krabbeweg en Delftweg met de Groeneveldsdijk, op 10 juli 2024 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist een ander was gedood of letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
Feit 3 hij op 10 juli 2024 te Sint Maarten, gemeente Schagen een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA en MDA en THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 490 microgram per liter bloed MDMA en 46 microgram per liter bloed MDA en 1,3 microgram per liter bloed THC bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,
feit 2
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994,
feit 3
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al kwijt is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de strafmaat en de ontzegging van de rijbevoegdheid te matigen. Daarnaast heeft hij verzocht acht te slaan op de reeds bekende strafeis in de zaak tegen de verdachte onder parketnummer 15/299774-24.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Op 10 juli 2024 heeft de verdachte, terwijl hij onder invloed was van drugs, als bestuurder van een auto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en is daardoor in botsing gekomen met een 37-jarige wielrenner. Het slachtoffer is door de aanrijding te water geraakt en ter plaatse overleden. Na het ongeval is de verdachte met een zwaar beschadigde auto doorgereden zonder hulp te verlenen of de hulpdiensten in te schakelen, terwijl hij wist dat hij iemand ernstig letsel had toegebracht of mogelijk dood had gereden. De keuze van de verdachte om niet direct te stoppen, geen hulp te verlenen en geen 112 te bellen weegt zwaar, omdat niet kan worden uitgesloten dat de gevolgen voor het slachtoffer bij onmiddellijk ingrijpen anders waren geweest. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij die dag op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen. Toen de verdachte na ongeveer drie kwartier terugkeerde bij de plaats van het ongeval heeft hij tegen de politieagent ter plaatse gezegd dat hij niet de bestuurder maar de bijrijder van de auto was.
De verdachte heeft groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden veroorzaakt. Uit de slachtofferverklaring van de moeder en broer van het slachtoffer is gebleken hoe groot het verdriet binnen de familie is en hoezeer het slachtoffer wordt gemist. Het leed van de nabestaanden zal door het opleggen van een straf aan de verdachte niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Persoon van de verdachte
In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij volgens zijn strafblad van 17 april 2026 al eerder veelvuldig voor wegenverkeerswetfeiten onherroepelijk is veroordeeld. Ondanks die eerdere strafopleggingen is hij opnieuw in de fout gegaan.
Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport van 25 maart 2026. Uit dit rapport komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een langdurig zorgelijke ontwikkeling. Sinds zijn vijftiende vertoont de verdachte een pro-criminele houding en is hij betrokken geweest bij verschillende strafbare feiten. Daarnaast zijn meerdere risicofactoren in zijn leefomgeving vastgesteld, zoals het ontbreken van een vaste werksetting, schulden, een problematische sociale omgeving en middelengebruik. Deze factoren maken dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De verdachte staat momenteel onder toezicht van de reclassering in verband met de schorsing in deze zaak en in de zaak onder parketnummer 15/299774-24. Hoewel hij zich in het verleden weinig ontvankelijk toonde voor begeleiding, is sinds het ongeval een grotere bereidheid tot gedragsverandering vastgesteld en houdt hij zich aan de gestelde voorwaarden. De reclassering acht voortzetting van het toezicht noodzakelijk, maar adviseert dit te koppelen aan de andere strafzaak en niet opnieuw toezicht op te leggen in de onderhavige zaak. Zij hebben daarom in de onderhavige zaak een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De rechtbank heeft acht geslagen op de betrekkelijk jeugdige leeftijd van de verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting geconstateerd dat de verdachte het, bijna twee jaar later, nog altijd moeilijk heeft met het ongeluk en de gevolgen daarvan.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Volgens deze oriëntatiepunten geldt als uitgangspunt bij aanmerkelijk onvoorzichtig handelen, waarbij de bestuurder onder invloed was van drugs en een dodelijk slachtoffer is gevallen, een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren. Daar komt het overtreden van artikel 7 WVW en artikel 8 WVW bij en in soortgelijke zaken wordt daarvoor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend geacht.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Bijkomende straf
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al is kwijt geweest. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van deze straf, te weten één jaar, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden voor het einde van die proeftijd opnieuw een strafbaar feit te begaan.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met het feit dat de veroordeling in deze zaak ertoe leidt dat aan de verdachte een tweede strafpunt op zijn rijbewijs wordt toegekend. Het rijbewijs van de verdachte wordt hierdoor van rechtswege ongeldig verklaard. Indien de verdachte in de toekomst opnieuw een motorrijtuig wenst te besturen, zal hij eerst na afloop van de termijn van de ontzegging opnieuw een rijbewijs moeten behalen.
Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen bij gebrek aan een daartoe strekkende grond. De officier van justitie acht de recidivegrond onverkort aanwezig, maar heeft niettemin gevorderd de voorlopige hechtenis op te heffen omdat het voortduren van de voorlopige hechtenis niet opportuun is. De rechtbank ziet in de omstandigheden van deze zaak en gelet op het standpunt van partijen aanleiding de voorlopige hechtenis op te heffen. Daarbij betrekt de rechtbank dat in de zaak onder parketnummer 15/299774-24 eveneens een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is en dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in die zaak onder strikte voorwaarden is geschorst.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 16 juni 2022 in de zaak met parketnummer 96/062668-22 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van vier maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straffen is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Blijkens het strafblad geldt er voor de opgelegde voorwaardelijke geldboete een langere proeftijd dan voor de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid. Omdat de officier van justitie niet weet waarom er een gedifferentieerde proeftijd van kracht is en het daardoor niet zeker is of de verdachte de onderhavige feiten in een proeftijd heeft gepleegd, heeft hij gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de in deze zaak bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd terwijl de proeftijd ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid al was verlopen. Omdat het de rechtbank voorts onvoldoende duidelijk is geworden of de proeftijd ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde geldboete nog van kracht was ten tijde van de door de verdachte begane feiten, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen moet worden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 96/062668-22 opgelegde voorwaardelijke straffen.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Beekhuizen
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 mei 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
Primair hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Sint Maarten, gemeente Schagen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Ingenieur Krabbeweg en/of Delftweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord was een kruispunt te naderen, zich onvoldoende te vergewissen van kruisend verkeer en/of onvoldoende te kijken, waardoor hij in botsing is gekomen met een wielrenner, genaamd [slachtoffer] en deze werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
Subsidiair hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Sint Maarten, gemeente Schagen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Ingenieur Krabbeweg en/of Delftweg,- een kruispunt heeft genaderd met een hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord en/of- zich onvoldoende heeft vergewist van het kruisend verkeer en/of onvoldoende heeft gekeken, waardoor hij in botsing is gekomen met een wielrenner, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Sint Maarten, gemeente Schagen op de kruising, Ingenieur Krabbeweg en/of Delftweg met de Groeneveldsdijk, op of omstreeks 10 juli 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) was gedood en/of letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3hij op of omstreeks 10 juli 2024 te Sint Maarten, gemeente Schagen een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA en/of MDA en/of THC, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 490 microgram per liter bloed MDMA en/of 46 microgram per liter bloed MDA en/of 1,3 microgram per liter bloed THC bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.