ECLI:NL:RBNHO:2026:4798

ECLI:NL:RBNHO:2026:4798

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 15/220036-25 en 15/203586-25 (ttz gev)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zijn zus – met een vuurwapen in de hand en op haar gericht – met de dood bedreigd en haar gedwongen om haar telefoons, (auto)sleutels en auto aan de verdachte af te staan. Ook heeft hij haar gedwongen te videobellen met haar (ex-)vriend, haar telefoon te openen en haar het wachtwoord te geven zodat hij foto's en video’s kon maken van het beeldmateriaal van haar en haar ex-vriend dat op haar telefoon stond. Een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/220036-25 en 15/203586-25 (ttz gev) (P)

Uitspraakdatum: 4 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaak met parketnummer 15/220036-25 wordt hierna aangeduid als zaak A. De zaak met parketnummer 15/203586-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Giuseppini en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. A, Çimen, advocaat te Amsterdam) naar voren hebben gebracht.

1. Tenlasteleggingen

Zaak A

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op 24 juli 2025 [slachtoffer 1] :

Daarnaast wordt de verdachte onder feit 5 verweten dat hij op 25 juli 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Zaak B Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op 26 maart 2025 in Haarlem een auto heeft beschadigd.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Wat betreft het laste gelegde feit 5 in zaak A heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten in zaak A en het ten laste gelegde feit in zaak B op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder feit 2 in zaak A tenlastegelegde (de mishandeling van [slachtoffer 1] ) en licht dit hieronder toe.

Bewijsoverwegingen

3.3.2.1. Ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4 in zaak A

De verklaring van de aangeefster

[slachtoffer 1] , de zus van de verdachte, (hierna: de aangeefster) heeft het volgende verklaard over wat er is gebeurd op 24 juli 2025. Zij kwam omstreeks 16:30 uur aan in de woning van haar moeder en trof daar de verdachte aan. Volgens de aangeefster was de verdachte boos op haar omdat hij vermoedde dat zij een vriend had.

Toen de aangeefster de verdachte begroette en aan hem vroeg hoe het ging, schreeuwde de verdachte onder meer: "je mag blij zijn dat ik je niet dood heb gemaakt". Vervolgens heeft de verdachte een pistool tegen haar hoofd gehouden en gezegd: "je mag blij zijn dat we nu bij mama thuis zijn, ik wil haar geen trauma bezorgen anders had ik je nu hier dood geschoten".

De verdachte heeft de aangeefster vervolgens gedwongen om te videobellen met haar ex-vriend ( [naam] ). Op dat moment had de verdachte nog steeds het vuurwapen op haar hoofd gericht. Tijdens dit gesprek schreeuwde de verdachte naar [naam] en richtte de verdachte het vuurwapen soms op de aangeefster en soms op de telefoon in de richting van [naam] .

Na het videobellen zag de verdachte op de telefoon van het slachtoffer foto’s en video’s van het slachtoffer en [naam] staan. De verdachte heeft van deze video's en foto's zelf foto's en video's gemaakt met zijn eigen telefoon. Af en toe vergrendelde de telefoon van de aangeefster en als dit gebeurde, zei de verdachte: "open je telefoon, anders schiet ik je dood". Na een paar keer moest zij het wachtwoord van haar telefoon geven. Ook haar autosleutel en huissleutels moest ze afgeven aan de verdachte. De verdachte heeft de aangeefster ook nog met het vuurwapen op haar achterhoofd geslagen. De verdachte had de gehele tijd het vuurwapen in zijn hand, waarmee hij af en toe speelde en draaide. De verdachte heeft daarna de woning verlaten met haar twee telefoons, haar huissleutels en de autosleutel, en heeft vervolgens haar auto meegenomen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster bij de politie en de rechter-commissaris betrouwbaar zijn. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat haar verklaringen niet kloppen of overdrijvingen bevatten. Haar verklaringen zijn bovendien gedetailleerd en consistent. De rechtbank is daarom van oordeel dat die verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs.

Steunbewijs

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt voldaan.

Feit 1: bewezenverklaring van bedreiging met een vuurwapen

De verklaring van de aangeefster dat de verdachte een pistool tegen haar hoofd heeft gehouden en meerdere keren heeft gedreigd haar dood te schieten, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de verklaring van [naam] . Bovendien is een dag later daadwerkelijk een vuurwapen bij de verdachte aangetroffen en heeft de verdachte verklaard dat hij dit wapen altijd bij zich draagt. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder 1 in zaak A ten laste gelegde feit.

Feit 2: vrijspraak van mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld door met een vuurwapen op haar hoofd te slaan. De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen steunbewijs biedt voor dit onderdeel van de verklaring van de aangeefster. De rechtbank komt hiermee tot een vrijspraak van het onder 2 in zaak A ten laste gelegde feit.

