ECLI:NL:RBNHO:2026:5011

ECLI:NL:RBNHO:2026:5011

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer K/4101/11939638
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Opzegging huur onbebouwde grond, achterstallige huur en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11939638 \ CV EXPL 25-3990/MdV

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [plaats 1] ,2. [eiser 2],

te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] en ieder afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2]

gemachtigde: mr. A.C.J. Hanrath,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..

De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om een huurovereenkomst met betrekking tot een perceel grond. De verhuurder heeft de huur opgezegd, waardoor de huurovereenkomst is geëindigd. De huurder moet nog wel een deel van de door de verhuurders gevorderde huurachterstand betalen. Ook moet de huurder over het jaar 2025 een gebruiksvergoeding betalen, aangezien zij het gehuurde niet tijdig heeft ontruimd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 oktober 2025 van [eisers]

- de conclusie van antwoord van [gedaagde]

- het tussenvonnis van 10 december 2025

- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de pleitaantekeningen van [eisers] en [gedaagde] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] huurt al ruim 50 jaar een perceel grond van (de rechtsvoorgangers) van [eisers] Op het perceel heeft [gedaagde] een recreatiewoning geplaatst.

Op 3 mei 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de inmiddels overleden moeder van [eisers] en [gedaagde] . Tijdens dat gesprek is gesproken over de beëindiging van de huurovereenkomst. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [eiser 1] op 14 mei 2024 een brief gestuurd naar [gedaagde] . In deze brief is het volgende opgenomen.

‘n.a.v. ons gesprek met mijn moeder op vrijdag 3 mei, wil ik hierbij bevestigen dat wij tezamen hebben besloten om per direct het contract op te zeggen. Over 2024 zullen geen kosten in rekening worden gebracht. U zult dit jaar niet meer op het park verblijven, wel krijgt u tot eind van 2024 de tijd om het perceel te ontruimen.’

Op 13 april 2024 hebben [eisers] een factuur met een totaalbedrag van € 2.849,81 en op 15 januari 2025 een factuur van € 2.700,53 aan [gedaagde] toegestuurd. Op de factuur van 13 april 2024 staat als omschrijving vermeld ‘nota seizoen 2023’ en op die van 15 januari 2025 ‘nota seizoen 2024’.

Nadat partijen veelvuldig met elkaar hebben gecorrespondeerd over het einde van de huurovereenkomst en de oplevering van het perceel, heeft [gedaagde] het perceel per half september 2025 ontruimd.

3. Het geschil

[eisers] vorderen - samengevat – ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Daarnaast vorderen [eisers] dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot betaling van de huur en overige kosten voor de jaren 2023, 2024 en 2025, tezamen een bedrag van € 8.250,53, vermeerderd met de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

[eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de afspraken zoals die tijdens het gesprek op 3 mei 2024 zouden zijn gemaakt betwist. Daardoor is de huurovereenkomst niet geëindigd en daarom verzoeken [eisers] de kantonrechter om de huurovereenkomst te ontbinden. Doordat de huurovereenkomst niet is geëindigd blijft [gedaagde] huur verschuldigd. [gedaagde] heeft de huur over de jaren 2023 tot en met 2025 tot op heden echter niet aan [eisers] voldaan. Vanwege het uitblijven van betaling hebben [eisers] hun vordering uit handen moeten geven. [gedaagde] moet daarom ook een vergoeding voor de door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten betalen.

[gedaagde] betwist de vordering en voert aan dat de administratie van [eisers] chaotisch en onoverzichtelijk is. De huur en kosten voor het jaar 2023 zijn namelijk al op 14 juni 2023 door [gedaagde] betaald. Daar komt bij dat [eisers] geen aanspraak kunnen maken op de huur over het jaar 2024, omdat partijen zijn overeengekomen dat voor dat jaar geen huur in rekening zou worden gebracht. Verder betwist [gedaagde] dat partijen zijn overeengekomen dat zij het perceel voor het einde van 2024 diende te ontruimen en dat zij ook de recreatiewoning van het perceel diende te verwijderen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Er is sprake van huur van een onbebouwde onroerende zaak.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] alleen een perceel grond van [eisers] heeft gehuurd en dat [gedaagde] daarop zelf een recreatiewoning heeft geplaatst. Dit maakt dat de huurovereenkomst gekwalificeerd moet worden als huur/verhuur van onbebouwde grond.

Voor een dergelijke overeenkomst geldt dat de verhuurder de bevoegdheid heeft om de huurovereenkomst op te zeggen. Dit kan een verhuurder (met inachtneming van een reële opzegtermijn) op elk voor haar gewenst moment doen, zonder dat de verhuurder daarvoor een specifieke reden hoeft te hebben. Ook is instemming door de huurder niet vereist.

[eisers] hebben de huur opgezegd en de huurovereenkomst is geëindigd.

[gedaagde] heeft op de zitting erkend dat partijen op 3 mei 2024 met elkaar hebben gesproken en dat de moeder van [eisers] tijdens dat gesprek heeft aangegeven de huurovereenkomst te willen beëindigen. Dit moet dan ook gezien worden als een opzegging, welke opzegging op 14 mei 2024 ook nog eens schriftelijk is bevestigd door [eiser 1] . Dat [eisers] de huurovereenkomst op hebben willen zeggen staat dan ook vast. Dat [gedaagde] later de inhoud van de afspraken heeft betwist, maakt niet dat de opzegging daardoor niet rechtsgeldig is. Zoals hiervoor is overwogen kan een verhuurder de huurovereenkomst eenzijdig opzeggen en is instemming door de huurder niet vereist. [eisers] hebben hierbij een redelijke en reële opzegtermijn in acht genomen, aangezien zij hebben aangegeven dat [gedaagde] het perceel pas eind 2024 diende te ontruimen. Dit maakt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en dat de huurovereenkomst per 1 januari 2025 is geëindigd. Omdat de huurovereenkomst al is geëindigd, kan deze niet meer worden ontbonden. De vordering van [eisers] om de huurovereenkomst te ontbinden, wordt dan ook afgewezen.

[gedaagde] moet de huur over het jaar 2023 betalen.

Uitgangspunt is dat een huurder, zolang de huurovereenkomst loopt, huur verschuldigd is. Niet ter discussie staat dat [gedaagde] over het jaar 2023 huur aan [eisers] verschuldigd is. Volgens [gedaagde] heeft zij de huur voor dat jaar echter al op 14 juni 2023 betaald. [eisers] hebben dat gemotiveerd betwist. Volgens hen ziet de betaling van 14 juni 2023 op de huur voor het jaar 2022, aangezien de huur inclusief de doorbelasting van de nutsvoorzieningen altijd pas na afloop van het jaar waarop de huur betrekking heeft aan een huurder wordt gefactureerd. [gedaagde] heeft dit weliswaar weersproken en aangevoerd dat huur altijd vooraf in rekening wordt gebracht, maar die stelling vindt geen steun in de overgelegde facturen. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de factuur voor het jaar 2023 pas op 13 april 2024 aan [gedaagde] is verstuurd en dat deze factuur dus nooit op 14 juni 2023 al door haar kan zijn betaald. Dat [gedaagde] zelf handmatig de jaartallen op de facturen heeft veranderd en bij haar overboeking van 14 juni 2023 heeft gezet ‘pacht 2023/2024’, maakt niet dat de betaling daardoor betrekking heeft op het jaar 2023.

Dat niet vast is komen te staan dat de huur voor het jaar 2023 al door [gedaagde] is betaald, maakt dat zij in beginsel gehouden is dat alsnog te doen. Op de factuur staan naast de huur echter ook andere kosten vermeld, zoals onroerendzaakbelasting, waterschapsbelasting en verontreinigingsheffing. In beginsel kunnen echter alleen kosten die verband houden met de bewoning van het gehuurde als servicekosten in rekening worden gebracht bij een huurder. Partijen kunnen hierover andere afspraken maken, maar doordat een schriftelijke huurovereenkomst ontbreekt kan de kantonrechter niet vaststellen dat partijen dat in dit geval hebben gedaan. Nu de hiervoor genoemde kosten verband houden met de eigendom van het gehuurde en niet met de bewoning, oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] deze kosten niet hoeft te betalen. Dit betekent dat [gedaagde] voor het jaar 2023 alleen de huur van € 2.250,00 en de kosten voor het waterverbruik van € 149,99, tezamen € 2.399,99, hoeft te betalen.

[gedaagde] hoeft over 2024 geen huur te betalen.

Ondanks dat in de brief van 14 mei 2024 aan [gedaagde] is toegezegd dat [gedaagde] over het jaar 2024 geen huur hoeft te betalen, zijn [eisers] van mening dat deze toezegging is komen te vervallen omdat [gedaagde] de afspraak om het perceel uiterlijk eind 2024 te ontruimen niet is nagekomen. Dit betoog faalt. Uit de brief volgt namelijk niet dat het tijdig opleveren een voorwaarde was voor het niet hoeven betalen van huur. [eisers] zijn, ondanks dat [gedaagde] het perceel niet tijdig heeft ontruimd, wel gebonden aan de toezegging dat over het jaar 2024 geen huur in rekening zal worden gebracht. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

[gedaagde] moet voor het jaar 2025 een gebruiksvergoeding betalen.

Niet weersproken is dat [gedaagde] het perceel, ondanks dat de huurovereenkomst zoals hiervoor is overwogen op 31 december 2024 is geëindigd, pas medio september 2025 volledig heeft ontruimd. Uit de wet volgt dat in het geval een huurder na het einde van de huur het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt aan de verhuurder een gebruiksvergoeding verschuldigd is gelijk aan de huurprijs. Uitgaande van de huurprijs van het jaar 2024 van € 2.450,00, betekent dit dat [gedaagde] over het jaar 2025 een bedrag van € 1.837,50 aan [eisers] verschuldigd is.

Conclusie

De conclusie is dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 4.237,49.

[eisers] maken verder aanspraak op wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen die zij aan [gedaagde] heeft gestuurd. Een betaaltermijn op een factuur is op zichzelf echter geen fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Daarvoor is in beginsel een voor nakoming overeengekomen termijn vereist. Nu een schriftelijke huurovereenkomst ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of partijen de betalingstermijn die op de factuur staat zijn overeengekomen, zodat [gedaagde] niet na het verstrijken van deze betalingstermijn in verzuim is geraakt. Uit de dagvaarding blijkt echter dat de gemachtigde van [eisers] [gedaagde] op 3 februari 2025 een aanmaning heeft gestuurd voor onder andere de huur voor het jaar 2023. De wettelijke rente over de huur voor het jaar 2023 zal daarom worden toegewezen vanaf het moment dat de in die brief genoemde betalingstermijn is verstreken, omdat vast staat dat [gedaagde] in ieder geval vanaf dat moment in verzuim verkeert. Aangezien niet is gebleken dat [gedaagde] voor het uitbrengen van de dagvaarding is aangemaand voor de gebruiksvergoeding voor het jaar 2025, zal de wettelijke rente over die gebruiksvergoeding worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarden.

[eisers] maken tot slot aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

146,14

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.267,14

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.237,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.399,99 vanaf 18 februari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening en de wettelijke rente over € 1.837,50 vanaf 15 oktober 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand