ECLI:NL:RBNHO:2026:4909

ECLI:NL:RBNHO:2026:4909

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer AWB - 19 _ 429
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Douanerecht. Naheffingsaanslag accijns ivm het gehalte aan Solvent Yellow in de bunkertans van een schip. Beroep is gegrond.

Uitspraak

“A. Afnemer / Vrijstellingsgenietende

(…)

Naam: [eiseres] (…)

Aan boord van het hierna omschreven schip de onder B vermelde hoeveelheden minerale oliën van vrijstelling van accijns te hebben betrokken en deze te gebruiken voor de voortdrijving van het schip of als scheepsbehoefte aan boord van dit schip

Schip: [naam 6] ENI/IMO nummer (…)

B. omschrijving van de minerale oliën

Gasolie (voorzien van herkenningsmiddelen): 12.001 liter gasolie

C. Leverancier

Ondergetekende:

[plaats] – [naam 9] Verklaart de onder B vermelde hoeveelheid

minerale oliën met vrijstelling van accijns te hebben geleverd aan het onder A. omschreven

schip.

ENI-nummer (…) [bedrijf 2] : AGP nr. NL (…)

Datum: 17-1-2015 (…) Handtekening leverancier

(…)”

Geschil5.In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Meer in het bijzonder is in geschil of is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van heffing van accijns.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiseres voert onder meer aan dat de herkomst van de bevonden gasolie is aangetoond door middel van de bunkerverklaring, waaruit volgt dat voorafgaand aan de controle op 22 januari 2015 de [naam 6] op 17 januari 2015 heeft gebunkerd bij [bedrijf 2] B.V, een erkend bunkerstation. Eiseres treft geen enkel verwijt in deze zaak en mocht vertrouwen op de kwaliteit van de gasolie die door erkende bunkerstations wordt geleverd. Verder voert eiseres aan dat geen sprake is van een belastbaar feit en er dus geen accijns verschuldigd is, dat de naheffingsaanslag ten onrechte (alleen) aan haar is opgelegd en dat de naheffingsaanslag ten onrechte niet aangeeft op hoeveel liter gasolie deze is gebaseerd.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van het primaire besluit, dan wel de inspecteur op te dragen om met inachtneming van de uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiseres.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiseres komt niet in aanmerking voor de vrijstelling gelet op de bevindingen van het laboratorium dat de voor- en achtertanks van de [naam 6] niet de minimaal vereiste hoeveelheid van Solvent Yellow (SY) en teveel zwavel bevatten. Omdat niet met één levering gasolie kan worden getankt met drie verschillende SY-gehaltes of zwavelgehaltes, heeft eiseres met de bunkerverklaring niet de herkomst van de gasolie aangetoond. Er is sprake van het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling terwijl over dat goed geen accijns is geheven, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet op de accijns. Op grond van artikel 1 van de Wet op de accijns is dit een belastbaar feit. Het Alsen-arrest is niet van toepassing omdat daarin, anders dan in deze zaak, er geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude of misbruik doet rijzen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8. De rechtbank stelt voorop dat eiseres accijnsvrij gasolie kan bunkeren voor de aandrijving van het tankschip [naam 6] , nu artikel 66 van de Wet op de accijns voorziet in een vrijstelling voor gasolie die wordt aangewend voor de aandrijving van schepen. Voorwaarde voor deze vrijstelling is dat aan de gasolie per 1000 liter ten minste 6 g en niet meer dan 9 g SY is toegevoegd en aan lichte gasolie mede een voldoende hoeveelheid kleursel is toegevoegd om aan de gasolie een goed zichtbare en blijvende rode kleur te geven (de voorwaarden voor de vrijstelling).

9. Tussen partijen is niet in geschil dat uit de bevindingen van het laboratorium blijkt dat de gasolie in de bunkertanks en het racorfilter niet voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling.

10. In het Alsen-arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat het uit Richtlijn 95/60 voortvloeiende vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden er niet toe kan leiden dat de lidstaten in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij krachtens artikel 15, eerste lid, onder f, van Richtlijn 2003/96 beschikken, de naleving van dit vereiste als voorwaarde mogen stellen voor de vrijstelling voor met name energieproducten die als brandstof voor de vaart op de binnenwateren van de Unie voor commerciële doeleinden worden gebruikt. Dit is anders indien de betrokken marktdeelnemer opzettelijk heeft deelgenomen aan belastingfraude en zo de goede werking van de regeling voor de heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit in gevaar heeft gebracht, of indien niet-naleving van het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan.

11. Uit het Alsen-arrest volgt dat het feit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling niet zonder meer tot de gevolgtrekking leidt dat eiseres niet voor vrijstelling in aanmerking komt. Eiseres komt in deze situatie voor vrijstelling in aanmerking in het geval vaststaat dat de aangetroffen gasolie uitsluitend wordt gebruikt voor de aandrijving van het schip en er geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doet rijzen.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangetroffen gasolie uitsluitend wordt gebruikt voor de aandrijving van het schip. De vraag waarvoor de rechtbank zich dus gesteld ziet, is of er aanwijzingen zijn die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doen rijzen. Het ligt op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.

13. Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen enkele aanwijzing heeft dat het bunkerstation [bedrijf 2] B.V. gasolie verkoopt die niet tenminste de minimaal vereiste hoeveelheid SY bevat, dan wel meer dan 10 mg/kg zwavel bevat. Hij wijst daartoe op het lidmaatschap van [bedrijf 2] B.V. van de [stichting] ( [stichting] ), een samenwerkingsverband van bonafide scheepsbunkeraars dat heeft vastgelegd aan welke specificaties de te leveren gasolie dient te voldoen. Omdat sprake is van drie verschillende SY-gehaltes en verschillen in zwavelgehaltes, concludeert verweerder dat de gasolie niet in één levering gasolie kan zijn getankt bij [bedrijf 2] B.V. De geconstateerde verschillen kunnen daarom uitsluitend worden verklaard door handelingen die aan boord van het schip (eerder) zijn verricht. Ter zitting heeft verweerder in dat kader uiteengezet dat dit soort schepen over het algemeen gasolie heeft als lading en dat het daarom waarschijnlijk is dat het restant van de af te leveren gasolie niet aan de kade is vernietigd, maar is afgeroomd door het in de brandstoftanks van het schip over te tanken (afroomhandelingen / ladingfraude). Er is daarom een vermoeden van fraude, belastingontwijking of misbruik.

14. De rechtbank overweegt dat verweerder noch in het verweerschrift of het aanvullend stuk, noch ter zitting heeft geconcretiseerd voor welke van de drie vermoedens (fraude, misbruik of belastingontwijking) er volgens hem aanwijzingen zijn. De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder aldus dat volgens hem sprake is van aanwijzingen voor een vermoeden van fraude. Verweerder heeft dat evenwel niet aannemelijk gemaakt.

Dat het bunkerstation [bedrijf 2] B.V. uitsluitend gasolie levert die tenminste de minimaal vereiste hoeveelheid SY en niet meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid zwavel bevat, omdat [bedrijf 2] een betrouwbare leverancier is, heeft verweerder niet met stukken onderbouwd. Het algemene betoog over de betrouwbaarheid van [bedrijf 2] B.V. verschaft, net als het algemene betoog over ladingfraude, geen informatie voor een vermoeden van fraude, misbruik of belastingontwijking door eiseres ten aanzien van de aangetroffen gasolie. Ook de blote stelling dat met het schip uitsluitend gasolie wordt vervoerd, is hiervoor onvoldoende. Andere feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is van aanwijzingen voor fraude, heeft verweerder niet gesteld en zijn ook overigens niet gebleken. Daarnaast heeft verweerder evenmin aannemelijk gemaakt dat er aanwijzingen zijn voor het vermoeden van belastingontwijking of misbruik.

Slotsom

15. Eiseres komt in aanmerking voor de vrijstelling van accijns, wegens het ontbreken van aanwijzingen die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doen rijzen. De naheffingsaanslag accijns is daarom ten onrechte opgelegd. Gezien artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012, is ook de naheffingsaanslag voorraadheffing ten onrechte opgelegd. Hierdoor is ook de boete ten onrechte opgelegd. De overige gronden hoeven daarom geen bespreking meer. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking zal vernietigen.

Proceskosten en griffierecht

16. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.600 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder ook aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 345 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 1.600;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.P. van der Zalm

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026061706 NLF 2026/1199 FutD 2026-1098 Douanerechtspraak 2026/81
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand