ECLI:NL:RBNHO:2026:5257

ECLI:NL:RBNHO:2026:5257

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 15/145521-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling tot taakstraf van 200 uur voor de aanranding van de vriendin van de dochter van de verdachte. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/145521-25 (P)

Uitspraakdatum: 12 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 april 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Lommers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt er, kort samengevat, van beschuldigd dat hij op 21 april 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de vriendin van zijn dochter. De ontuchtige handelingen vonden plaats in de woning van de verdachte, waarbij de verdachte onder meer de borsten, billen en vagina, grotendeels over de kleding heen, heeft aangeraakt. Hij deed dit op de bank in de woonkamer en in de slaapkamer van zijn dochter.

De volledige tekst van de tenlastelegging luidt als volgt:

hij op of omstreeks 21 april 2024 te Alkmaar,(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)[het slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),immers heeft hij, verdachte (telkens) een en/of meermalen:- met zijn vinger(s) in/op de vagina, althans schaamstreek, van die [het slachtoffer] gedrukt, althans haar vagina betast/aangeraakt en/of- de borst(en) en/of bil(len) en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of dij(en) van die [het slachtoffer] gestreeld en/of betast/aangeraakt en/ofbestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte:- onverhoeds die [het slachtoffer], die (samen met [dochter van verdachte]) op de bank en/of in bed lag, heeft benaderd en/of- terwijl zijn dochter [dochter van verdachte] een relatie had met die [het slachtoffer] en/of- (vervolgens) onverhoeds met zijn vinger(s) in/op de vagina, althans schaamstreek, van die [het slachtoffer] heeft gedrukt, althans haar vagina betast/aangeraakt en/of- (onverhoeds) de borst(en) en/of bil(len) en/of arm(en) en/of be(e)n(en) en/of dij(en) van die [het slachtoffer] heeft gestreeld en/of betast/aangeraakt;en/of hij (aldus) voor die [het slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan, waarin zij zich niet, althans onvoldoende, aan bovengenoemde handelingen kon onttrekken.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft het ten laste gelegde feit ontkend. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster niet betrouwbaar is en geen of onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Inleidende opmerkingen over het bewijs

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat twee verklaringen tegenover elkaar staan, de verklaringen van het vermeende slachtoffer en van de vermeende dader. Ook in de onderhavige zaak is dat het geval.

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, mag niet uitsluitend gebaseerd worden op de betrouwbaar geachte verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). De rechter kan dus niet tot een bewezenverklaring komen indien de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit betekent echter niet dat voor ieder onderdeel van een tenlastelegging meer bewijs moet zijn dan op basis van de verklaring van één getuige. De bepaling heeft namelijk betrekking op de tenlastelegging als geheel en niet op elk onderdeel daarvan. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen daarom wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangeefster, als die verklaring in zijn geheel op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Op grond van vaste rechtspraak in zedenzaken kan een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron en in voldoende duidelijk verband staan met de verklaring van de aangeefster.

Verder geldt dat de wet niet voorziet in een toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring. De rechtspraak biedt wel criteria voor deze beoordeling. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op (de betrouwbaarheid van) de verklaring. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan de eigen betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit of een belang of motief om niet overeenkomstig de waarheid te verklaren.

De verklaringen van aangeefster - betrouwbaarheid

In het licht van dit beoordelingskader zal de rechtbank eerst stilstaan bij de verklaringen die de aangeefster in deze zaak heeft afgelegd en de betrouwbaarheid van deze verklaringen beoordelen. Als eerste heeft aangeefster gesproken met haar moeder die hierover een getuigenverklaring bij de politie heeft afgelegd. Daarna heeft aangeefster tweemaal een verklaring afgelegd bij de politie, namelijk de eerste keer bij het informatief gesprek zeden en later toen zij aangifte deed.

De aangeefster heeft (kort samengevat) verklaard dat zij in de nacht van 20 op 21 april 2024 is aangerand door de verdachte. Dit was na het verjaardagfeestje van haar vriendin [dochter van verdachte], de dochter van de verdachte, en vond eerst plaats op de bank in de woonkamer en later die nacht nogmaals toen zij in bed lag met [dochter van verdachte]. De aangeefster heeft beschreven dat toen zij na het feestje op de bank met haar ogen dicht lag de verdachte haar eerst streelde over haar arm, daarna over haar bovenbeen en schouder en vervolgens ook over haar bil en de zijkant van haar borsten. Daarna is zij met [dochter van verdachte] naar haar slaapkamer gegaan en zijn ze gaan slapen. Rond 03.00 of 04.00 uur merkte zij dat de verdachte de slaapkamer in kwam. Ze zag een lichtflits van zijn telefoon en hij ging met zijn hand onder de deken. Ze voelde dat hij haar streelde. Eerst bij haar linkerzij, dan aan zijkant van haar linker bil en vervolgens aan de bovenkant van haar rechterbeen. Daarna raakte hij de zijkant en onderkant van haar borsten aan. Aan het einde raakte hij haar dijen aan en toen ook over waar haar schaamhaar zit, zo verklaart zij. Eerst was zijn hand stil toen maar toen hij bij haar schaamlippen zat drukte hij er met zijn vinger op. Ze voelde dat hij hierbij tussen haar schaamlippen kwam, maar haar onderbroek en maandverband zaten er wel tussen. Zij probeerde haar vriendin wakker te maken door tegen haar aan te duwen en op een gegeven moment werd [dochter van verdachte] ook daadwerkelijk wakker.

De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster over de gebeurtenissen van 21 april 2024 betrouwbaar, nu deze consistent en gedetailleerd zijn. De verklaringen zijn verder volledig. De verklaringen komen ook overeen met hetgeen zij, blijkens het getuigenverhoor van haar moeder, aan haar moeder heeft verteld. Dat aangeefster alcohol had gedronken doet aan haar betrouwbaarheid niet af. De rechtbank zal de verklaringen van de aangeefster daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Steunbewijs

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum wordt voldaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

De verklaringen van de aangeefster worden naar het oordeel van de rechtbank allereerst ondersteund door de hevige emoties en de gedragsverandering die de moeder van de aangeefster bij haar heeft waargenomen. Zij heeft verklaard dat zij de aangeefster de middag na het incident telefonisch heeft gesproken. De aangeefster huilde en verklaarde met grote pauzes en een brulpartij dat er iets was gebeurd. De aangeefster heeft toen aan haar verklaard dat de vader van [dochter van verdachte] haar had aangeraakt. Dat zij ‘s nachts wakker werd en hij naast het bed stond en met zijn hand onder de dekens ging en dat hij haar benen, billen en kruis heeft gestreeld. De aangeefster durfde hierna niet meer alleen te slapen, waardoor zij eerst anderhalve week tussen haar ouders in heeft geslapen en vervolgens nog langere tijd op een matras in de slaapkamer van haar ouders.

De rechtbank ziet ook steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster, in de verklaringen van de verdachte. Hij heeft niet alleen verklaard dat hij ’s nachts in de slaapkamer van [dochter van verdachte] was, waar de aangeefster naast [dochter van verdachte] in bed lag te slapen, maar ook dat hij eerder die nacht de aangeefster (en [dochter van verdachte]) op de bank in de woonkamer in slaap heeft zien liggen. Hij heeft verder op de zitting verklaard dat hij de aangeefster in bed heeft aangeraakt bij haar onderbroek, bil en onderbeen.

De rechtbank betrekt bij de bewijsvoering ook de getuigenverklaring van [dochter van verdachte]. Hieruit blijkt dat de verdachte inderdaad midden in de nacht in de slaapkamer was waar [dochter van verdachte] en de aangeefster lagen te slapen. Ook heeft [dochter van verdachte] verklaard dat de aangeefster direct ’s nachts zei dat de verdachte haar had aangeraakt. Daarnaast heeft ze verklaard dat de verdachte op een later moment tegen haar had gezegd dat hij misschien te lang met zijn hand onder de deken was, maar dat niet door had omdat hij aangeschoten was.

Ten slotte vinden de verklaringen van de aangeefster steun in het aangetroffen DNA van de verdachte. Zijn DNA is aangetroffen aan de buitenzijde van de taillerand van de onderbroek van de aangeefster. Dit past bij de verklaring van de aangeefster waarin zij onder meer heeft aangegeven dat hij haar over haar onderbroek heen aanraakte.

De rechtbank ziet in deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steun voor de verklaringen van de aangeefster. Dat maakt ook dat de rechtbank, gelet op het hiervoor besproken steunbewijs, geen waarde hecht aan de ontkennende verklaring van de verdachte. Daarbij weegt voor de rechtbank ook mee dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de reden van zijn aanwezigheid in de slaapkamer van zijn dochter. Zo heeft hij ’s nachts tegen de aangeefster en [dochter van verdachte] gezegd dat hij naar boven was gekomen omdat hij licht zag op de kamer en dacht dat er politie in de straat was. De volgende ochtend heeft hij tegen [dochter van verdachte] gezegd dat hij kwam kijken of ze niet hadden overgegeven. En bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij er was omdat hij lawaai hoorde en licht zag knipperen -achteraf volgens de verdachte de koolmonoxidemelder- en om een emmer te brengen. Ook over waar hij het slachtoffer heeft aangeraakt heeft de verdachte wisselend verklaard. Bij het politieverhoor verklaarde hij in eerste instantie alleen dat hij haar been had aangeraakt. Pas nadat er DNA bij hem wordt afgenomen geeft hij aan dat hij misschien ook haar onderbroek heeft aangeraakt. Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij ook haar bil heeft aangeraakt.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde aanranding. Dat geldt zowel voor het moment op de bank in de woonkamer als het latere moment in slaapkamer. Dat [dochter van verdachte] een jaar later heeft verklaard dat de aanranding op de bank niet kan hebben plaatsgevonden omdat zij wakker was en haar vader aan de eettafel zat doet daar niet aan af. De verdachte heeft immers zelf bij de politie verklaard dat hij ervan uitgaat dat zijn dochter en de aangeefster op de bank in slaap waren gevallen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 21 april 2024 te Alkmaar, telkens door feitelijkheden [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte een of meermalen:- met zijn vinger de vagina, van die [het slachtoffer] gedrukt, en - de borsten en billen en armen en benen en dijen van die [het slachtoffer] gestreeld en aangeraakt en bestaande die feitelijkheden hierin dat hij, verdachte:- onverhoeds die [het slachtoffer], die (samen met [dochter van verdachte]) op de bank en in bed lag, heeft benaderd en - terwijl zijn dochter [dochter van verdachte] een relatie had met die [het slachtoffer] - (vervolgens) onverhoeds met zijn vinger op de vagina van die [het slachtoffer] heeft gedrukt, en - onverhoeds de borsten en billen en armen en benen en dijen van die [het slachtoffer] heeft gestreeld en aangeraakt;en hij aldus voor die [het slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan, waarin zij zich niet, althans onvoldoende, aan bovengenoemde handelingen kon onttrekken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Uitgangspunt strafoplegging en ernst van het feit

Vooropgesteld dient te worden dat een aantasting van de lichamelijke integriteit, zoals in zedenzaken het geval, langdurige impact op de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid voor slachtoffers heeft. Niet iedere zaak is hierin gelijk. In vergelijkbare zaken waarin sprake is van betasting over de kleding worden over het algemeen taakstraffen van rond de 60 uur opgelegd. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad acht de rechtbank dat hier niet passend. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een 18-jarige vrouw. Hij heeft op twee verschillenden momenten (over haar kleding) onder meer haar borsten, billen en vagina aangeraakt. Bij het aanraken van de vagina heeft hij met zijn vinger druk uitgeoefend bij haar schaamlippen. Deze handelingen gaan verder dan een enkele aanraking over de kleding. Daar komt bij dat het slachtoffer zich in een kwetsbare positie bevond doordat zij had gedronken en (half) lag te slapen in de woning van haar vriendin. Daarnaast was sprake van een groot leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster en had het slachtoffer een relatie met de dochter van de verdachte. De verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer Uit de namens de aangeefster voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij ook nu nog, twee jaar later, de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft enkel gehandeld vanuit eigen lustgevoelens en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer daaraan ondergeschikt gemaakt. De verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid hiervoor genomen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar de persoon van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De verdachte is samen met zijn dochter mantelzorger voor zijn vrouw. Uit het reclasseringsadvies van 23 september 2025 blijkt dat het risico op recidive als laag wordt ingeschat en dat de reclassering geen noodzaak ziet voor toezicht of interventies. De reclassering adviseert daarom om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 uur moet worden opgelegd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De aangeefster heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.375,71 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gevorderde materiële schade bestaat uit reiskosten aan € 61,71 en € 314 voor betaald eigen risico. De gestelde immateriële schade bedraagt € 7.000 en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het materiële deel van de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij in dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband tussen de gestelde schade en het ten laste gelegde feit ontbreekt. Met betrekking tot het immateriële deel heeft de raadsvrouw verzocht de hoogte van de schadevergoeding te

matigen gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade met betrekking tot de gevorderde reiskosten rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van de overig gestelde materiële schade is het causale verband tussen deze schade en het bewezenverklaarde niet komen vast te staan, nu uit de bij de vordering overlegde stukken onvoldoende blijkt dat het eigen risico is uitgegeven als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt hiertoe dat aangeefster al onder psychologische behandeling was en het eigen risico ook zonder het bewezenverklaarde feit mogelijk verschuldigd is geweest. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De vordering zal wat betreft de materiële schade dus worden toegewezen tot een bedrag van € 61,71, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 april 2026, de dag dat de vordering is ingediend, omdat uit de vordering niet blijkt wanneer deze kosten zijn gemaakt.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vordering van de benadeelde partij is op deze laatste grondslag gebaseerd. Van aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen en als het bestaan daarvan naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij met de overlegging van de brief van haar behandelaars, naar objectieve maatstaven voldoende heeft aangetoond dat sprake is van het bestaan van geestelijk letsel. In deze brief schrijven haar behandelaars namelijk dat de klachten die zich als gevolg van de aanranding bij de benadeelde partij aandienden, passend waren bij een anders gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis en dat de benadeelde partij hiervoor meerdere behandelingen heeft ondergaan.

Bij het bepalen van de hoogte van de psychische schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor een aanranding van ernstige aard (hoofdstuk 15.3, categorie b), met een bandbreedte van bedragen tussen de € 1.000 en € 5.000. Gelet op de ernst van het handelen van de verdachte en de gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad in deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om de door de benadeelde partij geleden schade te begroten op het bovenste deel van deze bandbreedte. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, toewijzing van een bedrag van € 4.000 billijk. De vordering van de benadeelde partij zal tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het resterende deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tevens zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet verder reden om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 9, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 4.061,71, bestaande uit € 61,71 als vergoeding voor de materiële en € 4.000 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag.

Bepaalt dat het bedrag van € 61,71 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2026. En dat het bedrag van € 4.000 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2024. Beide tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.061,71, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.K. Korteweg, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. N. Mook, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Langendoen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.K. Korteweg
  • mr. L. Boonstra
  • mr. N. Mook

Griffier

  • mr. M. Langendoen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand