ECLI:NL:RBNHO:2026:526

ECLI:NL:RBNHO:2026:526

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 11589173 CV EXPL 25-1025
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Effectenleasezaak. Dexia heeft onrechtmatig tegenover afnemer gehandeld door afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Dexia dient de door afnemer geleden schade, vermeerderd met rente te vergoeden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11589173 CV EXPL 25-1025

vonnis van de kantonrechter van 14 januari 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: USG Legal Professionals,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1. 1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 10 december 2024;

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

de conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2. 2. De feiten

[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

56095196

18-01-2001

Profit Effect Vooruitbetaling

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

27-09-2004

- € 6.382,13

Nee

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.180,88 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde] € 362,88 aan dividenden ontvangen en € 128,64 aan fiscaal voordeel genoten.

[gedaagde] en Dexia hebben ook vier andere leaseovereenkomsten gesloten die zijn afgewikkeld naar aanleiding van een vonnis van 18 januari 2017.

3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

Dexia vordert, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.127,38, te vermeerderen met de wettelijke rente,

zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,

[gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [gedaagde] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [gedaagde] van al datgene dat [gedaagde] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 voor recht zal verklaren dat [gedaagde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

 Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [gedaagde] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie algemeen4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde].

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie

Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

[gedaagde] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR 1995. Ook stelt [gedaagde] dat Dexia een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt hij daarin niet gevolgd.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[gedaagde] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

Ten aanzien van de Profit Effect overeenkomsten uit 2000

[gedaagde] is naar aanleiding van een advertentie – waarin een mooie manier van sparen werd gepromoot – in contact gekomen met [bedrijf]. [gedaagde] heeft vervolgens op de advertentie gereageerd en zijn contactgegevens achtergelaten op een bijbehorende coupon. Vervolgens is [gedaagde] door een medewerker van [bedrijf] telefonisch benaderd met de vraag of [gedaagde] interesse had om zijn financiële situatie en de mogelijkheden van vermogensopbouw telefonisch door te nemen met een adviseur van [bedrijf]. [gedaagde] stemde hiermee in.

Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van [bedrijf] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gedaagde]. Zo is met de adviseur gesproken over de gezinssituatie, het spaargeld en de woonsituatie van [gedaagde]. Zo kwam aan de orde dat [gedaagde] recent getrouwd was, stiefvader was geworden van een zoontje en een dochtertje had die net was geboren. Ook kwam ter sprake dat de moeder van [gedaagde] was overleden en [gedaagde] derhalve een geldbedrag had geërfd. Daarnaast is de met de adviseur gesproken over de wens van [gedaagde] om vermogen op te bouwen voor de toekomst voor de koop van een woning. De adviseur gaf aan dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstelling van [gedaagde] te verwezenlijken.

De adviseur adviseerde [gedaagde] om vijf Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten en het spaargeld (lees: erfenis) aan te wenden voor het doen vijf vooruitbetalingen. Volgens de adviseur zou [gedaagde] met vijf Profit Effect overeenkomsten aanzienlijk vermogen opbouwen voor de toekomst, waardoor [gedaagde] een woning zou kunnen kopen. De adviseur gaf aan dat met de Profit Effect overeenkomsten enkel werd belegd in betrouwbare en degelijke fondsen en er derhalve niets mis kon gaan.

[gedaagde] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [gedaagde] het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur had [gedaagde] vijf Profit Effect overeenkomsten afgesloten met ieder een vooruitbetaling van NLG 3.295,52 per overeenkomst.

De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomsten is door de adviseur in orde gemaakt. De uiteindelijke overeenkomsten heeft [gedaagde] per post ontvangen en ondertekend retour gestuurd. De adviseur heeft er vervolgens zorg voor gedragen dat de overeenkomsten bij Bank Labouchere terechtkwamen.

Ten aanzien van de Profit Effect overeenkomst uit 2001

Op enig moment heeft wederom telefonisch contact plaatsgevonden tussen de adviseur en [gedaagde]. De adviseur stelde [gedaagde] vervolgens voor om hem telefonisch te voorzien van nader advies.

Tijdens het gesprek heeft de adviseur opnieuw geïnformeerd naar financiële situatie en wensen van [gedaagde]. Zo is gesproken over het geven (de kantonrechter begrijpt: gegeven) dat [gedaagde] nog een geldbedrag over had van de erfenis van zijn overleden moeder. Voorts gaf [gedaagde] aan ook als wens te hebben om vermogen op te bouwen voor zijn twee kinderen; zijn stiefzoontje en pasgeboren dochter. [gedaagde] wilde graag vermogen opbouwen om te zijner tijd hun studies te kunnen betalen. De adviseur gaf [gedaagde] wederom aan dat hij een geschikt product kon adviseren om het doel van [gedaagde] te kunnen verwezenlijken.

De adviseur adviseerde [gedaagde] om nog een Profit Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling. Omdat [gedaagde] eerder het spaargeld (lees: restant erfenis) met de adviseur had besproken, adviseerde de adviseur [gedaagde] om het spaargeld aan te wenden voor het doen van de vooruitbetaling van het product. Volgens de adviseur zou [gedaagde] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagde] de studie van zijn twee kinderen zou kunnen betalen. Opnieuw gaf de adviseur aan dat enkel zou worden belegd in betrouwbare fondsen, waardoor het niet mis kon gaan.

[gedaagde] had nog steeds geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [gedaagde] het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur had [gedaagde] één Profit Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 4.806,03.

De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt. De uiteindelijke overeenkomst heeft [gedaagde] per post ontvangen. Door de brief kwam [gedaagde] ervan op de hoogte dat een eerdere verzending van de ondertekende overeenkomst naar Bank Labouchere niet bij de bank terecht was gekomen. [gedaagde] heeft vervolgens normaals de uiteindelijke overeenkomst ondertekend en retour gestuurd naar [bedrijf]. De adviseur heeft er vervolgens zorg voor gedragen dat deze ondertekende overeenkomst wel bij Bank Labouchere terechtkwam.’

[gedaagde] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het aanvraagformulier van op naam van [gedaagde], waarop een stempel is geplaatst met de tekst [bedrijf](…)” en ATP-nummer 71 is ingevuld,

- een kopie van de overeenkomst van 18 januari 2001 met contractnummer 56095196, voorzien van de tekst: “Adviseur: ATP00071-[bedrijf]”,

- een kopie van een uittreksel van de KvK van [bedrijf] B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden ‘bemiddeling bij (…) leaseconstructies, (…) advies en organisatieburo’.

aanhoudingsverzoek

Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [gedaagde] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [gedaagde], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [gedaagde] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [gedaagde] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [gedaagde] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagde] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [gedaagde] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

wetenschap Dexia

In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [gedaagde]. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [gedaagde] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [gedaagde] voor rekening van Dexia.

aansprakelijkheid Dexia 4.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagde] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagde] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [gedaagde] 4.18. De door [gedaagde] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door [gedaagde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.

De als gevolg hiervan door [gedaagde] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagde] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

[gedaagde] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie de schade berekend op € 1.689,36. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [gedaagde] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

BKR-registratie 4.22. Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [gedaagde] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [gedaagde] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [gedaagde] in reconventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)

- nakosten € 135,00

Totaal € 677,00.

5. Beslissing

De kantonrechter

in conventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

in reconventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door [gedaagde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat [gedaagde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.689,36 vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.19.,

veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [gedaagde] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [gedaagde] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?