ECLI:NL:RBNHO:2026:5118

ECLI:NL:RBNHO:2026:5118

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer C/15/373238
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

UTB vordert afgifte door Chane van een voorraad HVO. Volgens UTB heeft zij de voorraad gekocht van Kolmar Group en is de voorraad nadien, door de vennootschap KVA, die voor UTB de op- en overslag van de olie verzorgt, opgeslagen in tanks van Chane, die Chane daartoe op grond van een opslagovereenkomst met KVA als faciliteit aanbiedt. Chane weigert de voorraad HVO af te geven. Zij beroept zich op een retentie- en (vuist)pandrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/373238 / KG ZA 25-806

Vonnis in kort geding van 11 februari 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UTB B.V.,

statutair gevestigd te Rotterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: UTB,

advocaat: mr. J. Kloots,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHANE TERMINAL NIEUWE MAAS B.V.,

statutair gevestigd te Zaandam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Chane,

advocaat: mr. J.B.R. Regouw en mr. M. Postma.

De zaak in het kort

UTB vordert afgifte door Chane van een voorraad HVO (“hydrotreated vegetable oil”). Volgens UTB heeft zij de voorraad gekocht van Kolmar Group en is de voorraad nadien, door de vennootschap KVA, die voor UTB de op- en overslag van de olie verzorgt, opgeslagen in tanks van Chane, die Chane daartoe op grond van een opslagovereenkomst met KVA als faciliteit aanbiedt. Chane weigert de voorraad HVO af te geven. Zij beroept zich op een retentie- en (vuist)pandrecht. Volgens Chane is onvermijdelijk dat zij in verband met de import van de betrokken olie in de EU met een aanzienlijke douaneheffing van € 54 miljoen plus rente zal worden geconfronteerd. KVA is op grond van de tussen Chane en KVA geldende overeenkomst gehouden om Chane voor de douaneheffing te vrijwaren. Volgens Chane is aan alle voorwaarden voor vestiging van een vuistpandrecht voldaan. Dat KVA mogelijk beschikkingsonbevoegd was en dat de voorraad HOV niet aan KVA maar mogelijk aan UTB in eigendom zou toebehoren, was Chane niet bekend.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van UTB af, omdat aan alle voorwaarden voor vestiging van een vuistpandrecht is voldaan. Daarbij was Chane te goeder trouw op het tijdstip dat de voorraad HVO in haar feitelijke macht kwam, zodat Chane tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA is beschermd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 11 producties van 16 januari 2026 van de zijde van UTB,

- de nagekomen producties 12 tot en met 19 van de zijde van UTB,

- de akte overleggen producties met daarbij 19 producties van de zijde van Chane,

- de nagekomen producties 20 tot en met 22 van de zijde van Chane,- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waarbij door zowel mr. Kloots als mr. Postma gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Chane exploiteert een onderneming gespecialiseerd in de opslag, verwerking en logistiek van vloeibare bulkgoederen voor klanten van Chane. De klantenkring van Chane bestaat uit handelaren en producenten van vloeibare bulkgoederen. Naast de fysieke opslag van goederen verzorgt Chane voor haar klanten desgewenst ook administratieve ondersteuning bij de douane-afhandeling in de vorm van het doen van invoeraangiften wanneer producten in de EU worden ingevoerd.

KVA Holding B.V. (hierna: KVA) is een klant van Chane. KVA exploiteert een onderneming op het gebied van handelsbemiddeling in de groothandel van brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten. Zij maakt op basis van een “storage agreement” gebruik van de opslagfaciliteiten van Chane. Daarnaast treedt Chane op basis van dezelfde overeenkomst op als douane-agent voor KVA.

UTB exploiteert een onderneming op het gebied van in- en verkoop van minerale olieproducten, waaronder fossiele brandstoffen. UTB is een klant van KVA. UTB maakt op basis van een vergelijkbare overeenkomst als hierboven genoemd met KVA gebruik van de opslagfaciliteiten die door Chane aan KVA ter beschikking zijn gesteld.

UTB heeft op 5 december 2025 een koopovereenkomst gesloten met Kolmar Group AG (hierna: Kolmar) waarbij zij een voorraad HVO (“hydrotreated vegetable oil”), met een omvang van circa 2.955 kubieke meter heeft gekocht voor een koopprijs van 4.025.368,89 Amerikaanse Dollar (USD).

In de koopovereenkomst is onder meer bepaald (vertaald uit het Engels) dat de eigendom van de voorraad over gaat naar UTB op het moment dat UTB de koopprijs volledig aan Kolmar heeft betaald. In de koopovereenkomst is vermeld dat (een aanzienlijk deel van) de gekochte voorraad HVO doorverkocht zal worden aan Varo Energy en dat is gepland dat op 5-6 december 2025 Chane 2.500 ton HVO bestemd voor Varo Energy zal laden op het schip Yemaya.

Op 5 december 2025 heeft Chane in opdracht van KVA circa 2.500 ton HVO vanuit tank 701 geladen op het schip de Yemaya. Op 6 december 2025 heeft Chane in opdracht van KVA circa 2.300 ton HVO vanuit het schip de Sforzo geladen in tank 709.

UTB heeft op 10 december 2025 per bankoverschrijving de koopprijs (USD 4.025.368,89) aan Kolmar betaald.

Op 12 december 2025 heeft Chane met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam ten laste van KVA (derden)beslag gelegd onder de bank en op aandelen van KVA. Ook is door Chane beslag gelegd tot levering (vestiging) op voorraden aanwezig in opslagtanks die KVA van Chane in gebruik heeft.

Per e-mail van 17 december 2025, met als onderwerp: “vrijgave eigendom” heeft UTB aan (de advocaten van) Chane verzocht te bevestigen dat de door UTB gekochte voorraad HVO (van circa 2.955 ton) opgeslagen in tank 709 eigendom is van UTB.

Per e-mail van eveneens 17 december 2025 schrijft (de advocaat van) Chane niet mee te willen werken aan het verzoek van UTB tot vrijgave van de voorraad HVO aan haar, omdat niet kan worden beoordeeld of de voorraad eigendom is van UTB. Totdat het tegendeel is bewezen, gaat Chane ervan uit dat de eigendom van alle producten die KVA aan Chane in bewaring heeft gegeven aan KVA toebehoort. Ook schrijft (de advocaat van) Chane dat een eventueel eigendomsrecht van UTB haar niet kan worden tegengeworpen, omdat zij naast een retentierecht ook een pandrecht heeft op de voorraad HVO die zich in de tank van Chane bevindt en dat zij geen aanleiding had te twijfelen aan KVA’s hoedanigheid van eigenaar van de betrokken voorraad.

3. Het geschil

UTB vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Chane beveelt afstand te doen van het door haar gepretendeerde retentie- en/of (vuist)pandrecht op de voorraad HVO in tank 709 en Chane te veroordelen de voorraad vrij te geven aan UTB. UTB vordert dat Chane wordt veroordeelt tot betaling aan UTB van een dwangsom van € 20.000 per dag als Chane niet (tijdig) aan de veroordeling meewerkt tot een maximum van € 2.000.000 is bereikt. Tot slot vordert UTB dat Chane wordt veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

UTB legt aan de vordering ten grondslag dat zij op grond van de koopovereenkomst met Kolmar van 5 december 2025 en na betaling van de koopsom (op 10 december 2025) eigenaar is geworden van de voorraad HVO die zich op dit moment in tank 709 bevindt. Chane dient het eigendomsrecht van UTB te respecteren en de voorraad onmiddellijk vrij te geven. UTB heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij haar contractuele (leverings)verplichtingen tegenover derden niet kan nakomen doordat Chane de voorraad niet vrijgeeft.

Volgens UTB komt Chane geen beroep toe op een (wettelijk) retentierecht. De gepretendeerde toekomstige vordering van Chane ziet op een mogelijke douaneheffing in haar rechtsverhouding met KVA. Deze vordering van Chane op KVA bestaat nog niet, omdat de Douane (en/of Belastingdienst) nog geen controles hebben aangekondigd en nog geen aanslag hebben opgelegd. Ook is, volgens UTB, volstrekt onbekend wat de omvang van een eventuele aanslag zal zijn. Daarnaast kan Chane zich niet met succes beroepen op een (vuist)pandrecht. Als er al een pandrecht gevestigd zou zijn, dan is dat -volgens UTB- pas gevestigd op 12 december 2025, omdat Chane eerst in haar brief (van die datum) aanspraak maakt op vooruitbetaling of het stellen van zekerheid door KVA voor de toekomstige vordering op basis van de tussen hen gesloten storage agreement en VOTOB-voorwaarden. Bovendien is niet voldaan aan de voorwaarden voor het vestigen van een pandrecht. Volgens UTB is de toekomstige vordering van Chane onvoldoende bepaald, oefent Chane niet de feitelijke macht uit over de HVO zolang de tanks zijn verhuurd aan KVA en is Chane niet te goeder trouw zodat zij niet is beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA.

Chane voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van UTB.

Chane voert aan dat onvermijdelijk is dat zij geconfronteerd zal gaan worden met een douaneheffing van circa € 54 miljoen plus rente. Deze naheffing zal Chane moeten betalen aan de Douane. KVA is contractueel (en op grond van de wet) gehouden om Chane voor de naheffing te vrijwaren. Volgens Chane is duidelijk dat KVA dat niet kan, omdat zij geen andere (toereikende) vermogensbestanddelen heeft afgezien van de voorraden die KVA in de tanks van Chane heeft opgeslagen. Volgens Chane doet zij daarom op goede gronden een beroep op het pand- en/of retentierecht. Chane voert aan dat zij op grond van artikel 54 van de tussen Chane en KVA geldende VOTOB-voorwaarden een pandrecht heeft op alle zaken die KVA aan Chane in bewaring geeft, dat het pandrecht is gevestigd op het moment dat de voorraad HVO op 6 december 2025 in haar tank (met nummer 709) werd geladen en dat Chane tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA is beschermd omdat Chane te goeder trouw is. Zij had namelijk geen enkele aanleiding te twijfelen dat niet KVA maar een derde eigenaar zou kunnen zijn van de voorraad HVO in tank 709. Dat betekent volgens Chane dat zij een vuistpandrecht heeft op de voorraad HVO, dat bovendien sterker is dan het gepretendeerde eigendomsrecht van UTB. Ook als UTB zich terecht presenteert als eigenaar van de voorraad HVO, dan nog blokkeert het pandrecht van Chane UTB’s vordering tot afgifte van de voorraad.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat UTB daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Er is spoedeisend belang

Het spoedeisend belang van UTB bij de beoordeling van haar vorderingen, volgt uit de aard van de vorderingen. UTB heeft erop gewezen dat haar bedrijfsvoering ernstig in gevaar komt. Omdat Chane de voorraad HVO weigert vrij te geven, kan UTB niet voldoen aan contractuele leveringsverplichtingen die zij heeft met derden. Zoals ook volgt uit de koopovereenkomst van 5 december 2025, is (een groot deel van) de voorraad HVO bestemd om doorverkocht (en geleverd) te worden aan Varo Energy. UTB kan aan die verplichting niet voldoen, doordat Chane weigert de voorraad vrij te geven.

De vraag die ter beantwoording voorligt is of Chane de voorraad HVO moet vrijgeven aan UTB. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en legt dat hieronder uit.

Chane heeft een vuistpandrecht gevestigd op de voorraad HVO

Chane voert aan dat zij een vuistpandrecht heeft op alle zaken die KVA in de tanks van Chane opslaat, waaronder de voorraad HVO die onderwerp is van de op 5 december 2025 gesloten koopovereenkomst tussen UTB en Kolmar. Voor de vestiging van een pandrecht is op grond van artikel 3:84 in samenhang met artikel 3:98 Burgerlijk Wetboek (BW) een geldige titel die strekt tot vestiging van een pandrecht, een vestigingshandeling en de beschikkingsbevoegdheid van de pandgever vereist. Tegen de beschikkingsonbevoegheid van de pandgever kan de pandhouder worden beschermd als hij te goeder trouw is op het tijdstip dat de zaak in zijn macht is gebracht.

Geldige titel

Chane heeft erop gewezen dat zij op 2 december 2024 met KVA een zogenoemde storage agreement is aangegaan. Op grond van die overeenkomst slaat KVA vloeibare bulkgoederen op in de opslagfaciliteiten van Chane en verleent Chane administratieve ondersteuning aan KVA bij het opstellen en indienen van invoeraangiften bij de douane. Op grond van deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden voor tankopslag in Nederland (VOTOB) van toepassing op de rechtsverhouding van Chane en KVA. Artikel 54 lid 1 VOTOB bepaalt dat Chane een pandrecht en een retentierecht heeft op alle zaken die KVA in bewaring geeft aan Chane tegenover eenieder die afgifte daarvan verlangt “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen het Opslagbedrag van de Opdrachtgever, uit welken hoofde ook, te vorderen heeft of zal hebben.

Chane heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een omvangrijke naheffing van circa € 54 miljoen (en de rente daarover) verwacht van de douane. Deze naheffing komt volgens Chane op grond van dezelfde VOTOB voorwaarden voor rekening van KVA. Omdat Chane verwacht dat KVA de omvangrijke naheffing niet zal kunnen betalen, roept zij haar pandrecht in.

Chane heeft toegelicht dat op grond van Verordening EU 2021/1266 antidumpingrecht wordt geheven op biodiesel geïmporteerd uit de VS. Op 12 september 2025 heeft de Europese Commissie een rectificatie van de genoemde verordening uitgebracht waarin de Europese Commissie tot een ‘verduidelijking’ komt van de term biodiesel. Volgens Chane moet die verduidelijking zo worden opgevat dat onder ‘biodiesel’ zowel niet-verzadigde als verzadigde koolwaterstoffen moet worden begrepen. Dat betekent dat HVO, dat uit verzadigde koolwaterstoffen bestaat, ook onder de omschrijving van biodiesel moet worden verstaan. Dat heeft tot gevolg dat op grond van de genoemde Europese regelgeving over de invoer van HVO antidumpingrechten moeten worden afgedragen. Omdat het volgens Chane om een verduidelijking gaat van de eerdere verordening, heeft dat geen gevolgen voor de productomschrijving van de geldende maatregelen en zou KVA met terugwerkende kracht alsnog antidumpingrechten en compenserende rechten moeten afdragen voor de invoer van HVO in de periode 1 januari 2024 – 1 december 2025. Chane acht het dan ook onvermijdelijk dat de douane een naheffing zal opleggen. Chane verwijst ter onderbouwing naar een overgelegde notitie van Deloitte. Daaraan wordt het volgende ontleend.

“. ..bij de invoer van zaken in de EU (kunnen rechten en belastingen verschuldigd zijn, zoals invoerrechten en btw, maar ook antidumping- en compenserende rechten. In deze zaak draait het met name om de heffing van deze laatste rechten. Die rechten worden geheven op grond van rechtstreeks werkend Unierecht. Voor de wijze van heffing wordt aangesloten bij de heffing van gewone invoerrechten. Waar in het Douanewetboek van de Unie wordt gesproken over ‘invoerrechten’ moeten daarom die antidumping- en compenserende rechten daar ook onder worden begrepen. Omdat in het Douanewetboek van de Unie in plaats van over ‘zaken’, over ‘goederen’ wordt gesproken, wordt in dit memo ook deze laatste term gebruikt.

Antidumping- en compenserende rechten (hierna ook afgekort tot ‘antidumpingrechten”) moeten naar het

juiste bedrag worden geheven. Daartoe moeten door of ten behoeve van degene die de goederen het

douanegebied van de EU binnenbrengt, invoeraangiften worden gedaan die juiste en volledige gegevens

bevatten. Als achteraf, bij verificatie door de Douane, blijkt dat onjuiste gegevens zijn vermeld in de aangifte,

worden de te weinig geheven antidumpingrechten nagevorderd. Antidumpingrechten worden , net als

invoerrechten, gerekend tot de eigen middelen van de EU. Als gevolg daarvan moeten lidstaten verantwoording

afleggen over de door hen geïnde bedragen. Als de Douane van een Lidstaat nalaat alle toepasselijke heffingen

op te leggen, kan de Europese Commissie de lidstaat aansprakelijk stellen voor de daardoor gederfde

inkomsten. Het vooruitzicht van aansprakelijkheid van lidstaten voor deze tekorten heeft tot gevolg dat als

een Lidstaat op grond van de geldende regels antidumping rechten kan heffen bij de invoer van bepaalde

producten, de Douane van die lidstaat deze zal en zelfs moet heffen.

Zoals in § 3 van Bijlage 1 is uitgewerkt, is gebleken dat de door Chane, op instructie van haar klant KVA,

ingediende invoeraangiften die betrekking hebben op ‘Hydrotreated Vegetable 011’ (HVO), ten onrechte niet in

de heffing van antidumpingrechten zijn betrokken. In de Europese verordeningen over dit onderwerp werd

verwezen naar het begrip biodiesel”. Volgens KVA werd daarmee alleen het product FAME bedoeld, en niet

ook HVO. Deze beperkte uitleg van biodiesel (FAME valt er wel onder, maar HVO niet) sluit aan bij de

Gecombineerde Nomenclatuur. Dat is een nomenclatuur die een gedetailleerde productindeling voor

douanedoeleinden bevat en de basis vormt voor het bepalen van de verschuldigde rechten. Voor de heffing

van antidumpingrechten is de Gecombineerde Nomenclatuur echter niet doorslaggevend, maar de

omschrijving in de antidumping-verordening zelf.

Hoewel de Douane, naar wij begrijpen, een drietal invoeraangiften heeft gecontroleerd ten tijde van de invoer

van de betreffende ladingen HVO, heeft dat toen niet tot correcties geleid.

Op 12 september 2025 heeft de EU Commissie formeel ‘verduidelijkt’ dat HVO in de heffing van antidumping

en compenserende rechten betrokken moet worden, als deze van oorsprong is uit de Verenigde Staten van

Amerika. Op twee zendingen na was dat het geval bij alle invoertransacties waarbij Chane voor KVA de

invoeraangifte heeft verzorgd. Over deze zendingen Amerikaanse HVO hadden antidumpingrechten van

€22.600.884,42 en compenserende rechten van € 31.105.746,85 geheven moeten worden. Opgeteld is dit

€53.706.631,27 in hoofdsom. (…)

Chane was genoodzaakt de Douane op de hoogte te brengen van deze bevindingen. Zij heeft de Douane

verzocht om de betreffende invoeraangiften (alsnog) in overeenstemming te brengen met de werkelijke

situatie. Vanwege de aard van de zaak, en de bedragen die in het geding zijn, ligt het in de lijn der verwachtingen

dat niet alleen de Nederlandse Douane onderzoek zal doen naar deze kwestie. De Douane zal waarschijnlijk

ook de Europese Commissie en andere instellingen van de EU informeren, teneinde te bezien of deze situatie

zich ook elders heeft voorgedaan, dat wil zeggen bij andere marktdeelnemers en/of in andere lidstaten.

Chane heeft de invoeraangiften voor KVA ingediend als ‘indirect douanevertegenwoordiger’. Uit dien hoofde

wordt zij beschouwd als ‘aangever, wat meebrengt dat zij aansprakelijk is voor de betaling van ten onrechte

niet geheven rechten en rente op achterstallen. Dat KVA, als ‘indirect vertegenwoordigde’, en mogelijk ook

anderen eveneens aansprakelijk gesteld kunnen worden, maakt voor de aansprakelijkheid van Chane jegens

de Douane geen verschil. Alle douaneschuldenaren zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk. In de praktijk

blijkt dat in gevallen waarin er meerdere douaneschuldenaren zijn, de aangever in ieder geval wordt

aangesproken tot betaling, en dat de douaneautoriteiten van geval tot geval beoordelen of ook andere

personen als douaneschuldenaar worden aangesproken.

Chane stelt dat KVA op grond van de tussen haar en KVA geldende algemene voorwaarden (VOTOB) het bedrag van de aanslag (nu al) moet betalen aan Chane, hoewel de aanslag nog niet formeel is opgelegd. KVA is niet alleen contractueel maar ook op grond van de wet gehouden Chane te vrijwaren voor de aanslag. Immers, in de onderlinge verhouding tussen Chane en KVA gaat deze douane-schuld uitsluitend KVA aan, en niet Chane.

Volgens UTB is de vordering waarvoor Chane haar pandrecht wenst in te roepen onvoldoende bepaald. Zij stelt dat de EC met een ‘rectificatie’ kwam omdat dus kennelijk eerder niet duidelijk was wat onder ‘biodiesel’ werd verstaan. UTB stelt dat de beweerde vordering van Chane een hoog speculatief karakter heeft, omdat niet vast staat of de Douane daadwerkelijk een aanslag op zal leggen en, zo ja, wat de hoogte daarvan zal zijn, en is evenmin duidelijk of KVA daarvoor aansprakelijk is. Volgens UTB is niet aannemelijk dat de maatregel met terugwerkende kracht zal worden opgelegd, maar geldt deze pas na de wijziging van 12 september 2025. Dat zou volgens haar betekenen dat de naheffing alleen geldt voor de drie leveringen die hebben plaatsgevonden na 16 september 2025. Dan gaat het volgens UTB om een aanzienlijk lagere vordering waarvoor ook van belang is dat KVA al zekerheid heeft gesteld voor een bedrag van € 1.2 miljoen.

Namens KVA is er ter zitting op gewezen dat de titel van de verordening die in september 2025 van kracht is geworden tot uitdrukking brengt dat het deze strekt tot rectificatie van een eerdere verordening. Had men dan vóór 12 september moeten weten dat HVO ook onder ‘biodiesel’ valt? De terminologie wijst erop dat het toen kennelijk onduidelijk was. KVA heeft benadrukt dat terugwerkende kracht komt zelden voorkomt. Als er een ‘verduidelijking’ is dan zie je vaak temporele werking. In de verhouding KVA-Chane is Chane de deskundige.

De voorzieningenrechter stelt vast dat UTB niet heeft betwist dat in geval van oplegging van een aanslag, die door Chane moet worden voldaan alvorens, in geval van geschil, de rechtmatigheid van de heffing definitief in rechte is vastgesteld. Ook heeft zij niet betwist dat KVA daarvoor in rechte kan worden aangesproken. Zoals Deloitte ook laat blijken, is niet uitgesloten dat in overleg met de Douane autoriteiten arrangementen worden overeengekomen op grond waarvan (voorlopig) van invordering wordt afgezien, maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat er van een toekomstige vordering waarvoor zekerheid kan worden verlangd geen sprake is. Daarvoor zal het resultaat van contacten van de betrokkenen en met name van KVA met de Douane en wellicht ook het overleg op Europees niveau moeten worden afgewacht. Van belang zou kunnen zijn dat Chane in de verhouding tot KVA als deskundige partij op zich had genomen om de douanefaciliteiten te verzorgen, maar dat aspect is in dit kort geding volstrekt onvoldoende belicht om te kunnen leiden tot het oordeel dat dit aan het aannemen van een vorderingsrecht van Chane in die verhouding in de weg staat. Al met al moet de vordering van Chane op dit moment voldoende aannemelijk en bepaalbaar worden geacht.

Vestigingshandeling

In artikel 3:236 lid 1 BW is bepaald dat het (vuist)pandrecht wordt gevestigd door de zaak in de macht te brengen van de pandhouder. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de voorraad HVO op 6 december 2025 vanuit het schip de Sforzo in tank 709 is opgeslagen. Chane heeft ter zitting toegelicht dat KVA weliswaar gebruik maakt van haar opslagfaciliteiten, maar dat Chane de opslagtanks beheert en opereert op zo een wijze dat alleen Chane de goederen in en uit haar tanks kan pompen, zodat het laden en lossen van goederen in en uit de tanks alleen met instemming van Chane gebeurt. Dat betekent dat Chane de voorraad HVO feitelijk in haar macht heeft gekregen toen deze op 6 december 2025 in tank 709 werd geladen. Dat alleen Chane de kranen van de tanks opereert en dus de feitelijke macht uitoefent over de voorraad HVO, heeft UTB onvoldoende weersproken. Weliswaar voert Chane (in beginsel) opdrachten van KVA uit om goederen in en uit de tanks te pompen, maar op het moment dat Chane aan die opdracht geen gehoor geeft is KVA (of een andere partij) niet in staat over het opgeslagen goed te beschikken.

Dat betekent dat ook is voldaan aan de tweede voorwaarde voor het vestigen van een pandrecht.

Beschikkingsbevoegdheid

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Chane tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA is beschermd, zodat ook aan de laatste voorwaarde voor het vestigen van een pandrecht is voldaan. De voorzieningenrechter legt dat hieronder uit.

Artikel 3:238 lid 1 BW bepaalt dat het pandrecht ondanks de onbevoegdheid van een pandgever geldig is als de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht. Dat Chane wist of had moeten weten dat de eigendom van de voorraad HVO niet aan KVA maar aan een derde toebehoorde, toen zij dat overeenkomstig de instructie van KVA opsloeg in tank 709, is voorshands niet gebleken. Op grond van de wettelijke bewijsvermoedens mocht Chane ervan uitgaan dat KVA eigenaar van - en dus beschikkingsbevoegd was ten aanzien van - de voorraad HVO. Vast staat immers dat KVA de HVO middels (en bij) Chane houdt. Op grond van artikel 3:109 BW wordt de houder (KVA) van het goed vermoed dit voor zichzelf te houden en dus bezitter te zijn van het goed (artikel 3:107 lid 1 BW). Op grond van artikel 3:119 BW wordt de bezitter van het goed vermoed de rechthebbende te zijn. Dat betekent dat KVA wordt vermoed de rechthebbende te zijn van de voorraad HVO, tenzij zich contra-indicaties voordoen.

Uitgangspunt van de tussen Chane en KVA geldende overeenkomst is dat KVA als bewaargever de eigendom heeft van hetgeen zij in bewaring geeft aan Chane. Dat volgt onder meer uit artikel 44 van de VOTOB voorwaarden waarin een verbod is opgenomen om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Chane haar opslagtanks ter beschikking te stellen van of op andere wijze doen gebruiken door derden. Daarbij is in artikel 48 van de genoemde voorwaarden onder meer opgenomen dat op KVA de plicht rust om Chane op de hoogte te stellen van eigendomsoverdracht of eigendomsovergang van zaken respectievelijk overdracht of overgang van het recht op uitlevering van zaken. Bovendien volgt uit dezelfde bepaling dat overdracht of overgang van eigendom van in de opslagtanks aanwezige zaken door Chane niet wordt erkend, tenzij al haar vorderingen zijn voldaan. Dat KVA Chane heeft ingelicht over de op 5 december 2025 gesloten koopovereenkomst tussen UTB en Kolmar is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat KVA aan Chane heeft gemeld dat zij de voorraad HVO (kennelijk) eerst voor Kolmar hield en na het sluiten van de koopovereenkomst en betaling van de koopprijs door UTB op 10 december 2025 voor UTB is gaan houden. Toen UTB (eerst) per e-mail van 17 december 2025 aan Chane verzocht door voorraad HVO aan UTB af te geven, schreef Chane, eveneens op 17 december 2025, in reactie daarop: “CTNM [vzr: Chane] kan, bij gebrek aan onderbouwing, onmogelijk verifiëren of UTB’s stellingen over de eigendom van producten in CTNM’s tanks op juistheid berusten. CTNM is niet bekend met enige (eerdere) mededeling of documentatie te dien aanzien.” Dat de eigendom van de HVO zich mogelijk bij een andere partij bevond dan van wie zij het op 6 december 2025 in bewaring had gekregen was Chane niet bekend.

Dat betekent dat Chane op dat moment te goeder trouw was en dus tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA is beschermd.

Slotsom en kosten

Gelet op het voorgaande moet de conclusie zijn dat voorshands voldoende aannemelijk is dat het door Chane gevestigde pandrecht op de voorraad HVO geldig is.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van UTB daarom af.

UTB is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Chane worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.101,00

Nu uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling niet is gevorderd, zal die achterwege worden gelaten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van UTB af,

veroordeelt UTB in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als UTB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand