ECLI:NL:RBNHO:2026:5019

ECLI:NL:RBNHO:2026:5019

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer 15/345221-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor verkrachting o.g.v. art. 242 Sr (oud). De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en het dossier voldoende steunbewijs bevat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/345221-24

Uitspraakdatum: 15 april 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 1 april 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Amsterdam, en [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad), naar voren hebben gebracht.

Verder waren aanwezig de ouders van de verdachte.

Tot slot was aanwezig de advocaat van de benadeelde partij mr. C.J.J. Tuip, kantoorhoudende te Diemen.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 september 2023 te Castricum, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [de benadeelde partij] , te weten:

-het brengen/duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [de benadeelde partij] en/of zich laten pijpen door die [de benadeelde partij] en/of

- het brengen/duwen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [de benadeelde partij] en/of

- het laten vasthouden van zijn, verdachtes, penis en/of zich laten aftrekken door die [de benadeelde partij] en/of

- het betasten van de vagina en/of schaamstreek van die [de benadeelde partij] ,

- het zoenen van die [de benadeelde partij] ,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- die [de benadeelde partij] onverhoeds heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- de broek en/of onderbroek van die [de benadeelde partij] naar beneden heeft getrokken en/of

- het hoofd van die [de benadeelde partij] naar beneden heeft geduwd en/of haar hoofd heeft vastgehouden en/of

- die [de benadeelde partij] heeft vastgehouden zodat die [de benadeelde partij] niet kon bewegen en/of

- voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van die [de benadeelde partij] .

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot vrijspraak, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot het verrichten en ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen. Volgens de verdediging moet de verklaring van de verdachte als uitgangspunt worden genomen. Hij heeft verklaard dat de ten laste gelegde seksuele handelingen, met uitzondering van het binnendringen in de vagina van de aangeefster met zijn penis, hebben plaatsgevonden, maar dat dit met wederzijds goedvinden was en dat hij geen opzet had om hierin enige weerstand van de aangeefster te doorbreken. Zijn verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [de getuige 1] (hierna: [de getuige 1] ). De verklaringen van de aangeefster moeten met behoedzaamheid worden beoordeeld, nu deze inconsistenties vertonen en de belastende verklaring omtrent de vermeende dwang pas na aanhoudend doorvragen door de politie tot stand is gekomen. Het overige bewijsmateriaal in het dossier vormt daarbij geen steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster, aangezien de daarin genoemde feiten en omstandigheden eveneens passen bij het scenario van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, ook als wordt uitgegaan van de verklaringen van de aangeefster, er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde dwang te komen.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat de gebeurtenissen in deze zaak hebben plaatsgevonden in 2023, dus voor de inwerkingtreding van de Wet Seksuele Misdrijven op 1 juli 2024. Voor een bewezenverklaring van dwang in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat een verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat een slachtoffer het seksueel binnendringen van het lichaam tegen zijn of haar wil heeft ondergaan en dat die dwang heeft plaatsgevonden door middel van geweld of een andere feitelijkheid, dan wel bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

Betrouwbaarheid van de aangifte

De eerste vraag die de rechtbank, gelet op het verweer van de verdediging, dient te beantwoorden is of de verklaring van de aangeefster als betrouwbaar en geloofwaardig aangemerkt kan worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De aangeefster heeft in het informatieve gesprek bij de politie en in haar aangifte namelijk uitgebreid verklaard, waarbij zij in grote lijnen en op belangrijke onderdelen eenduidig, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over het algehele verloop van de avond alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen – zoals die ook ten laste zijn gelegd – hebben plaatsgevonden. Dat de aangeefster naar aanleiding van vragen van de politie meer details naar voren heeft gebracht, bijvoorbeeld over de dwang en andere feitelijkheden, maakt haar verklaringen niet onbetrouwbaar of ongeloofwaardig. Dat de aangeefster tijdens het informatieve gesprek niet heeft verteld dat zij de verdachte heeft gepijpt, maakt haar verklaringen evenmin onbetrouwbaar nu de verdachte zelf beaamt dat dit is gebeurd.

Steunbewijs

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van de aangeefster. In een zedenzaak als onderhavige, is niet vereist dat de ontuchtige handelingen waarover de aangeefster verklaart als zodanig bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende dat die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron. Deze bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van de aangeefster. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van de aangeefster, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de verklaringen van de aangeefster en het overige gebruikte bewijsmateriaal.

De aangeefster heeft verklaard dat zij en de verdachte elkaar op 2 september 2023 tijdens het uitgaan zijn tegengekomen. Op een gegeven moment zijn de aangeefster, de verdachte en hun twee vrienden, (getuige) [de getuige 2] (hierna: [de getuige 2] ) en [de getuige 1] , naar het tuinhuis van [de getuige 2] gegaan om te chillen. In tweede instantie is afgesproken dat de verdachte en [de getuige 1] ook zouden blijven slapen, net als de aangeefster. Zij zijn gezamenlijk in één (groot) bed gaan liggen en het licht is uitgezet. De verdachte en de aangeefster lagen bij elkaar aan de ene kant van het bed en [de getuige 2] en [de getuige 1] samen aan de andere kant van het bed. De verdachte heeft vervolgens geprobeerd met zijn hand in de broek van de aangeefster te komen. De aangeefster heeft zijn hand telkens weggehaald en gezegd dat hij hiermee moest stoppen, wat hij niet deed. De verdachte bleef volharden, waarop de aangeefster het vingeren door de verdachte liet gebeuren. De verdachte heeft vervolgens zijn hand uit haar broek gehaald en het hoofd van de aangeefster naar beneden geduwd, waarop de aangeefster hem heeft gepijpt. Hierna heeft de verdachte de onderbroek van de aangeefster naar beneden getrokken, waarbij de aangeefster meermaals, zowel verbaal als non-verbaal (duwen), heeft aangegeven dit niet te willen. De verdachte heeft dit genegeerd en haar vagina gepenetreerd met zijn penis. De aangeefster heeft de verdachte geprobeerd weg te duwen, wat niet is gelukt. De verdachte heeft de aangeefster bij haar arm vastgepakt en is doorgegaan.

Deze verklaringen van aangeefster vinden allereerst steun in de verklaringen van [de getuige 2] . Zij heeft verklaard dat zij, toen ze wakker werd, merkte dat de aangeefster zich anders gedroeg: de aangeefster was gesloten en zei niks. Op de vraag van [de getuige 2] wat er aan de hand was, barstte de aangeefster in tranen uit. De aangeefster heeft vervolgens aan [de getuige 2] verteld dat de verdachte haar tegen haar wil in heeft gevingerd en seks met haar heeft gehad en dat zij meermaals had aangegeven dit niet te willen door ‘nee’ te zeggen en door met haar haar hoofd ‘nee’ te schudden. De rechtbank ziet steunbewijs in deze verklaring, omdat [de getuige 2] direct de ochtend na het incident heeft gezien dat er iets met de aangeefster aan de hand was, voordat de aangeefster dit bij [de getuige 2] kenbaar had gemaakt. Daarnaast heeft de aangeefster haar kort na het incident verteld wat haar was overkomen, wat inhoudelijk op belangrijke punten overeenkomt met de verklaring van de aangeefster ten overstaan van de politie. Ook de verdachte heeft bij de politie verklaard over emotie bij de aangeefster direct na het voorval. Hij benoemt namelijk dat zij boos opsprong, het tuinhuis verliet, een sigaretje ging roken en niet meer aanspreekbaar was voor hem.

Daarnaast vindt de verklaring van de aangeefster steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin twee schermafbeeldingen van een Snapchatgesprek over – zoals de verdachte ter zitting ook beaamt – het bewuste voorval tussen de aangeefster en de verdachte is weergegeven. In dit gesprek geeft de verdachte aan dat hij ‘op het moment zelf niet nadacht, hij hongerig was en het niet kon laten’.

Verder vindt de verklaring van de aangeefster steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin verschillende geluidsfragmenten zijn uitgewerkt van een gesprek van de aangeefster met de verdachte over – zoals de verdachte ter zitting ook beaamt – het bewuste voorval. Hierin geeft de verdachte aan dat hij zich ervan bewust is dat wat hij heeft gedaan absoluut niet door de beugel kan. Op de vraag van de aangeefster:”dus omdat jij makkelijker ben, mag je mij verkrachten?”, antwoordt de verdachte: ”Nee, zeker niet.” Ook reageert de verdachte op de opmerking van de aangeefster dat de verdachte zijn grens blijkbaar niet kende toen ze vaak genoeg ‘nee’ zei, met de woorden “dat hij er oprecht ook gewoon spijt van heeft”.

De rechtbank is van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte in het voornoemde snapchatgesprek en de filmpjes, in tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd, niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn (de verdachte beaamt duidelijk dat hij te ver is gegaan en over de grenzen van de aangeefster is gegaan, terwijl zij duidelijk maakte dat zij niet wilde) en dusdanig concreet zijn, dat deze gebruikt kunnen worden als (steun)bewijs.

Tot slot vindt de verklaring van de aangeefster steun in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte bij de politie waarin de verdachte aangeeft dat de aangeefster hem heeft gepijpt en dat hij haar heeft gevingerd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hiermee is voldaan aan de toepasselijke maatstaf van steunbewijs, als genoemd in artikel 342, tweede lid, Sv.

Dwang Het door de verdediging gestelde verweer dat geen sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 (oud) Sr is een bewijsverweer dat door de inhoud van de verklaring van de aangeefster, die de rechtbank in volle omvang tot uitgangspunt neemt, in combinatie met voornoemde (steun)bewijsmiddelen wordt weerlegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel op deze specifieke punten van de verklaring van de aangeefster. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de aangeefster onverhoeds heeft vastgepakt en gehouden, haar onderbroek naar beneden heeft getrokken, haar hoofd naar beneden heeft geduwd en orale en vaginale seks met haar heeft gehad terwijl ze verbaal en non-verbaal weerstand bood.

Conclusie De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte omstreeks 2 september 2023 de aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, zoals hierna zal worden bewezenverklaard, en dat de verdachte zich daarom schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij omstreeks 2 september 2023 te Castricum door geweld en andere feitelijkheden [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [de benadeelde partij] , te weten:

- zich laten pijpen door die [de benadeelde partij] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis en vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [de benadeelde partij] ;

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte:

- die [de benadeelde partij] onverhoeds heeft vastgepakt en vastgehouden en

- de broek en/of onderbroek van die [de benadeelde partij] naar beneden heeft getrokken en

- het hoofd van die [de benadeelde partij] naar beneden heeft geduwd en

- die [de benadeelde partij] heeft vastgehouden zodat die [de benadeelde partij] niet kon bewegen en

- voorbij is gegaan aan het verbale en non-verbale verzet van die [de benadeelde partij] .

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden waarbij eventueel kan worden bepaald dat de verdachte de jeugddetentie in een penitentiaire inrichting zal ondergaan.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met het advies van de Raad en het feit dat de verdachte al zeer geruime tijd leeft met de spanning van onderhavige strafvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig zedendelict, namelijk verkrachting van de aangeefster. Het begon aanvankelijk leuk tussen de verdachte en de aangeefster, waarbij zij elkaar tijdens het uitgaan zijn tegengekomen en hebben gezoend. Later zijn zij met hun vrienden [de getuige 2] en [de getuige 1] gaan ‘afteren’ in het tuinhuis van [de getuige 2] . De verdachte heeft die nacht, terwijl zij gezamenlijk met [de getuige 2] en [de getuige 1] in bed lagen, de aangeefster gevingerd en zijn penis in haar vagina gebracht, terwijl de aangeefster zowel verbaal als non-verbaal meermalen aangaf dat zij dit niet wilde. De verdachte heeft hierbij haar onderbroek naar beneden getrokken, het hoofd van de aangeefster naar beneden geduwd en haar bij de arm vastgehouden.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij door zo te handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de aangeefster en onvoldoende stil heeft gestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor haar. Dit geldt te meer nu de verdachte wist dat de aangeefster kwetsbaar was op seksueel gebied vanwege eerdere vervelende ervaringen. In zijn algemeenheid geldt dat dit soort feiten slachtoffers grote schade toebrengt, waar zij nog lang last van hebben. Dat de verkrachting ook een grote impact heeft gehad op de aangeefster, blijkt uit de door haar advocaat voorgedragen slachtofferverklaring ter zitting.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 19 maart 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.

De Raad adviseert in zijn rapportage tot de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De Raad is zich ervan bewust dat een jeugddetentie een passende consequentie is als gekeken wordt naar de ernst van de tenlastelegging. Het recidiverisico is echter laag en de verdachte heeft zijn leven goed op de rit. Ook is sprake van een groot tijdsverloop tussen het delict en de berechting. Een jeugddetentie is dan ook niet passend voor de persoon van de verdachte en zijn ontwikkeling. Indien de rechtbank een vrijheidsbenemende straf noodzakelijk acht, adviseert de Raad om deze geheel voorwaardelijk op te leggen. Ter zitting heeft de Raad dit strafadvies gehandhaafd.

Ten nadele van de verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn proceshouding ervan blijk gegeven heeft het laakbare van zijn handelen niet in te (willen) zien.

Redelijke termijn/tijdsverloop

Ten voordele van de verdachte weegt de rechtbank mee het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde feit, namelijk ongeveer tweeënhalf (2,5) jaar. Daar komt bij dat de redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak in eerste aanleg moet zijn behandeld (16 maanden) ook in geringe mate is overschreden. De verdachte is namelijk op 22 oktober 2024 verhoord door de politie en de uitspraak is op 15 april 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn met circa anderhalve (1,5) maand is overschreden. De rechtbank zal hiermee in straf verminderende zin rekening houden.

Conclusie

In zijn algemeenheid geldt dat bij ernstige strafbare feiten zoals deze, te weten verkrachting, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. De eis van de officier van justitie doet in beginsel recht aan de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de proceshouding van de verdachte. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het advies van de Raad, het forse tijdsverloop sinds het feit en de geringe overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank in het geval van de verdachte een andere invulling van de straf passend en geboden. Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van honderdtachtig (180) uren en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één (1) maand opleggen, met een proeftijd van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

9. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde immateriële schade.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gesteld dat de benadeelde partij in verband met de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering van de benadeelde partij bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gematigd dient te worden tot een bedrag van € 2.500,- tot € 3.000,-, gelet op de geringe onderbouwing van de geleden psychische schade.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter zitting. Uit de overgelegde stukken volgt dat de benadeelde partij kampt met psychische klachten als gevolg van de verkrachting die heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat het psychische letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door het handelen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde is opgetreden, valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Vergoeding van de schade komt de rechtbank dan ook billijk voor. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter zitting, ziet de rechtbank echter aanleiding om het gevorderde schadebedrag te matigen. De rechtbank begroot de immateriële schade naar billijkheid op het bedrag van € 3.500,- en zal de gevorderde immateriële schade tot dat bedrag toewijzen. Hoewel het ontstaan van psychische schade gelet op de aard van de normschending voor de hand ligt en kan worden aangekomen, blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet dat de psychische klachten dermate ernstig zijn dat een doorverwijzing naar een specialist dan wel een lange behandelduur van de klachten noodzakelijk is geweest. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse Schaal bij ‘tamelijk ernstige’ verkrachting (15.1c).

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het deel van de vordering, dat tot niet-ontvankelijkheid zal leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: verkrachting) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van honderdtachtig (180) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door negentig (90) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van één (1) maand. Beveelt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij] geleden schade tot een bedrag van € 3.500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Ok, voorzitter,

mr. J. Lintjer en mr. R.M. Verberne, allen (kinder)rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. van Veen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 april 2026.

Mr. R.M. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ok

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand