RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/996507-14 (ontneming)
Uitspraakdatum : 7 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering), in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
1. Het verloop van de procedure
De vordering dateert van 15 juli 2022 en houdt in dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op € 5.849.090,00 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het openbaar ministerie heeft de vordering aangebracht op de zitting van 1 september 2022. Vervolgens is de vordering aan de orde geweest op de zittingen van 12, 13 en 16 mei 2025. De rechtbank heeft op die zittingen de strafzaak inhoudelijk behandeld en de behandeling van de vordering aangehouden tot 31 maart 2026. Daarbij heeft de rechtbank termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding op de behandeling van de vordering op zitting.
De officier van justitie heeft een conclusie van eis ingediend. Vervolgens zijn conclusies van antwoord, repliek en dupliek ingediend. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van deze conclusies en van het met de vordering samenhangende strafdossier.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. R. van ’t Land (advocaat te Breda) en de officier van justitie gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 7 mei 2026.
2. De voorafgaande veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 17 juni 2025 (hierna: het vonnis) is de veroordeelde veroordeeld voor:
3. De vordering van het openbaar ministerie
Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de officier van justitie – in lijn met het in de conclusie van repliek ingenomen standpunt – geëist het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 2.032.418,05 en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
In de conclusies van eis en repliek en op de zitting is (de bijstelling van) de vordering nader toegelicht. Uit die toelichting blijkt dat de vordering is gebaseerd op het ontnemingsrapport van 22 september 2020 (hierna: het rapport) en de daarin gebruikte berekeningsmethoden, te weten: a) een berekening op transactiebasis (betreffende een aantal bancaire geldstromen), en b) een eenvoudige kasopstelling.
Berekening op transactiebasis
Het op transactiebasis berekende bedrag is volgens het openbaar ministerie voordeel verkregen door middel van of uit de baten van feiten soortgelijk aan de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (artikel 36e, tweede lid, Sr). Onverklaarbare bedragen zijn als girale betalingen op rekeningen van (en daarmee binnen de beschikkingsmacht van) de veroordeelde gekomen. Aannemelijk is dat deze bedragen opbrengsten (al dan niet in de vorm van een witwas-fee) zijn uit strafbare feiten die de veroordeelde zelf heeft gepleegd. Naar aanleiding van de overwegingen van de rechtbank in het vonnis is het berekende voordeel verminderd met een bedrag van € 3.816.671,95. Dit bedrag betreft de bedragen die direct of indirect afkomstig zijn van [naam 1] (inclusief genoten vervolgprofijt), waarover de rechtbank in het vonnis heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat die bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Voor het overige ziet het openbaar ministerie geen reden het berekende voordeel bij te stellen.
Eenvoudige kasopstelling
Daarnaast is volgens het openbaar ministerie op grond van de eenvoudige kasopstelling aannemelijk dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). De veroordeelde heeft namelijk uitgaven ter hoogte van € 701.075,00 gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. Daarbij heeft de veroordeelde niet concreet en/of met stukken onderbouwd aangevoerd dat hij over méér legale inkomsten beschikte dan in de kasopstelling is opgenomen, zodat niet aannemelijk is dat hij over méér legale inkomsten beschikte. De overwegingen van de rechtbank in het vonnis hebben volgens het openbaar ministerie geen gevolgen voor het gebruik en het resultaat van de kasopstelling.
Redelijke termijn
Tot slot stelt het openbaar ministerie zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Subsidiair meent zij dat de rechtbank kan volstaan met de enkele constatering van een termijnoverschrijding.
4. Het standpunt van de verdediging
Berekening op transactiebasis
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de geldbedragen uit de berekening op transactiebasis afkomstig zijn uit enig (door de veroordeelde zelf gepleegd) misdrijf. Het openbaar ministerie heeft hiervoor onvoldoende aanwijzingen aangedragen. In het verlengde hiervan kan evenmin sprake zijn van vervolgprofijt.
Eenvoudige kasopstelling
Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de eenvoudige kasopstelling, gelet op de overwegingen van de rechtbank in het vonnis met betrekking tot (het onderzoek naar) de financiële positie van de veroordeelde, verre van compleet is en om die reden onbetrouwbaar is. Bovendien worden diverse geldbedragen ten onrechte als contante uitgaven van de veroordeelde aangemerkt. Aan het negatieve saldo in deze kasopstelling kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn, die moet worden gecompenseerd door vermindering van de betalingsverplichting.
5. De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het toepasselijk recht
Voorafgaand aan de beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld welke bepaling van artikel 36e Sr (oud of huidig) in deze zaak van toepassing is. De officier van justitie en de verdediging hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de oude bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is.
Bij de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming is de redactie van artikel 36e Sr aanzienlijk gewijzigd. Bij deze wetswijziging is geen bijzondere overgangsregeling getroffen zodat het normale overgangsrecht van toepassing is dat voortvloeit uit artikel 1 Sr. Voor de beantwoording van de vraag welke bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is, is daarom beslissend of het bewezenverklaarde feit is begaan vóór of na 1 juli 2011.
De bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 27 juni 2006 tot en met 25 juli 2006 (valsheid in geschrift), 17 april 2011 (opdracht geven tot valsheid in geschrift) en 9 augustus 2006 tot en met 3 oktober 2016 (witwassen). De feiten hebben dus grotendeels vóór 1 juli 2011 plaatsgevonden. Dit betekent dat de oude bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling voor de veroordeelde gunstiger is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de oude bepaling van artikel 36e Sr in deze zaak van toepassing is.
Het juridisch kader
Artikel 36e (oud) Sr biedt twee grondslagen voor het opleggen van de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zijn geregeld in het tweede en het derde lid van artikel 36e (oud) Sr, ieder met een eigen beoordelingskader.
Artikel 36e, tweede lid (oud), Sr
Op grond van artikel 36e, tweede lid (oud), Sr kan een ontnemingsmaatregel betrekking hebben op het voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is veroordeeld, of uit soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De in het tweede lid bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde soortgelijke feiten heeft begaan of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Artikel 36e, derde lid (oud), Sr
Op grond van artikel 36e, derde lid (oud), Sr kan de ontnemingsmaatregel ook worden opgelegd indien de veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, en gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat het feit waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e (oud) Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de veroordeelde in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf ‘of andere strafbare feiten’ hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke ‘andere strafbare feiten’ er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De beoordeling van de rechtbank
De officier van justitie en de verdediging zijn het gedurende de uitwisseling van schriftelijke standpunten op onderdelen met elkaar eens geworden. De rechtbank zal haar beoordeling hierna beperken tot de onderdelen die op dit moment nog ter discussie staan. Het dossier biedt geen aanleiding voor de rechtbank om ambtshalve ook onderdelen van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te beoordelen die niet meer ter discussie staan tussen de officier van justitie en de verdediging.
Berekening op transactiebasis (giraal)
In het rapport is in de eerste plaats gebruik gemaakt van een berekening waarbij de opbrengst bestaat uit een optelsom van overboekingen die zijn ontvangen op bankrekeningen op naam van de veroordeelde en/of aan hem gelieerde ondernemingen. In het rapport zijn per overboeking feiten en omstandigheden benoemd op grond waarvan het openbaar ministerie tot de conclusie komt dat deze geldbedragen i) geen legale herkomst hebben, ii) binnen de beschikkingsmacht van de veroordeelde zijn gebleven, en dus iii) wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde vormen uit door hem gepleegde strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid (oud), Sr.
De rechtbank heeft alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld en komt tot de slotsom dat op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde in de betreffende periode feiten soortgelijk aan de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, heeft begaan. De enkele omstandigheid dat de veroordeelde gedurende enige tijd de beschikkingsmacht heeft gehad over de in de berekening genoemde geldbedragen die op zijn rekeningen zijn overgemaakt, is, anders dan het standpunt van het openbaar ministerie impliceert, hiervoor onvoldoende.
Daar komt nog bij dat de berekening kennelijk is gebaseerd op het vermoeden dat de ontvangen geldbedragen geen legale herkomst hebben omdat de veroordeelde die bedragen heeft witgewassen. De officier van justitie heeft gesteld dat het gaat om voordeel verkregen uit feiten soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten in het vonnis, waarmee zij kennelijk doelt op witwassen. Los van het feit dat in rechte niet is komen vast te staan dat de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de betreffende geldbedragen, volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van witwassen niet met zich brengt dat alleen al daarom het geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. Het verrichten van witwashandelingen leidt namelijk op zichzelf niet ertoe dat het geldbedrag in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel oplevert. Met uitzondering van de opbrengsten uit de verhuur van het pand aan de [adres 2] ziet de rechtbank niet in op welke wijze de veroordeelde daadwerkelijk voordeel zou hebben verkregen uit het witwassen van de geldbedragen. De enkele stelling van de officier van justitie dat ‘sprake moet zijn geweest van een witwas-fee’, is hiervoor ontoereikend.
Eenvoudige kasopstelling
De volgende vraag die voorligt, is of de eenvoudige kasopstelling uit het rapport de conclusie kan rechtvaardigen dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
In het hiervoor al genoemde vonnis in de strafzaak van de veroordeelde heeft de rechtbank het volgende overwogen omtrent (het onderzoek naar) de financiële positie van de veroordeelde:
“De rechtbank is van oordeel dat het dossier niet voldoende inzicht geeft in de financiële positie van de verdachten en de aan hen gelieerde vennootschappen om op basis daarvan te concluderen dat de aankopen niet kunnen worden verklaard door legale inkomsten. Dit licht de rechtbank hierna toe.