Feit 3: bewezenverklaring van afpersing

Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat de verdachte onder bedreiging van een vuurwapen haar heeft gedwongen tot het openen van haar telefoon en tot afgifte van haar sleutels, telefoons en auto. Op het moment van zijn aanhouding, een dag later, bleek de verdachte (naast het vuurwapen) een sleutelbos en de autosleutel van de aangeefster bij zich te hebben. In de auto, die op de plek van de aanhouding voor de deur stond, zijn twee telefoons gevonden waarvan de rechtbank vaststelt dat deze van de aangeefster waren.

De verklaring van de verdachte dat hij de aangeefster niet heeft gedwongen om haar telefoon te openen maar dat zij dit vrijwillig heeft gedaan, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank heeft immers hiervoor al vastgesteld dat de verdachte haar in diezelfde ontmoeting met een vuurwapen met de dood had bedreigd en de verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die middag boos op haar was en naar haar heeft geschreeuwd. Ook verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat de verdachte mede-eigenaar was van de auto en daarom geen sprake kan zijn van wederrechtelijke bevoordeling van de auto. De aangeefster heeft dit ontkend en het dossier bevat hiervoor ook geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder 3 in zaak A ten laste gelegde feit.

Feit 4: bewezenverklaring van dwang

De verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar onder bedreiging met een vuurwapen heeft gedwongen om [naam] te videobellen, vindt steun in de verklaring van de verdachte zelf. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij zijn zus heeft opgedragen [naam] te bellen, dat zij dit eerst niet wilde, maar het daarna wel heeft gedaan. Ook is steun te vinden in de verklaring van [naam] , die heeft verklaard dat de verdachte tijdens het telefoongesprek een vuurwapen toonde. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder 4 in zaak A ten laste gelegde feit.

3.3.2.2. Ten aanzien van zaak B

Uit de aangifte en uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat de bestuurder van een auto met het kenteken [kenteken] op 26 maart 2025 in Haarlem een glazen flesje heeft gegooid tegen de autodeur van [slachtoffer 2] . De verdachte heeft verklaard dat hij op 26 maart 2025 de bestuurder was van de auto met het kenteken [kenteken] en dat hij die dag in Haarlem is geweest. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het de verdachte is geweest die die dag de auto van [slachtoffer 2] heeft beschadigd. Het verweer dat onvoldoende is gebleken dat de auto daadwerkelijk schade heeft opgelopen, volgt de rechtbank niet. De getuige heeft immers verklaard dat er een deuk is ontstaan in de autodeur en ook bevat het dossier een factuur waaruit blijkt dat de autodeur schade had en wat de reparatiekosten bedroegen. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het in zaak B ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten in zaak A en het ten laste gelegde feit in zaak B heeft begaan, in die zin dat:

Ten aanzien van zaak A:

Feit 1: hij op 24 juli 2025 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:- een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en te houden en deze op haar te richten;- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "je mag blij zijn dat we nu bij mama thuis zijn, (..) anders had ik je nu hier dood geschoten";- tegen die [slachtoffer 1] een of meerdere keren te zeggen dat hij haar dood ging schieten.

Feit 3: hij op 24 juli 2025 te Haarlem met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere (auto)sleutels, meerdere telefoons en een auto die aan die [slachtoffer 1] toebehoorden, door:- een vuurwapen te richten op en deze te zetten op het hoofd van die [slachtoffer 1]- een vuurwapen in zijn hand te houden en tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "geef je autosleutels"- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "open je telefoon, anders schiet ik je dood" en “geef het wachtwoord van je telefoon" en - met het vuurwapen te spelen en te draaien.

Feit 4: hij op 24 juli 2025 te Haarlem een ander, te weten [slachtoffer 1] , door bedreiging met geweld wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen door:- een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en te houden en deze op haar te richten- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "ik wil weten wie jouw vriend is, je gaat nu je vriend bellen"- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "open je telefoon, anders schiet ik je dood", waarna die [slachtoffer 1] haar telefoon heeft geopend en haar ex-vriend heeft gebeld.

Feit 5: hij op 25 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gas-/alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van zaak B:

hij op 26 maart 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een auto die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft beschadigd.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van zaak A, feit 3:

afpersing.

Ten aanzien van zaak A, feit 4:

een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

Ten aanzien van zaak A, feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Ten aanzien van zaak B:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het locatieverbod voor de woning van de moeder van de verdachte en het slachtoffer. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] . De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij een strafoplegging aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat ten aanzien van de feiten in zaak A sprake is geweest van één doorlopend incident.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn zus – met een vuurwapen in de hand en op haar gericht – met de dood bedreigd en haar gedwongen om haar telefoons, (auto)sleutels en auto aan de verdachte af te staan. Ook heeft hij haar gedwongen te videobellen met haar (ex-)vriend, haar telefoon te openen en haar het wachtwoord te geven zodat hij foto's en video’s kon maken van het beeldmateriaal van haar en haar ex-vriend dat op haar telefoon stond. Vervolgens heeft de verdachte de woning verlaten en heeft hij haar spullen en auto meegenomen. De verdachte lijkt tot zijn daad te zijn gekomen omdat hij het vermoeden had dat zijn zus een vriend had en de verdachte hier heel boos over was. De rechtbank acht dit zeer zorgelijk. Het moet voor het slachtoffer bovendien een bijzonder angstige ervaring geweest zijn. Dat deze gebeurtenis een grote impact op haar heeft gehad, blijkt ook uit haar aangifte en de toelichting die haar advocaat op de zitting heeft gegeven. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij deze gevolgen kennelijk voor lief heeft genomen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich en heeft een enorme maatschappelijke impact. Daarbij acht de rechtbank het te meer kwalijk dat het voorhanden hebben van een vuurwapen (evenals munitie) voor de verdachte geen incident is geweest, maar hij dit naar eigen zeggen altijd bij zich droeg.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling door een autodeur te beschadigen. Dit veroorzaakt overlast en schade voor de eigenaar. Met zijn handelen heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van

de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 19 maart 2026, waaruit blijkt dat hij recent niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank zal dit dan ook niet in het nadeel van de verdachte meewegen.

Verder heeft de rechtbank gelet op de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadviezen van 22 september 2025 en 20 november 2025. Hieruit blijkt dat de reclassering risico’s ziet op het gebied van emotieregulatie. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de woning van de moeder van de verdachte en het slachtoffer. De verdachte heeft ter zitting gezegd dat hij bereid is zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden, alhoewel het locatieverbod voor het adres van zijn moeder wel erg beperkend is.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd en heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in een woning bedraagt vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en in de openbare ruimte acht maanden. Het oriëntatiepunt voor bedreiging met een vuurwapen betreft zes maanden gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zestien maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, namelijk zes maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een meldplicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden verbinden.

Vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod)

Naast het opleggen van de hiervoor genoemde gevangenisstraf ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr. Gelet op de aard en ernst van de feiten en de familieband tussen de verdachte en het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van vijf jaar nodig is ter voorkoming van strafbare feiten. .

De rechtbank ziet onvoldoende concrete aanleiding om daarnaast een locatieverbod voor het adres van de moeder van de verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel (of bijzondere voorwaarde) op te leggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel

De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte blijkens app-gesprekken met zijn andere zus al langere tijd boos lijkt te zijn op het slachtoffer vanwege haar (vermeende) relaties met mannen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 367,80 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- Uitdeuken zonder spuit € 108,90;

- Met spuiten € 208,90;

- Rijkosten benzine enz. € 50,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 108,90 (het uitdeuken van de auto), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

Het gedeelte van de vordering dat ziet op het uitdeuken van de auto (€ 108,90) is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en door de verdediging niet (voldoende) weersproken. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het in zaak B bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering toe. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van het spuiten en de rijkosten af, omdat deze posten niet zijn onderbouwd.

Wettelijke rente en proceskosten

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 26 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 108,90 aan de Staat moet betalen. Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 1 dag. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 284, 285, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 onder parketnummer 15-220036-25 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 3, 4 en 5 onder parketnummer 15-220036-25 en het feit onder parketnummer 15-203586-25 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 [zestien] maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 [zes] maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich binnen drie dagen na detentie bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60 te Haarlem. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Ambulante behandeling

De verdachte laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Maatregel contactverbod

Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 108,90, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 108,90, en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. van Kampen, voorzitter,

mr. M. Rigter en mr. I.M. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2026.

Bijlage I: Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van zaak A:

Feit 1: hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:- een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en/of te houden en/of deze op haar te richten;- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "je mag blij zijn dat we nu bij mama thuis zijn, (..) anders had ik je nu hier dood geschoten" of woorden van gelijke strekking;- tegen die [slachtoffer 1] een of meerdere keren te zeggen dat hij haar dood ging schieten of woorden van gelijke strekking.

Feit 2: hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan.

Feit 3: hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere (auto)sleutels, een of meerdere telefoons, en/of een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n), door :- een vuurwapen te richten op en/of deze te zetten op het hoofd van die [slachtoffer 1]- een vuurwapen in zijn hand te houden en tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "geef je autosleutels"- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "open je telefoon, anders schiet ik je dood" en/of “geef het wachtwoord van je telefoon", of woorden van gelijke strekking en/of - met het vuurwapen te spelen en/of te draaien.

Feit 4: hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Haarlem, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door :- een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en/of te houden en/of deze op haar te richten- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "ik wil weten wie jouw vriend is, je gaat nu je vriend bellen"- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "open je telefoon, anders schiet ik je dood" of woorden van gelijke strekking, waarna die [slachtoffer 1] haar telefoon heeft geopend en/of haar (ex-)vriend heeft gebeld.

Feit 5: hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gas-/alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van zaak B:

hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Bijlage II: De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand