RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15.309070.23 en 13/123781-22 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 4 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Giuseppini, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman (mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam) naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 20 november 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (tevens de broer van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte met dat opzet
- met hoge en/of verhoogde snelheid in een voertuig (te weten een personenauto met het kenteken [kenteken] ) de scooter waarop die [slachtoffer] reed achtervolgd en/of
- ( vervolgens) met (voornoemde) hoge en/of verhoogde snelheid met voornoemd voertuig ingereden op en/of aangereden tegen de scooter waar die [slachtoffer] op reed (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of over het wegdek is geschoven/gegleden),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 november 2023 te Haarlem [slachtoffer] heeft mishandeld door met hoge en/of verhoogde snelheid met een voertuig (te weten een personenauto met het kenteken [kenteken] ) in te rijden op en/of aan te rijden tegen de scooter waar die [slachtoffer] op reed (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of over het wegdek schoof/gleed);
feit 2
hij op of omstreeks 20 november 2023 te Haarlem op de weg, Houtplein, als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto met het kenteken [kenteken] ),
- met hoge en/of verhoogde snelheid in een voertuig (te weten een auto met het kenteken [kenteken] ) de scooter waarop die [slachtoffer] reed achtervolgd en/of
- ( vervolgens) (in de nabijheid van wegwerkzaamheden) met (voornoemde) hoge en/of verhoogde snelheid met voornoemd voertuig is ingereden op en/of aangereden tegen de scooter waar die [slachtoffer] op reed (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of over het wegdek is geschoven/gegleden)
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Haarlem op het Houtplein op of omstreeks 20 november 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
feit 4
hij op of omstreeks 20 november 2023 te Haarlem, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer twee (volle) lachgasflessen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide, zijnde distikstofmonoxide een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verweren zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.
Bewijsmotivering feiten 1, 2 en 3
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de behandeling op de terechtzitting het volgende vast. Op 20 november 2023 hadden de verdachte en [slachtoffer] , het broertje van de verdachte, (hierna: [slachtoffer] ) een afspraak in Haarlem. De verdachte was boos op [slachtoffer] . De verdachte zat in zijn auto te wachten toen [slachtoffer] op de scooter kwam aanrijden. Bij het zien van de verdachte is [slachtoffer] weggereden, via de Tempeliersstraat in de richting van het Houtplein. De verdachte is vervolgens achter [slachtoffer] aangereden. De verdachte achtervolgde [slachtoffer] op zeer korte afstand. [slachtoffer] is vervolgens de kruising van de Tempeliersstraat met het Houtplein overgestoken in de richting van het hekwerk dat er stond in verband met wegwerkzaamheden. De verdachte reed, zonder zijn snelheid te minderen of de richting van zijn voertuig aan te passen, achter [slachtoffer] aan in de richting van het hekwerk. Hoewel de snelheid van de verdachte niet is vastgesteld, kan op basis van het dossier wel worden vastgesteld dat deze snelheid te hoog was voor de verkeerssituatie ter plaatse: een drukke kruising met bussen, auto’s en fietsers en de daar aanwezige wegwerkzaamheden. Hierdoor had het voor de hand gelegen de kruising op z’n minst stapvoets te naderen. De verdachte heeft vervolgens, met de voorkant van de auto, de scooter met daarop [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] is daarbij ten val gekomen en tegen het hekwerk aan gegleden. Na de aanrijding is de verdachte weggereden. Ook [slachtoffer] is direct na de aanrijding weggerend. [slachtoffer] heeft later verklaard dat hij wist dat de bestuurder van de auto zijn broer was.
De verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] heeft aangereden, maar ontkent dat hij dit met opzet heeft gedaan.
Feit 1
De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte willens en wetens op [slachtoffer] is ingereden en daarmee ‘vol’ opzet heeft gehad om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bij zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging deze aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank oordeelt als volgt.
Vaststaat dat de verdachte (die in een auto reed) [slachtoffer] (die op een scooter reed) met verhoogde snelheid achtervolgde, dat hij [slachtoffer] heeft geraakt en dat [slachtoffer] als gevolg daarvan is gevallen. Hoewel de exacte snelheid van de auto niet is achterhaald, is de rechtbank wel van oordeel dat naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat wanneer een auto (die harder dan stapvoets rijdt) een bestuurder op een scooter aanrijdt, de kans aanmerkelijk is te achten dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Zo kan de aanrijding resulteren in bijvoorbeeld gecompliceerde botbreuken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte deze kans op de koop toe heeft genomen, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen. De verdachte is, zonder zijn snelheid te minderen en zonder de richting van zijn voertuig aan te passen, achter [slachtoffer] aan blijven rijden, terwijl [slachtoffer] recht op het hekwerk afreed. Vervolgens heeft de verdachte hem dus ook daadwerkelijk geraakt. Het gevaar van zijn handelen moet voor de verdachte op dat moment ook duidelijk zijn geweest.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .
Feit 2
De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte, door [slachtoffer] met verhoogde snelheid te achtervolgen en hem vervolgens aan te rijden, gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt. Dit betekent dat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Feit 3
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, kort na de aanrijding, is weggereden. [slachtoffer] was ten val gekomen en met zijn scooter over het wegdek gegleden, tegen het hekwerk aan.
Uit het dossier volgt niet (of onvoldoende) dat [slachtoffer] als gevolg van de aanrijding letsel heeft opgelopen. De verdachte had dit ook niet redelijkerwijs hoeven te vermoeden, aangezien [slachtoffer] direct na de aanrijding is weggerend van de plaats van het ongeval. Aan de scooter is als gevolg van de aanrijding wel schade ontstaan. Dit had de verdachte ook redelijkerwijs moeten vermoeden, gelet op het glijden van de scooter over de grond. In zoverre kan het ten laste gelegde bewezen worden. De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat ook het hekwerk zou zijn beschadigd, maar dit is niet aan de verdachte tenlastegelegd en blijkt ook overigens onvoldoende uit het dossier.
Bewijsmotivering feit 4
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Op 20 november 2023 is de verdachte staande gehouden door de politie. Na het openen van de bijrijdersportier trof de politie twee lachgasflessen aan. Eén van de lachgasflessen was voorzien van een tuit en had aan de bovenzijde ijsaanslag. De politie is er ambtshalve mee bekend dat ijsaanslag op een lachgasfles duidt op recent gebruik. Verder zag de politie in de auto een grote hoeveelheid (lege) ballonnen liggen. Op 23 november 2023, daags na zijn staandehouding, heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat één van de twee lachgasflessen in zijn auto leeg was en de ander halfvol en dat hij op weg was naar een inleverpunt voor lege lachgasflessen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de flessen in de auto van de verdachte zijn aangetroffen en dat de verdachte als enige in de auto aanwezig was. De flessen bevonden zich dus in zijn machtssfeer. Gelet op de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris en de bevindingen van de politie (waarbij met name de in de auto aangetroffen ballonnen van belang zijn), heeft de rechtbank geen reden om te betwijfelen dat de inhoud van de flessen lachgas betreft. De latere verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat beide lachgasflessen leeg waren, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, gelet op zijn eerdere verklaring.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van lachgas.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1 (primair)
hij op 20 november 2023 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (tevens de broer van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte met dat opzet
- met verhoogde snelheid in een personenauto met het kenteken [kenteken] de scooter waarop die [slachtoffer] reed achtervolgd en
- vervolgens met verhoogde snelheid met voornoemd voertuig aangereden tegen de scooter waar die [slachtoffer] op reed waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en over het wegdek is gegleden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op 20 november 2023 te Haarlem op de weg, Houtplein, als bestuurder van een personenauto met het kenteken [kenteken] ,
- met verhoogde snelheid in een auto met het kenteken [kenteken] de scooter waarop die [slachtoffer] reed heeft achtervolgd en
- vervolgens in de nabijheid van wegwerkzaamheden met voornoemde verhoogde snelheid met voornoemd voertuig is aangereden tegen de scooter waar die [slachtoffer] op reed waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en over het wegdek is gegleden
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Haarlem op het Houtplein op 20 november 2023 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) schade was toegebracht;
feit 4
hij op 20 november 2023 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende distikstofmonoxide.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Ten aanzien van feit 3 (verlaten plaats ongeval)
Het verlaten van de plaats van het ongeval is strafbaar gesteld in artikel 7 WVW. Het eerste lid, sub a en b, beoogt veilig te stellen dat betrokkenen na een verkeersongeval in staat worden gesteld de veroorzaker van dit ongeval aansprakelijk te kunnen stellen voor de geleden schade.
Nu de verdachte en [slachtoffer] broers van elkaar zijn en [slachtoffer] wist dat de verdachte de auto bestuurde die hem had aangereden, was [slachtoffer] bekend met de identiteit van de veroorzaker van het verkeersongeval. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er geen noodzaak was voor de verdachte – als veroorzaker van het verkeersongeval – om op het de plaats van het ongeval te blijven ter vaststelling van zijn identiteit.
De rechtbank is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit 3 ontbreekt en dat dit feit dus geen strafbaar feit oplevert. De rechtbank zal de verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 4 zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1: poging tot zware mishandeling;
feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 1, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot (i) een gevangenisstraf voor de duur van zestien weken met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en (ii) een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.
Ter zake van de overtreding van artikel 5 WVW heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 500,- zal worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
In geval van strafoplegging acht de raadsman een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest aangewezen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op 20 november 2023 als bestuurder van een personenauto opzettelijk zijn broer, die op een scooter reed, aangereden. De verdachte was boos op zijn broer en heeft zich kennelijk laten leiden door zijn emoties. Het slachtoffer is na de aanrijding ten val gekomen en over het wegdek gegleden en tegen het hekwerk dat er stond in verband met wegwerkzaamheden tot stilstand gekomen. Het is een geluk dat het slachtoffer daarbij niet ernstig gewond is geraakt. Daar komt bij dat de verdachte met zijn rijgedrag ook de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar heeft gebracht. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Verder is op diezelfde dag bij de verdachte lachgas aangetroffen in zijn auto, een verboden middel dat ernstige gezondheidsklachten tot gevolg kan hebben en welk gebruik vaak overlast veroorzaakt.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittrekstel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 11 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar, op 15 maart 2022, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, namelijk voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs. Dit weegt de rechtbank in zijn nadeel mee.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 2 april 2026 van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Kort samengevat staat in dit advies dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten er bij de verdachte aanwijzingen waren voor middelenmisbruik. Ook waren er aanwijzingen voor problemen binnen de familiaire sfeer en bevond de verdachte zich in een deels negatief sociaal netwerk. De huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven de reclassering echter geen reden (meer) tot zorg. De verdachte heeft tijdens zijn schorsing verder goed meegewerkt aan de begeleiding door de reclassering. De reclassering schat het risico op recidive in op laag en zij ziet geen meerwaarde en noodzaak om de reclasseringsinterventies voort te zetten. Tot slot vermeldt de reclassering als contra-indicaties voor de oplegging van een gevangenisstraf het mogelijke verlies van zijn woning, werk en inkomen. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf of een financiële sanctie.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met (i) alle hiervoor genoemde omstandigheden, (ii) straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en (iii) de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Feiten 1 en 4 (poging zware mishandeling en aanwezigheid van lachgas)
De rechtbank is van oordeel dat met name de ernst van de poging tot zware mishandeling en de impact die dit moet hebben gehad op zijn broer, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Het LOVS-oriëntatiepunt voor zware mishandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), is een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Een auto kan onder de gegeven omstandigheden gezien worden als een wapen. Omdat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor een poging tot zware mishandeling zal de rechtbank uitgaan van een lager uitgangspunt.
Verder houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte zijn leven op dit moment op orde heeft en dat hij gedurende zijn schorsing van ruim twee jaar zich aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.
De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
Nu de verdachte als bestuurder van een auto zijn broer heeft aangereden, zal de rechtbank de verdachte ook de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzeggen. De door de officier van justitie gevorderde rijontzegging van achttien maanden is naar het oordeel van de rechtbank te hoog, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (hij werkt als taxichauffeur). De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar passend en geboden. De rechtbank ziet echter in de schending van de redelijke termijn aanleiding om de ontzegging van de rijbevoegdheid deels voorwaardelijk op te leggen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De termijn is gestart op 21 november 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en ruim vijf maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor deze feiten bedraagt dus ruim vijf maanden. Ter compensatie van deze schending van de redelijke termijn zal de rechtbank een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen, namelijk 187 dagen. Omdat het rijbewijs van de verdachte reeds 178 dagen is ingevorderd en ingehouden geweest, kan de verdachte zijn rijbewijs behouden.
Feit 2 (artikel 5 WVW)
Ter zake het bewezenverklaarde feit 2 geldt dat dit ziet op een overtreding van artikel 5 WVW. Gelet op de verwevenheid met het bewezenverklaarde feit 1 en de daarvoor passend geachte straf, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf voor deze overtreding niet opportuun is. De rechtbank zal de verdachte daarom schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 23 augustus 2022 in de zaak met parketnummer 13/123781-22 (tul) heeft de politierechter van de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van het voorhanden hebben van een wapen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 13 september 2022 aan de verdachte toegezonden. De proeftijd is ingegaan op 7 september 2022 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie heeft op 1 februari 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, te weten drie maanden gevangenisstraf. De raadsman heeft de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering gedeeltelijk dient te worden toegewezen, te weten twee maanden gevangenisstraf, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd. De rechtbank zal echter bepalen dat de opgelegde gevangenisstraf zal worden omgezet in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 uur.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Ontslag van alle rechtsvervolging
Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Strafoplegging
Bepaalt dat de onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Ten aanzien van de feiten 1 en 4:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte voor feit 1 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging van de rijbevoegdheid, te weten 187 (honderdzevenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van feit 2:
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Vordering tenuitvoerlegging
Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/123781-22 (tul), te weten twee maanden gevangenisstraf, met dien verstande dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, subsidiair twee maanden hechtenis.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. M. Rigter en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)