De in het dossier aanwezige aangiften inkomstenbelasting van de verdachte geven alleen informatie over het fiscaal vermogen (bezittingen minus schulden) op peildata in de belastingjaren, maar zeggen onvoldoende over de beschikbare liquide middelen van de verdachten gedurende die jaren, bijvoorbeeld uit geldleningen of uit (onbelaste) verkoopopbrengsten en huurinkomsten van onroerende zaken. (…) Het dossier geeft geen informatie over de financiële positie van de verdachten in de jaren voorafgaand aan de tenlastelegging, terwijl dat wel relevant is voor de beantwoording van de vraag of zij over voldoende middelen beschikten om de aankopen te kunnen bekostigen.
Daar komt bij dat het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachten en de
vennootschappen naar het oordeel van de rechtbank op belangrijke onderdelen gebreken vertoont. Over de beginsaldi op de bankrekeningen heeft de rechtbank – met uitzondering van één bankrekening op naam van [medeverdachte] – geen enkele informatie gevonden in het dossier. Daar komt verder bij dat – ook na de bespreking van de kwestie op zitting – niet duidelijk is of de FIOD beschikt (heeft) over een compleet beeld van alle bankmutaties op de bankrekeningen. De brondocumenten die de banken aan de FIOD hebben uitgeleverd, maken geen deel uit van het dossier. Nu het tegendeel niet is aangetoond, neemt de rechtbank aan dat de verdachte ondanks het verzoek daartoe ook geen inzage heeft gekregen in die documenten. De verdediging heeft de in de ambtsberichten opgenomen transacties dus niet (volledig) kunnen toetsen, terwijl het dossier volgens de verdachte meerdere onjuistheden bevat. (…)
De conclusie moet zijn dat het onderzoek naar de financiële positie van de verdachten zodanige gebreken vertoont dat de resultaten daarvan niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan een witwasvermoeden. Dit leidt er ook toe dat de in het onderzoek gesignaleerde contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachten en de contante stortingen op bankrekeningen van derden die te herleiden zijn tot de verdachten, onvoldoende basis vormen voor een witwasvermoeden. Het dossier sluit immers niet de mogelijkheid uit dat die contante stortingen afkomstig zijn uit legale cash flow, mede gelet op de (horeca)ondernemingen van de verdachten waarvan mag worden aangenomen dat daarin destijds veel contant geld omging.”
Deze overwegingen van de rechtbank zijn (naast de vraag of sprake is van een witwasvermoeden) ook relevant in het kader van de beantwoording van de vraag of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Datzelfde financiële onderzoek ligt namelijk ten grondslag aan de eenvoudige kasopstelling. De rechtbank herhaalt in deze procedure de vaststelling dat het financiële onderzoek zodanige gebreken vertoont dat op basis daarvan geen volledig en daarmee betrouwbaar beeld is verkregen van de liquiditeiten van de veroordeelde in de onderzoeksperiode. Dat de bankafschriften van de bankrekening op naam van de veroordeelde en [medeverdachte] (eindigend op -3870) uit 2006, 2007, 2008 en gedeeltelijk 2009 niet meer beschikbaar zijn, is een extra argument voor de conclusie dat de kasopstelling daadwerkelijk onvolledig is. Door het ontbreken van die bankafschriften blijft immers onbekend of in die periode contante opnamen van de betreffende rekening zijn gedaan.
