ECLI:NL:RBNHO:2026:4898

ECLI:NL:RBNHO:2026:4898

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer C/15/373613
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Vrijwaringsincident. Referte, maar de vewerende partij in het incident heeft bezwaar tegen de vordering tot oproeping in vrijwaring. De rechtbank wijst de vordering in het incident toe.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/373613 / HA ZA 26-38

Vonnis in incident van 6 mei 2026

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [plaats 1],

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. I.N.A. Denninger,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. P.P. Otte.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties E1 tot en met E7

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 tot en met 9 van [gedaagde]

- de conclusie van antwoord in het incident inhoudende referte van [eiser].

Ten slotte is een datum voor vonnis in het incident bepaald.

2. De beoordeling in het incident

[eiser] vordert in de hoofdzaak – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 68.105,26, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 en met proces- en beslagkosten.

[eiser] legt aan haar vordering in de hoofdzaak – samengevat en voor zover voor dit incident van belang – het volgende ten grondslag. Op 15 januari 2024 heeft [eiser] met [gedaagde] en haar ex-partner [betrokkene] een overeenkomst van geldlening gesloten waarbij [eiser] aan [gedaagde] en [betrokkene] ter financiering van de koop van hun woning in [plaats 2] een bedrag van € 123.000,00 heeft uitgeleend tegen een contractuele rente van 5% per jaar (hierna ook: de geldlening). De geldlening had een looptijd van één jaar en eindigde op 14 januari 2025. In artikel 4 lid 1 van de geldlening is onder andere bepaald dat als zekerheid zou dienen de overwaarde van de verkoopopbrengst van de woning van [betrokkene] aan de [adres] in Velserbroek. [gedaagde] en [betrokkene] zijn op grond van artikel 6:6 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) ieder voor de helft aansprakelijk voor de schuld uit de geldlening, hebben de lening niet op 14 januari 2025 afgelost en verkeren in verzuim. [gedaagde] en [betrokkene] hebben hun woning in [plaats 2] inmiddels verkocht en op 2 december 2025 aan de nieuwe eigenaren geleverd. [gedaagde] kan dan ook haar helft van de geldlening met het door haar ontvangen deel van de overwaarde van deze woning aan [eiser] aflossen, maar [gedaagde] weigert haar helft van de geldlening (plus rente) terug te betalen.

[gedaagde] vordert in het incident dat haar wordt toegestaan [betrokkene] in vrijwaring op te roepen opdat [gedaagde] dan van hem kan vorderen dat hij alles aan [gedaagde] betaalt dat [gedaagde] uiteindelijk aan [eiser] moet betalen, althans tot een bedrag van € 50.000,00, plus nevenvorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

[gedaagde] legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij recht en belang heeft [betrokkene] in vrijwaring op te roepen. Volgens [gedaagde] is zij niets aan [eiser] verschuldigd op grond van de geldlening, omdat [betrokkene] op grond van artikel 3 lid 2 van de geldleningsovereenkomst de lening met de verkoopopbrengst van zijn woning in Velserbroek aan [eiser] moest aflossen. Hij heeft dit echter niet gedaan. Daarnaast heeft [betrokkene] geen eigen geld ingebracht voor de aankoop van de woning in [plaats 2], terwijl [gedaagde] hiervoor een bedrag van € 100.000,00 aan eigen geld heeft ingebracht. Indien de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om de helft van de geldlening aan [eiser] terug te betalen, heeft [betrokkene] daar een voordeel van € 50.000,00 bij. Ondanks ingebrekestelling en aanmaning heeft [betrokkene] dit bedrag niet aan [gedaagde] terugbetaald, aldus [gedaagde].

[eiser] refereert zich om proceseconomische redenen aan het oordeel van de rechtbank. Wel merkt zij in het kader van de ambtshalve beoordeling door de rechtbank op dat [gedaagde] geen belang heeft bij een vrijwaringsprocedure. Voor toewijzing van een vordering in vrijwaring is nodig dat [gedaagde] een rechtsverhouding heeft met [betrokkene] die meebrengt dat [betrokkene] verplicht is de nadelige gevolgen van een beslissing tegen [gedaagde] te dragen. Daarvan is volgens [eiser] geen sprake; [gedaagde] heeft slechts gesteld een zelfstandige vordering op [betrokkene] te hebben, omdat zij naar eigen zeggen meer heeft bijgedragen aan de koop van hun gezamenlijke woning en omdat [betrokkene] tekort zou zijn geschoten jegens [gedaagde]. Ook uit artikel 4 lid 1 van de geldleningsovereenkomst vloeit volgens [eiser] geen vrijwaringsplicht voort omdat die bepaling een zekerheid jegens [eiser] behelst en niet een vrijwaring jegens [gedaagde].

De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien de gewaarborgde ([gedaagde]) voldoende gemotiveerd en concreet stelt dat zij krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet te worden aangetoond.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. Inderdaad is het enkele bestaan van een zelfstandige vordering van [gedaagde] op [betrokkene] onvoldoende om de vordering tot oproeping in vrijwaring toe te wijzen. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] evenwel aldus dat zij onder meer betoogt dat het de bedoeling van partijen bij de geldleningsovereenkomst was dat de geldlening zou worden afgelost met de opbrengst van de woning van [betrokkene] in Velserbroek en dat [betrokkene] dus de aflossing van de geldlening op zich zou nemen, althans in ieder geval tot het bedrag dat [gedaagde] had ingebracht voor de koop van de gezamenlijke woning.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

In het incident

staat toe dat [betrokkene] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van 17 juni 2026,

compenseert de kosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

In de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 juni 2026 voor conclusie van antwoord van [gedaagde],

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

1835

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand