RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/193674-25 (P)
Uitspraakdatum: 4 mei 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 april 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.M. van der Most en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij in de periode van 1 juli 2024 tot 24 augustus 2024 te Purmerend, althans in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [het slachtoffer], een of meerdere malen, indringend mondeling en/of schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
- naar die [het slachtoffer] (online) zelfgeschreven ‘seksverhalen’, althans verhalen van seksuele strekking en/of aard te sturen en/of
- naar die [het slachtoffer] te sturen: ‘Kom je op me zitten en bewegen Zodat je het heerlijk tegen ja aan voelt drukken’ en/of ‘We zoenen en nog meer en knuffelen verder. Je laat je hand naar beneden glijden en begint te strelen je voelt je vingers over mijn broek en je pakt hem vast. Het voelt hard en stijf. Ik doe het zelfde bij jou. Mijn hand gaat je broek in en streelt zacht je voelt warm en vochtig en je zegt dat ik door moet gaan’ althans woorden van gelijke seksuele aard en/of strekking;
Feit 2
hij in de periode van 1 juli 2024 tot 24 augustus 2024 te Purmerend, althans in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en/of een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [het slachtoffer], een of meerdere malen, een ontmoeting heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en enige handeling heeft ondernomen tot het verwezenlijken van die ontmoeting, door
- aan die [het slachtoffer] een datum voor te stellen om af te spreken en/of
- met betrekking tot de afspraak die [het slachtoffer] via social media-kanalen de volgende berichten te sturen:
- “ hoe graag zo zitten op me schoot woensdag” en/of
- “ en knuffelen. En tegen elkaar aan liggen. En genieten en voelen en proeven” en/of
- toestemming te vragen aan de vader van die [het slachtoffer] om af te spreken met die [het slachtoffer] op de besproken datum.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor beide ten laste gelegde feiten. Zij voert met betrekking tot feit 1 aan dat de door de verdachte verzonden berichten weliswaar als ongewenst kunnen worden beschouwd, maar dat het seksuele karakter ervan onvoldoende indringend en schadelijk is te achten, om de drempel van strafbaarheid te overschrijden. Met betrekking tot feit 2 voert de raadsvrouw aan dat niet is gebleken dat de verdachte met de geplande ontmoeting een seksueel doel had en dat de ontmoeting niet heeft plaatsgevonden.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1
In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte in de tenlastegelegde periode via Snapchat en de chatfunctie van de schaakwebsite Chess.com berichten van seksuele aard naar [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer]), een meisje van twaalf jaar, heeft verstuurd.
Volgens artikel 251, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor strafbaarheid van seksuele benadering van een kind onder de leeftijd van zestien jaren vereist dat sprake is van indringend benaderen. Voor het bestanddeel ‘indringend’ is blijkens de wetsgeschiedenis een zekere mate van intensiteit vereist. De rechtbank zal daarom eerst de vraag beantwoorden of hiervan sprake is.
De verdachte heeft, over een langere periode, een veelvoud aan berichten met een seksuele strekking naar [het slachtoffer] verstuurd. De verdachte was destijds 33 jaar en tussen hem en [het slachtoffer] bestond een gezagsrelatie aangezien hij haar sportinstructeur was op haar BSO. Ook had de verdachte een vertrouwensband opgebouwd met het gezin van [het slachtoffer]. In de berichten omschrijft de verdachte op gedetailleerde wijze verschillende vergaande seksuele handelingen. Uit het geheel van de berichtenwisselingen tussen de verdachte en [het slachtoffer], blijkt dat het de verdachte is die deze gesprekken veelal initieert, gaande houdt door onder meer het stellen van suggestieve vragen aan [het slachtoffer], de gesprekken verder brengt door concrete voorstellen te doen over mogelijke seksuele handelingen, en [het slachtoffer] aanspoort gedachten van seksuele aard met hem te delen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de berichten van de verdachte aan [het slachtoffer] zonder meer het karakter hebben van een indringende seksuele benadering. Dat het contact tussen de verdachte en [het slachtoffer] wederkerig was en dat er geen sprake is geweest van intimidatie en het uitoefenen van druk, zoals door de raadsvrouw betoogd, doet hier niet aan af.
Artikel 251, eerste lid, aanhef en onder a, Sr schrijft verder voor dat vereist is dat de seksuele benadering schadelijk te achten is voor kinderen onder de leeftijd van zestien jaren. De schadelijkheid dient in zijn algemeenheid te worden beoordeeld. Schade bij een specifiek slachtoffer hoeft niet te worden vastgesteld om te kunnen komen tot strafbaarheid.
De rechtbank is van oordeel dat de berichten die de verdachte aan [het slachtoffer] heeft gestuurd zonder meer schadelijk te achten zijn voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren. Zoals gezegd worden in de berichten vergaande seksuele handelingen besproken, die niet passend zijn voor een meisje van slechts twaalf jaar oud. In het algemeen zal het versturen van dergelijke berichten naar een minderjarige leiden tot een doorkruising van de seksuele ontwikkeling van de minderjarige. Dat dit in dit concrete geval anders zou zijn, zoals door de raadsvrouw is betoogd, is niet relevant.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het indringend seksueel benaderen van [het slachtoffer]. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 2
Uit de berichten blijkt dat de verdachte en [het slachtoffer] elkaar zouden ontmoeten de woensdag nadat zij terugkwam van vakantie. De vraag is of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan ‘grooming’.
In artikel 251, eerste lid, aanhef en onder c, Sr is strafbaar gesteld: het aan een kind beneden de leeftijd van zestien jaren voorstellen van een ontmoeting voor seksuele doeleinden en het ondernemen van enige handeling tot het verwezenlijken van die ontmoeting. Uit de berichten blijkt dat de verdachte, in de aanloop naar de geplande ontmoeting, [het slachtoffer] herhaaldelijk en expliciet heeft voorgehouden welke intieme en seksuele handelingen (waaronder “voelen, proeven en zoenen”) hij tijdens die ontmoeting met haar wilde gaan verrichten. Dat deze beoogde ontmoeting op woensdag een onschuldig karakter had, wordt weersproken door de strekking van de berichten en acht de rechtbank daarom niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook een materiële handeling verricht gericht op het realiseren van de ontmoeting, door aan de vader van [het slachtoffer] toestemming te vragen om haar op woensdag te ontmoeten. Dat de ontmoeting uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden, zoals door de raadsvrouw betoogd, doet aan de strafbaarheid van zijn handelen niet af.
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij in de periode van 1 juli 2024 tot 24 augustus 2024 in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [het slachtoffer], meerdere malen, indringend schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
- naar die [het slachtoffer] verhalen van seksuele strekking te sturen en
- naar die [het slachtoffer] te sturen: ‘Kom je op me zitten en bewegen Zodat je het heerlijk tegen ja aan voelt drukken’ en/of ‘We zoenen en nog meer en knuffelen verder. Je laat je hand naar beneden glijden en begint te strelen je voelt je vingers over mijn broek en je pakt hem vast. Het voelt hard en stijf. Ik doe het zelfde bij jou. Mijn hand gaat je broek in en streelt zacht je voelt warm en vochtig en je zegt dat ik door moet gaan’;
Feit 2
hij in de periode van 1 juli 2024 tot 24 augustus 2024 in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [het slachtoffer], een ontmoeting heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en enige handeling heeft ondernomen tot het verwezenlijken van die ontmoeting, door
- aan die [het slachtoffer] een datum voor te stellen om af te spreken en
- met betrekking tot de afspraak die [het slachtoffer] de volgende berichten te sturen:
- “ hoe graag zo zitten op me schoot woensdag” en
- “ en knuffelen. En tegen elkaar aan liggen. En genieten en voelen en proeven” en
- toestemming te vragen aan de vader van die [het slachtoffer] om af te spreken met die [het slachtoffer] op de besproken datum.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend schriftelijk seksueel benaderen op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren;
Feit 2
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren een ontmoeting voorstellen voor seksuele doeleinden en enige handeling ondernemen tot het verwezenlijken van die ontmoeting.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte, het reclasseringsrapport waarin een laag recidiverisico geconstateerd wordt, en zijn stabiele persoonlijke en financiële situatie. Zij heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf op te leggen, mede gelet op het risico dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf het verlies van de huidige baan van de verdachte tot gevolg heeft.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte, een volwassen man van destijds 33 jaar, heeft een minderjarig meisje van destijds twaalf jaar gedurende langere tijd indringend seksueel benaderd en een ontmoeting voor seksuele doeleinden geprobeerd te verwezenlijken. Om deze feiten te plegen heeft de verdachte misbruik gemaakt van de gezagsrelatie die hij met [het slachtoffer] had en de vertrouwensband die hij had opgebouwd met het gezin van [het slachtoffer]. Hij heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door zijn seksuele fantasieën en heeft er niet bij stilgestaan dat dergelijk handelen kan zorgen voor psychische schade bij een minderjarige en diens normale seksuele ontwikkeling in de weg kan staan. Dit neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk, te meer nu hij is doorgegaan met het contact, nadat hij door de vader van [het slachtoffer] is gewaarschuwd dat [het slachtoffer] mogelijk gevoelens voor hem had. De verdachte is bovendien door collega’s op de BSO aangesproken op zijn ongepaste omgang met [het slachtoffer]. De verdachte heeft zich door geen van deze signalen laten weerhouden de feiten te plegen.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 17 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 31 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte beschikt over een stabiele leefsituatie. De reclassering stelt namelijk geen problemen vast op het gebied van huisvesting, financiën, sociaal netwerk of middelengebruik. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en heeft geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Als risicofactoren noemt de reclassering de dagbesteding en het psychosociaal functioneren van de verdachte. Ten aanzien van de dagbesteding adviseert de reclassering dat de verdachte geen functie mag bekleden waarbij hij verantwoordelijkheid draagt voor kinderen. De bij de verdachte gesignaleerde impulsiviteit acht de reclassering onvoldoende ernstig om verdere interventie te rechtvaardigen.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten een taakstraf van forse duur rechtvaardigt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, nu de verdachte ondanks signalen van anderen zijn gedrag tegenover [het slachtoffer] niet heeft aangepast en uiteindelijk de feiten heeft gepleegd.
Alles afwegende zal de rechtbank, in lijn met de vordering van de officier van justitie, een taakstraf van 140 uren opleggen, te vervangen door 70 dagen hechtenis. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van drie maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren. De lange duur van de proeftijd acht de rechtbank op zijn plaats vanwege de ernst van de feiten en de omstandigheid dat de verdachte zich ondanks herhaalde waarschuwingen niet heeft laten corrigeren.
7. Vordering benadeelde partij
Namens de benadeelde partij [het slachtoffer] is door haar advocaat, mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 770,- aan materiële schade vanwege therapiekosten en € 5.000,- aan immateriële schade vanwege psychisch letsel. In totaal vordert de benadeelde partij dus vergoeding van € 5.770,-. Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering tot vergoeding van de materiële schade ziet op de kosten van elf therapiesessies bij een kindertherapeut in de periode van augustus 2024 tot en met november 2024. Voor de hoogte van de immateriële schadevordering heeft de advocaat van de benadeelde partij aansluiting gezocht bij categorie 3 van de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven waarbij sprake is van psychisch letsel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen in verband met de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair voert zij aan dat de vordering wat betreft de materiele schade moet worden afgewezen vanwege een gebrek aan onderbouwing en dat de vordering wat betreft de immateriële schade dient te worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Omdat de rechtbank tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt, komt zij toe aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij.
Materiële schade
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vordering moet worden afgewezen omdat de inhoud van de therapiesessies niet bekend is en (daarom) het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de schade onvoldoende is onderbouwd. Uit de verklaring van de therapeut in het dossier blijkt voldoende dat zij de benadeelde partij in behandeling had vanwege het bewezenverklaarde misbruik, zodat het rechtstreekse verband tussen de therapiekosten en het handelen van verdachte is komen vast te staan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat deze kosten als redelijke kosten ter beperking van schade kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vordering is op dit onderdeel toewijsbaar.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel of als de benadeelde op andere wijze in de persoon is aangetast. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen vanwege het bewezenverklaarde, waardoor sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze. De benadeelde partij komt dan ook voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking.
Voor de begroting van de immateriële schade sluit de rechtbank aan bij de Letselschadelijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, omdat deze lijst een bruikbare maatstaf biedt voor de waardering van schade als gevolg van seksuele misdrijven.
De advocaat van de benadeelde partij heeft indeling van het bewezenverklaarde in categorie 3 bepleit. Categorie 3 is echter voorbehouden aan gevallen waarbij het seksuele misdrijf gedurende een zeer lange periode stelselmatig heeft plaatsgevonden. De bewezenverklaarde feiten gaan over een pleegperiode van enkele weken, wat een indeling in categorie 3 niet rechtvaardigt. De rechtbank acht indeling in categorie 2 wel passend. De feiten zijn naar hun aard en gevolgen ernstiger zijn dan categorie 1 vanwege de gezagsrelatie en de vertrouwensband die verdachte met het slachtoffer onderhield. De immateriële schade zal daarom worden begroot op € 2.500,-. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Conclusie
De vordering zal dus gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.270,-.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de wettelijke rente over de immateriële schade toe met ingang van 24 augustus 2024 tot aan de dag van volledige voldoening. De rechtbank hanteert de laatste dag van de bewezenverklaarde pleegperiode als aanvangsdatum, omdat de immateriële schade het gevolg is van het handelen van verdachte gedurende die gehele periode en de schade in ieder geval op dat moment is ingetreden.
Ten aanzien van de materiële schade zal de rechtbank de wettelijke rente toekennen vanaf 9 oktober 2024 (het midden van de periode van 27 augustus 2024 tot en met 21 november 2024).
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 en 3 bewezen verklaarde handelen
aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Proceskosten
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 251 Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hiervoor onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 140 (honderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 70 dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Benadeelde partij
wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.270,- (zegge: drieduizend tweehonderdzeventig euro), bestaande uit vergoeding voor de materiële schade ten bedrage van € 770,- en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,-, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.500 vanaf 24 augustus 2024 en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 770,- vanaf 9 oktober 2024, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.270,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen gijzeling, en
bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. A. Talmricht en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)