ECLI:NL:RBNHO:2026:5262

ECLI:NL:RBNHO:2026:5262

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 15/261933-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Uitleveringsverzoek Oekraïne. Namens de opgeëiste persoon is een beroep gedaan op een dreigende schending van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (verbod van foltering) van het EVRM. Overweging over de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie en Veiligheid t.a.v. deze weigeringsgrond leidt tot de conclusie dat de rechtbank zich niet bevoegd acht hierover te oordelen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard. De rechtbank zal de Minister adviseren bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek rekening te houden, op basis van alle op dat moment beschikbare informatie, met het ernstige gevaar dat de oorlogshandelingen in Oekraïne een dreigende schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling van de opgeëiste persoon opleveren. Daarnaast zal de rechtbank de Minister adviseren op basis van de haar ter beschikking staande informatie over de oorlogssituatie in Oekraïne op dit moment geen gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/261933-25

Zittingsdatum: 9 april 2026

Uitspraakdatum: 23 april 2026

Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op 11 maart 1963 te Van (Turkije),

verblijfadres: [adres],

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1. De relevante schriftelijke stukken

Het verzoek tot uitlevering

In het dossier bevindt zich een gewaarmerkt verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Oekraïense autoriteiten van 23 oktober 2025, en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland (hierna: het uitleveringsverzoek). Dit verzoek is in de Engelse taal opgesteld.

Uitlevering wordt gevraagd voor strafvervolging van de opgeëiste persoon, voor de strafbare feiten die zijn opgenomen in de als bijlage bij het uitleveringsverzoek gevoegde “Request

for extradition for the purpose of criminal prosecution” van 17 oktober 2025, te weten het deelnemen aan een criminele organisatie en het verrichten van handelingen die zien op de aankoop, opslag en transport van verdovende middelen (heroïne), met de intentie om die verdovende middelen te verkopen.

Overige stukken in het dossier

Door de verzoekende staat zijn, naast het uitleveringsverzoek, de volgende stukken overlegd:

het bovengenoemde “Request for extradition for the purpose of criminal prosecution”, dat ziet op de feiten en omstandigheden die uit het opsporingsonderzoek naar voren zijn gekomen;

een bijlage getiteld “Ruling in the name of Ukraine” van 7 november 2023, die ziet op een door rechters gegeven afwijzing van een vordering tot preventieve hechtenis van de opgeëiste persoon;

een ongedateerde bijlage getiteld “Certificate on information indicating the commission of a criminal offense by a person”, die ziet op het bewijs tegen de opgeëiste persoon dat in diens bijzijn op een gerechtelijke procedure besproken dient te worden;

een ongedateerde bijlage getiteld “Provision of the Article of the Law of Ukraine on Criminal Liability under which the criminal offense is qualified”, die ziet op de Oekraïense wetsbepalingen die de opgeëiste persoon zou hebben overtreden;

een ongedateerde bijlage getiteld “Information on the course of the statute of limitations for bringing to criminal liability”, die ziet op de Oekraïense bepalingen over de verjaring van strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Het dossier bevat Engelse vertalingen door een “Certified and Sworn Translator” van elk van deze in het Oekraïens opgestelde documenten.

Verder maken de navolgende stukken deel uit van het dossier:

een proces-verbaal van voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon ex artikel 14, tweede lid, van de Uitleveringswet (hierna: UW), van 6 oktober 2025;

een bevel tot inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon van 6 oktober 2025;

een uittreksel Justitiële Documentatie van de opgeëiste persoon van 7 oktober 2025;

een bevel tot bewaring van de opgeëiste persoon van 8 oktober 2025;

een bevel tot voortzetting van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon van 24 oktober 2025;

de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, UW, van 28 oktober 2025;

een bevel tot schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon van 12 november 2025;

een brief van het hoofd van de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken gericht aan het IRC Noord-Holland zoals bedoeld in artikel 20 UW, van 27 november 2025;

de ter zitting van 9 april 2026 overlegde schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, UW;

de door de raadsman ter zitting van 9 april 2026 overlegde pleitnotities met bijlage.

2. Het onderzoek ter zitting

De behandeling

Op 9 april 2026 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:

de officier van justitie mr. J.A. Huibers, en

de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.

De identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft op de zitting verklaard dat hij de persoon is die genoemd en nader aangeduid wordt in het uitleveringsverzoek. Omdat die verklaring wordt ondersteund door het dossier en er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

De raadsman heeft betoogd dat als gevolg van de oorlog in Oekraïne sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op leven van de opgeëiste persoon en dat hem mogelijk een onmenselijke of vernederende behandeling wacht in Oekraïne na uitlevering. Hierdoor zullen de rechten als omschreven in artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) worden geschonden. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de raadsman betoogd dat bij inwilliging van het uitleveringsverzoek a) de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge de verdragsbepalingen van het EVRM toekomend recht en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze situatie niet de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) maar de uitleveringsrechter de bevoegdheid heeft om een verzoek om uitlevering op deze gronden ontoelaatbaar te verklaren.

Ter onderbouwing van het standpunt dat, indien het uitleveringsverzoek wordt toegewezen, sprake is van een risico op flagrante schending van de rechten als omschreven in artikelen 2 en 3 EVRM, heeft de raadsman het volgende aangevoerd. In heel Oekraïne vinden luchtaanvallen plaats. In juli 2025 is een gevangenis in Zaporizja geraakt en zijn gedetineerden om het leven gekomen of (ernstig) gewond geraakt. Plaatsing van de opgeëiste persoon in een gevangenis in het westen van Oekraïne, zoals de Oekraïense autoriteiten als mogelijkheid hebben aangegeven, is geen vrijwaring van dit gevaar. Daar komt bij dat er in de gevangenissen nauwelijks schuilkelders aanwezig zijn of dat in de aanwezige schuilkelders onvoldoende plek is voor alle gedetineerden. De raadsman heeft gewezen op een Deens rapport gedateerd december 2024, getiteld ‘Ukraine Prison conditions, 2024 update’. Dit rapport gaat, voor zover hier van belang, in op de impact van de oorlog op het gehele gevangenissysteem in Oekraïne waardoor detentieomstandigheden in het hele land slechter zijn geworden.

De raadsman heeft verder gewezen op de in een e-mailbericht van 1 april 2026 gegeven verklaring van de Oekraïense advocate van de opgeëiste persoon. Zij onderschrijft de door de raadsman geschetste gevaren in Kiev, waar de onderliggende strafzaak tegen de opgeëiste persoon speelt. Dat betekent dat de opgeëiste persoon ook gevaar loopt als hij van de gevangenis naar de rechtbank of het politiebureau wordt gebracht en als hij daar aanwezig is om terecht te staan of te worden gehoord. De oorlogssituatie in Oekraïne leidt volgens de raadsman tot grote vertragingen van de gerechtelijke procedure en de opgeëiste persoon zal op afstand moeten worden bijgestaan door een advocaat. De garanties die de autoriteiten van Oekraïne geven zijn, gelet op de oorlogssituatie, in de praktijk niet na te leven en daartegen valt geen reëel rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM in te brengen.

Bovendien is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen. Als van een gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne geen sprake kan zijn, dan kan er ook geen sprake zijn van uitlevering aan Oekraïne van een gedetineerd persoon.

De raadsman heeft, gelet op de door hem geschetste feiten en omstandigheden, geconcludeerd dat sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen 2 en 3 EVRM zonder dat daarvoor een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat.

3. De beoordeling van het verzoek tot uitlevering

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het uitleveringsverzoek is de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) van toepassing (hierna: het Verdrag).

De genoegzaamheid van de stukken

De rechtbank concludeert dat de overgelegde stukken voldoen aan de eisen van artikel

18 van de UW en artikel 12, tweede lid, van het Verdrag. De stukken zijn dan ook genoegzaam.

Dubbele strafbaarheid

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag kan uitlevering ten behoeve van strafvervolging alleen worden toegestaan als zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Oekraïens recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan op grond van die bepalingen een vrijheidsstraf worden opgelegd voor de duur van negen tot twaalf jaar.

Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als deelneming aan een criminele organisatie (strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod. Voor elk van deze feiten kan naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van zes jaar of van langere duur worden opgelegd.

Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, UW en artikel 2, eerste lid, van het Verdrag gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan – kort gezegd – de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd of heeft terechtgestaan of voor een feit dat naar Nederlands recht is verjaard. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2025 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Oekraïens of Nederlands recht sprake van verjaring.

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.

Onschuld van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft op de zitting niet beweerd dat hij onverwijld kan aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Dreigende schending EVRM

Ter zitting heeft de raadsman namens de opgeëiste persoon een beroep gedaan op een dreigende schending van de rechten die hem toekomen op grond van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (verbod van foltering) van het EVRM. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de uitlevering op grond van de dreigende mensenrechtenschending ontoelaatbaar te verklaren.

De rechtbank ziet zich daarmee voor de vraag gesteld wie in deze zaak bevoegd is een oordeel te geven over de door de raadsman aangehaalde weigeringsgrond: de uitleveringsrechter of de Minister. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt onder meer dat het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 2 en 3 EVRM is voorbehouden aan de Minister. De rechtbank begrijpt dat de raadsman een beroep heeft willen doen op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 maart 2017 onder rechtsoverweging 3.6, categorie B onder iii geformuleerde uitzonderingssituatie, waarbij het niet de Minister maar de uitleveringsrechter is die een oordeel moet vellen over de toelaatbaarheid van uitlevering in het licht van een dreigende inbreuk op een fundamenteel recht zoals opgenomen in het EVRM.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de Hoge Raad in het betreffende arrest uitsluitend ten aanzien van dreigende inbreuken op de in artikel 6 EVRM genoemde rechten een uitzondering heeft geformuleerd op de bevoegdheidsverdeling tussen de Minister en de uitleveringsrechter. Uit tekst en motivering van dat arrest volgt dat de Hoge Raad niet heeft bedoeld diezelfde uitzondering ook te willen maken voor de rechten genoemd in artikel 2 en 3 EVRM. Het verweer van de raadsman over de dreigende schending van artikel 2 en 3 EVRM kan bij de uitleveringsrechter daarom niet slagen. De rechtbank is niet bevoegd om hierover een oordeel te geven. Deze beoordeling is voorbehouden aan de Minister. Voor zover de Minister zal besluiten gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek en de opgeëiste persoon zich tegen dat besluit verzet, zal hij voorafgaand aan de daadwerkelijke uitlevering in kort geding bij de burgerlijke rechter aan de orde kunnen stellen dat de voorgenomen uitlevering een schending van zijn fundamentele rechten oplevert. In dat geval zal, voorafgaand aan de daadwerkelijke uitlevering, het oordeel van de Minister vol getoetst moeten worden door een rechter op basis van alle op dat moment beschikbare informatie.

De rechtbank zal de Minister adviseren bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek rekening te houden, op basis van alle op dat moment beschikbare informatie, met het ernstige gevaar dat de oorlogshandelingen in Oekraïne een dreigende schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling van de opgeëiste persoon opleveren. Daarnaast zal de rechtbank de Minister adviseren op basis van de haar ter beschikking staande informatie over de oorlogssituatie in Oekraïne op dit moment geen gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.

Conclusie

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar moet worden verklaard.

4. De uitleveringsdetentie

Naar het oordeel van de rechtbank is het vluchtgevaar, zoals zij dat eerder heeft aangenomen, onverkort aanwezig en rechtvaardigt dat vluchtgevaar de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te laten voortduren. Het verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding zal daarom worden afgewezen. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit bevel, dat al is geschorst, geschorst te laten blijven. Het vluchtgevaar kan voldoende worden ondervangen door de gestelde voorwaarden, zoals opgenomen in het bevel tot schorsing van de gevangenhouding van 9 april 2026.

5. Slotsom.

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;

- 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet;

- 47 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet.

6. De beslissing.

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Oekraïne van [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedatum] 1963 te Van (Turkije), ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek;

wijst af het verzoek tot opheffing van de gevangenhouding;

bepaalt dat het bevel gevangenhouding geschorst blijft onder de voorwaarden zoals opgenomen in het bevel schorsing uitleveringsdetentie van 9 april 2026.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gewezen door

mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,

mr. G.M.G. Hink en mr. E. van Kampen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C.J. Lommen
  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. E. van Kampen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand