RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/326855-24, 15/116866-25 (ttz gev), 15/224248-24 (ttz gev) en
13/352261-25 (ttz gev) (P)
Uitspraakdatum: 16 april 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 2 april 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] en wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van de jeugdreclassering (hierna: de Jeugdreclassering) en [vertegenwoordiger van de Zware Jongens] van de Zware Jongens.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] , [de benadeelde partij 3] , [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 5] .
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van parketnummer 15/224248-24
hij in of omstreeks de periode van 11 juni tot en met 12 juni 2024 te Schagen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere fietsen en/of steppen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen fietsen en/of steppen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
ten aanzien van parketnummer 15/116866-25
1.
hij op of omstreeks 17 september 2024 te Nijmegen, in een winkelpand aan de [straat] [nummer [nummer] ] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en/of een of meer telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan firma ' [firma] ', in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] [allen in dat winkelpand achter de balie werkzaam], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voorzien van gezichtsbedekking met een of meer messen, althans een of meer scherpe/puntige voorwerpen [onverhoeds] dat winkelpand binnen te gaan en/of
[vervolgens]
- [ dreigend] te schreeuwen/roepen: "Op jullie knieën! Als jullie nog een beweging
maken dan steek ik jullie dood!, Begrijpen jullie mij???", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- voorzien van een mes, althans een scherp/puntig voorwerp over de balie van dat
winkelpand te springen en/of
- [ daarbij] aan voormelde personen [op korte afstand] een mes, althans een scherp/puntig voorwerp te tonen/voor te houden;
2.
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te Den Helder een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasvuurwapen van het merk Umarex, model Walther 22, kaliber 9mm PAK (Pistol Automatik Knall), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool in de zin van artikel 1 lid 3, gelet op artikel 2 lid l, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van parketnummer 15/326855-24
hij op of omstreeks 25 september 2024 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere telefoons en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Pro Phones en/of [de benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 5] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- met bedekt gezicht en/of bedekkende kleding de winkel in is gelopen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die
[de benadeelde partij 5] heeft gericht en/of
- ( daarbij) op dreigende toon heeft geroepen: 'hou je mond', althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking en/of
- op dreigende toon heeft geroepen dat die [de benadeelde partij 5] moest knielen en/of zijn
handen omhoog moest doen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van parketnummer 13/352261-25
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Amsterdam omstreeks 22:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning ( [adres] ) een of meer goederen en/of gelbedragen, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] en/of andere aanwezigen in voornoemde woning, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- zich heeft/hebben voorgedaan als pakketbezorger, en/of
- bivakmutsen heeft/hebben opgedaan, en/of
- een tas en/of een mes heeft/hebben meegenomen, en/of
- meermalen, althans eenmaal bij voornoemde woning heeft/hebben aangeklopt
en/of aangebeld,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gezien de bekennende proceshouding van de verdachte ten aanzien van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 15/224248-24, 15/116866-25, 15/326855-24 en 13/352261-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer: 15/224248-24
hij op 12 juni 2024 te Schagen tezamen en in vereniging met anderen één fiets en een step, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen fiets en step onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
Ten aanzien van parketnummer: 15/116866-25
hij op 17 september 2024 te Nijmegen, in een winkelpand aan de [straat] nummer [nummer] tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag en telefoons die aan firma ' [firma] ', toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- voorzien van gezichtsbedekking met een mes onverhoeds dat winkelpand binnen te gaan en vervolgens
- dreigend te schreeuwen: "Op jullie knieën! Als jullie nog een beweging
maken dan steek ik jullie dood!, Begrijpen jullie mij???", althans woorden van
dergelijke dreigende aard of strekking en
- voorzien van een mes over de balie van dat winkelpand te springen en
- daarbij aan voormelde personen op korte afstand een mes te tonen/voor te houden;
hij op 25 oktober 2025 te Den Helder een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasvuurwapen van het merk Umarex, model Walther 22, kaliber 9mm PAK (Pistol Automatik Knall),
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool in de zin van artikel 1 lid 3, gelet op artikel 2 lid l, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van parketnummer: 15/326855-24
hij op 25 september 2024 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om telefoons die aan de Pro Phones en/of [de benadeelde partij 5] , toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 5] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader
- met bedekt gezicht en bedekkende kleding de winkel in is gelopen en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [de benadeelde partij 5] heeft gericht en
- op dreigende toon heeft geroepen: 'hou je mond', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en
- op dreigende toon heeft geroepen dat die [de benadeelde partij 5] moest knielen en zijn handen omhoog moest doen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Ten aanzien van parketnummer: 13/352261-25
hij op 2 november 2024 te Amsterdam tezamen in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om in/uit een woning aan de [adres] een of meer goederen en/of geldbedragen, die aan [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] , toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] en/of andere aanwezigen in voornoemde woning, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en zijn mededaders:
- zich heeft/hebben voorgedaan als pakketbezorger, en
- bivakmutsen heeft/hebben opgedaan, en
- een tas en een mes heeft/hebben meegenomen, en
- meermalen bij voornoemde woning heeft/hebben aangeklopt en aangebeld,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover sprake was van in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn deze verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken, is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
1. diefstal vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer: 15/224248-24
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Ten aanzien van parketnummer: 15/116866-25
Ten aanzien van parketnummer: 15/326855-24
poging tot diefstal vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van parketnummer: 13/352261-25
poging tot diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 270 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 170 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen, naast de algemene voorwaarden ook de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, namelijk toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering, het hebben en houden van een positieve dagbesteding in de vorm van werk en zich houden aan het schoolrooster vanaf het schooljaar 2026/2027. De door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarde in de vorm van begeleiding van de Zware Jongens vindt de officier van justitie niet nodig. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging vreest dat de oplegging van de door de officier van justitie geëiste jeugddetentie de positieve ontwikkelingen van de verdachte zal doorkruizen. Volgens de verdediging zal een nu nog uit te zitten deel onvoorwaardelijke jeugddetentie geen pedagogisch effect op de verdachte hebben. Van lik op stuk zal dan immers geen sprake meer zijn, omdat de strafbare feiten zich langere tijd geleden hebben voorgedaan. De verdachte heeft zich bovendien al een lange periode aan strenge schorsingsvoorwaarden gehouden, waaronder elektronische monitoring en een avondklok. Daarnaast heeft de verdachte een periode in voorlopige hechtenis doorgebracht. De verdachte heeft dan ook direct de gevolgen van zijn strafbare handelen ondervonden. Verder is voor enkele feiten de redelijke termijn is verstreken. Ten aanzien van de werkstraf stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat een additionele werkstraf niet passend is. Als de rechtbank toch wil dat de verdachte een consequentie ervaart, dan volstaat een werkstraf – zonder onvoorwaardelijke jeugddetentie. .
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten
De verdachte heeft in vijf maanden tijd meerdere strafbare feiten gepleegd, die steeds ernstiger van aard werden. Het begon met het stelen van een elektrische fiets en een elektrische step, samen met zijn mededader. Deze vervoersmiddelen waren voor de eigenaar van waarde en had hij nodig om zich te kunnen verplaatsen. Door deze diefstal heeft de eigenaar hinder en financiële schade gehad.
Daarna heeft de verdachte samen met zijn mededaders een [firma] -telefoonwinkel overvallen, waarbij hij een mes op zeer korte afstand van de medewerkers hield, die geknield achter de balie moesten blijven zitten en elkaar daar in doodsangst vasthielden. Acht dagen later heeft hij met een mededader een poging gedaan om een ProPhones-telefoonwinkel te overvallen, waarbij hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meehad en dit ook op de eigenaar gericht heeft. Vervolgens is hij zes weken later betrokken geweest bij een poging woningoverval, waarbij hij wist dat zijn mededaders met een bivakmuts op en een mes bij zich de woning wilden overvallen.
Gewapende overvallen als deze hebben een enorm ontwrichtend effect op de directe slachtoffers en ook op de maatschappij als geheel. De medewerkers van de winkel [firma] hebben gevreesd voor hun leven. Dit blijkt uit de aangiftes, de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaringen. Als gevolg van de overval zijn twee medewerkers arbeidsongeschikt geraakt. In de telefoonwinkel ProPhones was op het moment van de overval de eigenaar aanwezig. Hij was logischerwijs in de veronderstelling dat hij met een echt wapen werd overvallen en is daar enorm van geschrokken Sinds het voorval leeft hij met gevoelens van angst en is continu alert. Daarnaast heeft de verdachte thuis een gaswapen voorhanden gehad. Dit is verboden, omdat met dit soort wapens mensen angst kan worden aangejaagd. Dit is ook precies wat de verdachte bij de overval bij ProPhones heeft gedaan. De poging woningoverval waar de verdachte betrokken bij is geweest, is niet geslaagd, maar dat is niet te danken aan de verdachte. De verdachte wist waar hij zich mee inliet en heeft dat laten gebeuren. De verdachte heeft de overvallen in opdracht van anderen gepleegd en zou hiervoor geld krijgen. De opdrachten kreeg de verdachte via Snapchat; er werd een oproep geplaatst of iemand snel geld wilde verdienen. De verdachte had de eerste opdracht al moeten negeren, maar heeft in plaats daarvan niet alleen de opdracht geaccepteerd maar daarna tot twee maal toe nieuwe opdrachten aanvaard. De verdachte heeft bewust telkens opnieuw de keuze gemaakt deze strafbare feiten te plegen, omdat hij snel geld wilde verdienen. Hij heeft dus alleen aan zichzelf gedacht, en geen oog gehad voor wat hij zijn slachtoffers daarbij aandeed.
Strafblad
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet
op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 maart 2026. Hieruit blijkt dat hij geen eerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan. Wel heeft hij op 23 september 2025 een strafbeschikking gekregen wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet. Dit neemt de rechtbank echter niet mee in de strafoplegging, gelet op de aard van dat strafbare feit.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte rapportage van de Raad van 15 maart 2026 en de rapportage van ProJustitia, opgesteld door psycholoog [psycholoog] van 25 november 2025.
Uit het psychologisch rapport komt naar voren dat de verdachte een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie heeft. Zijn gedrag wordt hier echter niet dwingend door bepaald. Zijn keuzes maakt de verdachte vanuit een opportunistische houding, waarbij hij zelf kiest wel of niet grensoverschrijdend te handelen. Hij is daarom volledig toerekeningsvatbaar. Om herhaling vanuit opportunistische overwegingen in te dammen, is een lik-op-stuk reactie voor de verdachte het meest effectief. Dit zou het best vorm kunnen krijgen via een jeugdreclasseringstoezicht.
Uit de rapportage van de Raad blijkt dat voor de verdachte verschillende risicofactoren bestaan en dat het risico op recidive als midden tot hoog wordt ingeschat. De verdachte heeft een belast verleden. Bij de strafbare feiten heeft de verdachte meerdere keuzes gemaakt zonder daar voldoende bij te denken, ook over de gevolgen van zijn delictgedrag voor de slachtoffers. Ondanks dat hij aangeeft te hebben gezien dat de slachtoffers schrokken tijdens de overval met geweld, heeft hem dat er niet van weerhouden, om korte tijd daarna, opnieuw een overval te plegen.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte, bij een bewezenverklaring, een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan zijn voorarrest. Om dat sprake is van meerdere feiten adviseert de Raad een werkstraf op te leggen, zodat verdachte een concrete consequentie ervaart van zijn delictgedrag. De verdachte is tijdens zijn eerdere schorsing van een van de tenlastegelegde feiten gerecidiveerd. Positief is dat sinds zijn laatste schorsing in november 2025 geen sprake meer is geweest van recidive en de verdachte zich sindsdien aan zijn voorwaarden en afspraken houdt. Ook heeft hij sindsdien werk en heeft hij laten zien zijn baan te kunnen behouden. Wel acht de Raad deze periode te kort om Toezicht en Begeleiding vanuit de Jeugdreclassering te stoppen. Geld is een risicovolle trigger voor de verdachte en het is belangrijk dat de verdachte leert in te zien dat delicten en anti-sociaal gedrag hem niet verder zullen brengen in het leven. Daarom heeft de Raad geadviseerd om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde te verbinden dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Ook heeft de Raad als bijzondere voorwaarden geadviseerd dat de verdachte meewerkt aan begeleiding vanuit Zware Jongens, zolang dit nodig wordt geacht door de Jeugdreclassering, zich inzet om zijn dagbesteding in de vorm van werk te behouden en naar school gaat volgens het schoolrooster (per ingang van schooljaar 2026-2027).
Namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting het volgende naar voren gebracht. Het advies van de jeugdreclassering is anders dan de Raad, in die zin dat de jeugdreclassering het toezicht en de begeleiding als bijzondere voorwaarden niet meer nodig acht. De verdachte heeft tijdens de schorsingsvoorwaarden goed meegewerkt en onder meer een traject bij De Hoofdtrainer gevolgd. De verdachte heeft werk en gaat met ingang van komend schooljaar een opleiding volgen. Het traject bij de jeugdreclassering heeft de verdachte positief doorlopen. De handvatten die in het kader van de toezicht en begeleiding gedurende de schorsing aan de verdachte zijn meegegeven, lijkt de verdachte goed toe te passen in zijn dagelijkse praktijk. Het is nu aan de verdachte om de opgedane kennis en handvatten in de praktijk te brengen. De jeugdreclassering vertrouwt er echter op dat de verdachte het ook in de toekomst goed blijft doen en acht verdere begeleiding niet nodig.
Overschrijding van de redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de zaak met parketnummer 15-224248-24 is gestart op 12 juni 2024, de datum waarop de verdachte is aangehouden. De rechtbank wijst vonnis op 16 april 2026, zodat de redelijke termijn met zes maanden is overschreden. De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de zaak met parketnummer15-326855-24 is gestart op 14 oktober 2024, de datum waarop de verdachte is aangehouden. De rechtbank wijst vonnis op 16 april 2026, zodat de redelijke termijn met twee maanden is overschreden.
De overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd bij de op te leggen jeugddetentie.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten is in beginsel een jeugddetentie passend. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van een van de bewezenverklaarde feiten tot tweemaal toe strafbare feiten heeft gepleegd. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij zich sinds zijn laatste schorsing op 27 november 2025 aan de opgelegde strenge bijzondere voorwaarden heeft gehouden (waarbij hij door een avondklok en elektronische monitoring nog een tijd in zijn vrijheid beperkt is geweest), zich daar goed voor heeft ingezet, de positieve ontwikkeling die hij mede door de coaching van de Zware Jongens doormaakt en dat verdachte dagbesteding heeft gevonden, namelijk werk als stoffeerder. De rechtbank volgt de Raad daarom in het advies een straf op te leggen waardoor de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank is van oordeel dat jeugddetentie zijn positieve ontwikkeling zal doorkruisen.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 140 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 89 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen ook de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en het (blijven) meewerken aan de begeleiding van de Zware Jongens, zich inzetten om zijn dagbesteding in de vorm van werk te behouden en naar school gaan volgens het schoolrooster (per ingang van schooljaar 2026-2027). De rechtbank acht het van belang dat verdachte als hij vanaf september 2026 weer naar school gaat en hij dan wellicht vaker dingen zal moeten doen die hij niet leuk vindt, nog begeleiding van de jeugdreclassering heeft om daarmee op een goede manier om te leren gaan.
Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast aan de verdachte opleggen werkstraf voor de duur van 200 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen jeugddetentie. Het is belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen ondervindt van zijn herhaalde keuze om strafbaar te handelen.
7. Vordering benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 626,24 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15/224248-24 de strafbare gedraging zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade van € 626,24 bestaat uit de vergoeding van een tweedehands elektrische vouwfiets (Ouxi V1 PRO E-bike), nieuwe sloten en reiskosten.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag
van € 495,46, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de
schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met
33% afschrijving op de nieuwprijs van € 629,00 van de fiets en de waarde daarvan geschat
op € 419,00.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering ten aanzien van de elektrische fiets niet-
ontvankelijk te verklaren, omdat het causaal verband tussen de diefstal van de fiets en het
niet meer kunnen gebruik van de fiets onvoldoende onderbouwd is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 495,46 rechtstreeks
voortvloeit uit het onder parketnummer 15/224248-24 bewezenverklaarde feit. Met de
producties bij de vordering is voldoende onderbouwd dat reparatie van de fiets niet meer
mogelijk was. Voor de hoogte van dit bedrag sluit de rechtbank aan bij het standpunt van de
officier van justitie.
Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 495,46 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juni 2024 (datum indienen vordering) tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal het overige deel van de vordering afwijzen.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij dit feit meerdere tot een groep behorende personen betrokken zijn geweest, van wie de verdachte er één was. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn mededaders op grond van het bepaalde in artikel 6:166 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal verdachte in de proceskosten van de benadeelde
partij worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes parketnummer 15/224248-24 bewezen verklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] vordert materiele en immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15/116866-25 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Zij vordert € 496.239,48 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit medische kosten, reiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp, kosten voor verlies aan zelfwerkzaamheid en een bedrag van € 479.517,00 verlies aan verdienvermogen. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder voert de benadeelde partij zowel materieel als immaterieel nog nader te bepalen (PM) schade op.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 6.674,94 en de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij gaat de officier van justitie uit van een bedrag van € 5.651,10 aan verlies verdienvermogen (13 maanden netto minder inkomen door uitkering). Voor het overige moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen voor dezelfde hoogte als in de al gewezen vonnissen van twee van de medeverdachten ten aanzien van dit feit.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij vordert onderbouwd met stukken een bedrag van € 770,00 voor het eigen risico dat zij heeft moeten betalen en een bedrag van € 253,84 voor de reiskosten die zij heeft moeten maken. Deze schadeposten vloeien rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit en zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal daarom de vordering ten aanzien van die schadeposten toewijzen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek hierna levert een te grote belasting op van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering eventueel aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De post verlies verdienvermogen is naar het oordeel van de rechtbank als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist tot het bedrag van € 5.651,10, te weten het verschil tussen het netto maandinkomen dat de benadeelde voor het feit genoot en de netto Ziektewet-maanduitkering (13 x € 434,27). Tot dit bedrag zal deze post worden toegewezen. Voor het meer gevorderde terzake deze post zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Bij de huidige stand van zaken is dit deel van de vordering onvoldoende eenvoudig vast te stellen, mede vanwege toekomstige
onzekerheden, en zou verdere behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering eventueel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal
€ 6.674,94 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2026 (het moment waarop de vordering is ingediend).
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar
vordering terzake materiële schade. De benadeelde partij kan dit deel haar vordering bij
de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de
benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of
‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de
benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere
wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft
opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden
vastgesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd gesteld en onvoldoende gemotiveerd betwist dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen, waarvoor zij behandeling van een psycholoog nodig had. Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding billijk is. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van € 3.000,00 zal worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 17 september 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank zal de vordering voor immateriële schade voor het overige afwijzen, nu de rechtbank de immateriële schade op bovengenoemd bedrag heeft vastgesteld.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij dit feit meerdere tot een groep behorende personen betrokken zijn geweest, van wie de verdachte er één was. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn mededaders op grond van het bepaalde in artikel 6:166 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal verdachte in de proceskosten van de benadeelde
partij worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes ten aanzien van parketnummer 15/116866-25 bewezen verklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de
schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] vordert materiele en immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15/116866-25 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] vordert € 246.099,77 aan materiële schadevergoeding,
bestaande uit medische kosten, reiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp, verlies aan
zelfwerkzaamheid en een bedrag van € 237.802,00 verlies aan verdienvermogen. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder voert de benadeelde partij zowel materieel als immaterieel nog nader te bepalen (PM) schade op.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 8.976,77 en de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij gaat de officier van justitie uit van een bedrag van € 4.979,00 (13 maanden netto minder inkomen door uitkering) aan verlies verdienvermogen. Voor het overige moet de benadeelde partij volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen voor dezelfde hoogte als in de al gewezen vonnissen van twee van de medeverdachten ten aanzien van dit feit.
Oordeel van de rechtbank
Materiele schade
De rechtbank beoordeelt de verschillende posten als volgt.
De benadeelde partij vordert onderbouwd met stukken een bedrag van € 770,00 voor het eigen risico dat zij heeft moeten betalen en een bedrag van € 227,77 voor de reiskosten die zij heeft moeten maken. Deze schadeposten vloeien rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit en zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De
rechtbank zal daarom de vordering ten aanzien van deze schadeposten toewijzen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering niet voldoende is onderbouwd. Ter zitting is weliswaar toegelicht dat benadeelde partij bij haar moeder heeft moeten verblijven, maar daarmee is onvoldoende onderbouwd dat haar huishoudelijke taken en daarmee gepaard gaande kosten zijn overgegaan. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de vordering verlies aan zelfwerkzaamheid niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Nader onderzoek hierna levert een te grote belasting op van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering eventueel aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De post verlies verdienvermogen is naar het oordeel van de rechtbank als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist tot het bedrag van € 4.979,00, te weten het verschil tussen het netto maandinkomen dat de benadeelde voor het feit genoot en de netto Ziektewet-maanduitkering (13 x € 383,-). Tot dit bedrag zal deze post worden toegewezen. Voor het meer gevorderde terzake deze post zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Bij de huidige stand van zaken is dit deel van de vordering onvoldoende eenvoudig vast te stellen, mede vanwege toekomstige
onzekerheden, en zou verdere behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal
€ 5.976,77 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de vordering is ingediend (18 maart 2026).
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar
vordering terzake materiële schade. De benadeelde partij kan dit deel haar vordering bij
de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde,
is de rechtbank van oordeel dat aangenomen kan worden dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft met de declaratie voor geestelijke gezondheidszorg voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van € 3.000,00 zal worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 17 september 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank zal de vordering voor immateriële schade voor het overige afwijzen, nu de rechtbank de immateriële schade op bovengenoemd bedrag heeft vastgesteld.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij dit feit meerdere tot een groep behorende personen betrokken zijn geweest, van wie de verdachte er één was. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn mededaders op grond van het bepaalde in artikel 6:166 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal verdachte in de proceskosten van de benadeelde
partij worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00
ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten aanzien van parketnummer 15/326855-24 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van dit bedrag, vermeerderd met de
wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verzocht de vordering hoofdelijk te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde,
is de rechtbank van oordeel dat aangenomen kan worden dat de benadeelde partij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft de ernst van de gevolgen voldoende concreet onderbouwd. De verdachte heeft tijdens de overval in de winkel van de benadeelde een echt lijkend vuurwapen recht op de benadeelde partij gericht, toen deze probeerde te vluchten. Gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als
schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde
vergoeding billijk is. Daarbij heeft de rechtbank ook acht geslagen op de Rotterdamse
Schaal. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van
€ 2.500,00 zal worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 25 september 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij dit feit meerdere tot een groep behorende personen betrokken zijn geweest, van wie de verdachte er één was. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn mededaders op grond van het bepaalde in artikel 6:166 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal verdachte in de proceskosten van de benadeelde
partij worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4. bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 140 (honderdveertig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 89 (negenentachtig) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 51 (éénenvijftig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan de Jeugd- en Gezinsbeschermers, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte verder tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen
Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 495,46 en veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij 1]
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] van een bedrag van € 495,46, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.674,94 bestaande uit € 6.674,94 voor de materiële schade en € 3.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 9.674,94 met ingang van 18 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Wijst de vordering ten aanzien van toekomstige immateriële schadevergoeding af.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij 4]
Legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van € 9.674,94, vermeerderd met de wettelijk rente
- over een bedrag van € 6.674,94 met ingang van 18 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 17 september 2024 tot de dag van volledige betaling.
Indien de verdachte niet betaalt wordt de betalingsverplichting aangevuld met 0 dagen gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 8.976,77, bestaande uit € 5.976,77 voor de materiële schade en
€ 3.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 5.976,77 met ingang van 18 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 17 september 2024 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.
Wijst de vordering ten aanzien van toekomstige immateriële schadevergoeding af.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij 3]
Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] , te betalen een bedrag van € 8.976,77, vermeerderd met de wettelijke rente
- over een bedrag van € 5.976,77 met ingang van 18 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 17 september 2024 tot de dag van volledige betaling.
Indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 0 dagen gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 5] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 en veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij 5]
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij 5] van een bedrag van € 2.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. P.E. van der Veen en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M. van Excel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 april 2026.
mr. P.E. van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.