De verdediging heeft in de conclusies van antwoord en dupliek al gewezen op de gevolgen van de overwegingen van de rechtbank voor de betrouwbaarheid van (het resultaat van) de kasopstelling. Het openbaar ministerie heeft echter niet uitgelegd waarom de kasopstelling in het licht van voornoemde overwegingen niettemin toch deugdelijk zou zijn. Wat daarover in reactie op de vragen van de rechtbank nog op de zitting is aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Ook heeft het openbaar ministerie geen (nader) onderzoek verricht naar wat de veroordeelde tijdens de behandeling van de strafzaak in mei 2025 naar voren heeft gebracht in relatie tot zijn liquide middelen, terwijl daarvoor voldoende tijd en gelegenheid heeft bestaan. De rechtbank denkt bijvoorbeeld – al dan niet in het kader van een heropening van het strafrechtelijk financieel onderzoek – aan het opvragen van de kasboeken van de (horeca)ondernemingen van de veroordeelde en zijn partner om te verifiëren of daarin inderdaad, zoals de veroordeelde heeft aangevoerd, sealbagstortingen van omzet zijn geadministreerd die een verklaring geven voor de herkomst van als uitgaven in aanmerking genomen contante stortingen op de privébankrekeningen (zie § 5.2.2.4.1 van het rapport). Het openbaar ministerie heeft in reactie hierop in haar conclusie van repliek en op vragen van de rechtbank hierover aangevoerd dat er onderzoek naar de bankrekeningen van de (horeca)ondernemingen is verricht en dat daaruit naar voren is gekomen dat er niet/beperkt contanten zijn opgenomen vanaf die zakelijke bankrekeningen. Hiermee miskent het openbaar ministerie dat de sealbagstortingen volgens de verklaring van de veroordeelde contante omzet vormen en dus rechtstreekse kasopnames uit de ondernemingen zijn die niet via de zakelijke bankrekeningen zijn ontvangen. De veroordeelde heeft verklaard dat tegenover deze onttrekkingen in de (kas)administratie van de ondernemingen vorderingen op de veroordeelde of zijn partner in privé zijn geactiveerd in rekening-courant en er om die reden geen aanleiding bestond deze onttrekkingen als genoten inkomsten (bijvoorbeeld uit aanmerkelijk belang als het gaat om verkapt dividend uit een besloten vennootschap) te verantwoorden in de aangiften inkomstenbelasting van hemzelf of zijn partner. Ook op dit punt hadden de kasboeken en de administratie van de ondernemingen duidelijkheid kunnen geven. Ook ontbreken de aangiften inkomstenbelasting van de partner van de veroordeelde om deze gang van zaken te kunnen verifiëren. Zij had immers ook (op papier) belangen in de betrokken ondernemingen en besloten vennootschappen. In dit verband merkt de rechtbank op dat indien in de aangifte inkomstenbelasting (per saldo) geen inkomsten uit sparen en beleggen zijn verantwoord, dit niet hoeft te betekenen dat er in privé geen bezittingen of schulden zijn geweest. In haar reactie heeft het openbaar ministerie er nog op gewezen dat de veroordeelde op 3 oktober 2016, de datum van de uitreiking van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek, op de hoogte was dat een ontnemingsprocedure zou volgen en dat het op zijn weg had gelegen om in het kader van bewijslastverdeling in een ontnemingsprocedure de administratie inclusief kasboeken beschikbaar te hebben. De rechtbank volgt het openbaar ministerie niet hierin. Het is aan het openbaar ministerie om een betrouwbare en volledige kasopstelling op te maken. Eerst ten tijde van het ontnemingsrapport op 22 september 2020 en de in § 5.2.2 van het rapport gemaakte eenvoudige kasopstelling moet het belang van de (kas)administratie van de ondernemingen voor de veroordeelde duidelijk zijn geworden. Mede gelet op het feit dat in 2020 de wettelijke bewaartermijn voor administratieplichtigen (artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) ten aanzien van de periode waarop de kasopstelling ziet (2006-2015) grotendeels was verstreken, kan het niet overleggen van deze stukken de veroordeelde niet worden tegengeworpen.
Daar komt nog bij dat in de kasopstelling aan de zijde van de uitgaven diverse posten twijfels oproepen over de deugdelijkheid van de kasopstelling. Zo worden de stortingen op de bankrekening van [naam 2] voorafgaand aan de girale overboekingen op 16 maart 2012 naar de veroordeelde in het rapport als contante uitgaven van de veroordeelde aangemerkt, terwijl dat op gespannen voet staat met de conclusies van de rechtbank in het vonnis met betrekking tot de herkomst van die overboekingen. De rechtbank heeft in het vonnis immers overwogen dat het openbaar ministerie onvoldoende nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaring van de veroordeelde dat dit geld van [naam 2] zelf afkomstig is. Bovendien worden gelden van derden op grond van onzekerheden en ongefundeerde aannames als contante uitgaven van de veroordeelde aangemerkt. In dat verband springt met name in het oog de wijze waarop de studiekosten van de dochter van de veroordeelde en de onder [naam 3] aangetroffen geldbedragen aan de veroordeelde worden toegeschreven. Datzelfde geldt voor de aankoop van de auto van [naam 4] , die als contante uitgave van de veroordeelde als privépersoon wordt aangemerkt, terwijl de informatie in het rapport erop wijst dat die uitgave is gedaan door een rechtspersoon waarvan de veroordeelde destijds directeur was.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de kasopstelling onvoldoende (betrouwbare) handvatten biedt voor de vaststelling dat de veroordeelde uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en dat dus aannemelijk is dat hij uit ‘andere strafbare feiten’ wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Conclusie
De slotsom is dat de rechtbank in het rapport onvoldoende grond ziet om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten, en zo ja, hoeveel dat voordeel dan bedraagt. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. A.A. Fase en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.