ECLI:NL:RBNHO:2026:4967

ECLI:NL:RBNHO:2026:4967

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 15/996504-16 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Mega Schredder. Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996504-16 (ontneming)

Uitspraakdatum : 7 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (hierna: de vordering), in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] ,

hierna te noemen: de veroordeelde.

1. Het verloop van de procedure

De vordering dateert van 15 juli 2022 en houdt in dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal vaststellen op € 153.258,00 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het openbaar ministerie heeft de vordering aangebracht op de zitting van 1 september 2022. Vervolgens is de vordering aan de orde geweest op de zittingen van 12, 13 en 16 mei 2025. De rechtbank heeft op die zittingen de strafzaak inhoudelijk behandeld en de behandeling van de vordering aangehouden tot 31 maart 2026. Daarbij heeft de rechtbank termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding op de behandeling van de vordering op zitting.

De officier van justitie heeft een conclusie van eis ingediend. Vervolgens zijn conclusies van antwoord, repliek en dupliek ingediend. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van deze conclusies en van het met de vordering samenhangende strafdossier.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. H.M. Dunsbergen (advocaat te Breda) en de officier van justitie gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 7 mei 2026.

2. 2. De voorafgaande veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 17 juni 2025 (hierna: het vonnis) is de veroordeelde veroordeeld voor:

3. De vordering van het openbaar ministerie

Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de officier van justitie – in lijn met het in de conclusie van repliek ingenomen standpunt – geëist het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 146.652,47 en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

In de conclusies van eis en repliek en op de zitting is (de bijstelling van) de vordering nader toegelicht. Uit die toelichting blijkt dat de vordering is gebaseerd op het ontnemingsrapport van 29 april 2020 (hierna: het rapport) en de daarin gebruikte berekeningsmethode van een eenvoudige kasopstelling.

Eenvoudige kasopstelling

Volgens het openbaar ministerie is op grond van de eenvoudige kasopstelling aannemelijk dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). De veroordeelde heeft namelijk uitgaven gedaan die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard. Daarbij heeft de veroordeelde niet concreet en/of met stukken onderbouwd aangevoerd dat hij over méér legale inkomsten beschikte dan in de kasopstelling is opgenomen, zodat niet aannemelijk is dat hij over méér legale inkomsten beschikte. Naar aanleiding van de bezwaren van de veroordeelde is het voordeel verminderd met een bedrag van € 6.875,53. Dit bedrag betreft de bedragen die ten onrechte als contante uitgaven van de veroordeelde zijn aangemerkt. Voor het overige ziet het openbaar ministerie naar aanleiding van de conclusiewisseling geen reden het berekende voordeel bij te stellen. De overwegingen van de rechtbank in het vonnis hebben volgens het openbaar ministerie geen gevolgen voor het gebruik en het resultaat van de kasopstelling.

Redelijke termijn Tot slot stelt het openbaar ministerie zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Subsidiair meent zij dat de rechtbank kan volstaan met de enkele constatering van een termijnoverschrijding.

4. Het standpunt van de verdediging

Eenvoudige kasopstelling De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de eenvoudige kasopstelling, gelet op de overwegingen van de rechtbank in het vonnis met betrekking tot (het onderzoek naar) de financiële positie van de veroordeelde, verre van compleet is en om die reden onbetrouwbaar is. Bovendien worden diverse geldbedragen ten onrechte als contante uitgaven van de veroordeelde aangemerkt. Aan het negatieve saldo in deze kasopstelling kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Redelijke termijn Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn, die moet worden gecompenseerd door vermindering van de betalingsverplichting.

5. De beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het juridisch kader

De Hoge Raad heeft voor de beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, derde lid, Sr het volgende beoordelingskader opgesteld.

Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan de ontnemingsmaatregel worden opgelegd indien de veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, en aannemelijk is dat het feit waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de veroordeelde in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf ‘of andere strafbare feiten’ hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke ‘andere strafbare feiten’ op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De beoordeling van de rechtbank

De officier van justitie en de verdediging zijn het gedurende de uitwisseling van schriftelijke standpunten op enkele onderdelen met elkaar eens geworden. De rechtbank zal haar beoordeling hierna beperken tot de onderdelen die op dit moment nog ter discussie staan. Het dossier biedt geen aanleiding voor de rechtbank om ambtshalve ook onderdelen van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te beoordelen die niet meer ter discussie staan tussen de officier van justitie en de verdediging.

De vraag die voorligt, is of de eenvoudige kasopstelling uit het rapport de conclusie kan rechtvaardigen dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

In het hiervoor al genoemde vonnis in de strafzaak van de veroordeelde heeft de rechtbank het volgende overwogen omtrent (het onderzoek naar) de financiële positie van de veroordeelde:

“De rechtbank is van oordeel dat het dossier niet voldoende inzicht geeft in de financiële positie van de verdachten en de aan hen gelieerde vennootschappen om op basis daarvan te concluderen dat de aankopen niet kunnen worden verklaard door legale inkomsten. Dit licht de rechtbank hierna toe.

De (…) aangiften inkomstenbelasting (…) geven alleen informatie over het fiscaal vermogen (bezittingen minus schulden) op peildata in de belastingjaren, maar zeggen onvoldoende over de beschikbare liquide middelen van de verdachten gedurende die jaren, bijvoorbeeld uit geldleningen of uit (onbelaste) verkoopopbrengsten en huurinkomsten van onroerende zaken. Van de verdachte ontbreken zelfs de onderliggende belastingaangiften, waardoor niet inzichtelijk is wat hij precies heeft opgegeven bij de Belastingdienst. Het dossier geeft geen informatie over de financiële positie van de verdachten in de jaren voorafgaand aan de tenlastelegging, terwijl dat wel relevant is voor de beantwoording van de vraag of zij over voldoende middelen beschikten om de aankopen te kunnen bekostigen.

Daar komt bij dat het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachten en de

vennootschappen naar het oordeel van de rechtbank op belangrijke onderdelen gebreken vertoont. Over de beginsaldi op de bankrekeningen heeft de rechtbank – met uitzondering van één bankrekening op naam van de verdachte – geen enkele informatie gevonden in het dossier. Daar komt verder bij dat – ook na de bespreking van de kwestie op zitting – niet duidelijk is of de FIOD beschikt (heeft) over een compleet beeld van alle bankmutaties op de bankrekeningen. De brondocumenten die de banken aan de FIOD hebben uitgeleverd, maken geen deel uit van het dossier. (…) In de zaak van de verdachte is de rechtbank wel gebleken dat bankmutaties aan de verdediging zijn verstrekt, maar het is onduidelijk gebleven welke documenten dit precies betreft (alle bankmutaties of een selectie daarvan).

De conclusie moet zijn dat het onderzoek naar de financiële positie van de verdachten zodanige gebreken vertoont dat de resultaten daarvan niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan een witwasvermoeden. Dit leidt er ook toe dat de in het onderzoek gesignaleerde contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachten en de contante stortingen op bankrekeningen van derden die te herleiden zijn tot de verdachten, onvoldoende basis vormen voor een witwasvermoeden. Het dossier sluit immers niet de mogelijkheid uit dat die contante stortingen afkomstig zijn uit legale cash flow, mede gelet op de (horeca)ondernemingen van de verdachten waarvan mag worden aangenomen dat daarin destijds veel contant geld omging.”

Deze overwegingen van de rechtbank zijn (naast de vraag of sprake is van een witwasvermoeden) ook relevant in het kader van de beantwoording van de vraag of sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Datzelfde financiële onderzoek ligt namelijk ten grondslag aan de eenvoudige kasopstelling. De rechtbank herhaalt in deze procedure de vaststelling dat het financiële onderzoek zodanige gebreken vertoont dat op basis daarvan geen volledig en daarmee betrouwbaar beeld is verkregen van de liquiditeiten van de veroordeelde in de onderzoeksperiode. Dat de bankafschriften van de bankrekening op naam van de veroordeelde en [medeverdachte] (eindigend op -3870) uit 2006, 2007, 2008 en gedeeltelijk 2009 niet meer beschikbaar zijn, is een extra argument voor de conclusie dat de kasopstelling daadwerkelijk onvolledig is. Door het ontbreken van die bankafschriften blijft immers onbekend of in die periode contante opnamen van de betreffende rekening zijn gedaan.

De verdediging heeft in de conclusies van antwoord en dupliek al gewezen op de gevolgen van de overwegingen van de rechtbank voor de betrouwbaarheid van (het resultaat van) de kasopstelling. Het openbaar ministerie heeft echter niet uitgelegd waarom de kasopstelling in het licht van voornoemde overwegingen niettemin toch deugdelijk zou zijn. Wat daarover in reactie op de vragen van de rechtbank nog op de zitting is aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Ook heeft het openbaar ministerie geen (nader) onderzoek verricht naar wat de veroordeelde naar voren heeft gebracht in relatie tot zijn liquide middelen, terwijl daarvoor voldoende tijd en gelegenheid heeft bestaan. De rechtbank denkt bijvoorbeeld aan het opvragen van een uitdraai uit het register van de Dienst Wegverkeer (RDW), waarmee op eenvoudige wijze had kunnen worden nagegaan of de veroordeelde inderdaad, zoals hij (onder vermelding van kentekens) bij conclusie van repliek heeft aangevoerd, in de onderzoeksperiode in verband met de (contante) verkoop van verschillende voertuigen bedragen heeft ontvangen die ontbreken in de kasopstelling.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de kasopstelling onvoldoende (betrouwbare) handvatten biedt voor de vaststelling dat de veroordeelde uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en dat dus aannemelijk is dat hij uit ‘andere strafbare feiten’ wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De slotsom is dat de rechtbank in het rapport onvoldoende grond ziet om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten, en zo ja, hoeveel dat voordeel dan bedraagt. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,

mr. A.A. Fase en mr. I.M. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C.J. Lommen
  • mr. A.A. Fase
  • mr. I.M. Hendriks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand