ECLI:NL:RBNHO:2026:5265

ECLI:NL:RBNHO:2026:5265

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 15/257793-25, 15/246823-25 (gev), 15/246824-25 (gev), 15/249707-25 (gev), 15/252305-25 (gev), 15/253855-25 (gev) en 16/234153-25 (gev)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Veroordeling voor dertien strafbare feiten (poging tot brandstichting, bedreiging, vernielingen, winkeldiefstallen, beledigingen van ambtenaren in functie en lokaalvredebreuk). Verminderend toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Oplegging bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/257793-25, 15/246823-25 (gev), 15/246824-25 (gev), 15/249707-25 (gev), 15/252305-25 (gev), 15/253855-25 (gev) en 16/234153-25 (gev) (P)

Uitspraakdatum: 4 mei 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 januari 2026, 8 april 2026 en 21 april 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te 's-Gravenhage,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

nu gedetineerd in PI Haaglanden PPC.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, reeds op de pro-formazitting van 12 januari 2026 gevoegd. De in die zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.A. Zwinkels en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.D. Renshof, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is (na wijziging van de tenlastelegging van feit 4), kort samengevat weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

(15/257793-25)

Feit 1

een poging tot brandstichting op 28 september 2025 te Hoorn;

Feit 2

vernieling van een (observatie)cel in de periode van 29 september 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Alkmaar;

(15/246823-25)

Feit 3

belediging van een ambtenaar in functie op 1 september 2025 te Haarlem;

(15/246824-25)

Feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 19 september 2025 te Hoorn, althans in Nederland;

Feit 5

belediging van ambtenaren in functie op 19 september 2025 te Hoorn;

(15/249707-25)

Feit 6

vernieling van een plant en/of plantenpot op 22 september 2025 te Bovenkarspel;

(15/252305-25)

Feit 7

winkeldiefstal van een of meer winkelgoederen op 24 september 2025 te Hoorn;

Feit 8

lokaalvredebreuk op 24 september 2025 te Hoorn;

(15/253855-25)

Feit 9

belediging van een ambtenaar in functie op 26 september 2025 te Hoorn;

Feit 10

winkeldiefstal van een zakje drop op 26 september 2025 te Hoorn;

Feit 11

winkeldiefstal van gebak op 26 september 2025 te Hoorn;

Feit 12

vernieling van een politiecel op 26 september 2025 te Hoorn;

(16/234153-25)

Feit 13

vernieling van zeven auto’s op 6 september 2025 te Bunnik.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 6, 7, 9, 10, 11 en 13, omdat die, kort gezegd, niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 8 en 12 heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen. De verweren van de raadsvrouw ten aanzien van feiten 6, 7, 9 en 11 vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 13 zal de rechtbank hieronder uitleggen hoe zij tot een bewezenverklaring is gekomen.

Aangezien de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft bekend en door hem of namens hem geen vrijspraak hiervoor is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage II.

Bewijsoverweging feit 13

De verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij zeven auto's heeft vernield die stonden geparkeerd op het bedrijfsterrein van een autoverhuurbedrijf.

De raadsvrouw heeft primair het standpunt ingenomen dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte betrokken is geweest bij de vernieling van de zeven auto’s. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de camerabeelden weliswaar te zien is dat de verdachte zich in de nabijheid van drie auto's heeft bevonden, maar dat daarop niet zichtbaar is dat hij bij die auto's handelingen heeft verricht die tot vernieling hebben geleid. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat alleen de vernieling van drie auto’s bewezen kan worden verklaard, nu er geen ander bewijs is waaruit blijkt dat de verdachte de andere vier auto’s ook heeft vernield.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever op 5 september 2025 om 21:00 uur, bij het verlaten van het bedrijfsterrein, heeft gezien dat de auto’s geen schade hadden. Wanneer hij de volgende dag weer op het bedrijfsterrein is, ziet hij om 09:35 uur dat de kofferbakken van de auto’s openstaan en dat er rommel rond de auto’s ligt. Vervolgens hoort hij dat wordt geprobeerd om een van de auto’s te starten. In deze auto ziet hij de verdachte zitten. De verdachte zegt dan tegen hem dat hij de auto’s aan het repareren is. Hij stuurt de verdachte weg en ziet vervolgens dat zeven auto’s schade hebben, hoofdzakelijk aan de koplampen. Op camerabeelden ziet de aangever dat de verdachte vanaf 06:30 uur die dag op het bedrijfsterrein is en dat de verdachte zich bij de auto’s bevindt. Deze beelden zijn ook uitgekeken door een verbalisant, die daarop ziet dat de verdachte handelingen verricht aan twee auto’s ter hoogte van de koplampen. Bij de eerste van de twee auto’s ziet de verbalisant dat de koplampen zijn verwijderd.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de zeven vernielde auto’s allen op hetzelfde bedrijfsterrein stonden en tussen de avond van 5 en de ochtend van 6 september 2025 niet van het terrein zijn af geweest. De schade aan de auto’s is dus in dit korte tijdsbestek veroorzaakt. De verdachte was gedurende dit tijdsbestek, in ieder geval vanaf 06:30 uur, aanwezig op het bedrijfsterrein en wordt ruim twee uur later in een van de auto’s aangetroffen, terwijl hij naar eigen zeggen de auto’s aan het repareren is en er vervolgens bij alle zeven auto’s schade aan de koplampen wordt geconstateerd. Op camerabeelden is voorts te zien dat de verdachte bij twee van de zeven auto’s handelingen verricht ter hoogte van de koplampen. Dit in onderlinge samenhang bezien maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de vernielingen heeft verricht. Dat de schade mogelijk door een ander is veroorzaakt, zoals door de raadsvrouw bepleit, blijkt nergens uit. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beschadiging van de zeven auto’s.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

Feit 1 hij op 28 september 2025 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor een personenauto ([automerk] voorzien van kenteken [kenteken A]) en het pand van het Dijklander ziekenhuis, gevestigd aan de Maelsonstraat 3, te duchten was, open vuur in aanraking heeft gebracht met aanmaakblokjes terwijl hij deze aanmaakblokjes in de directe nabijheid van de voornoemde personenauto heeft geplaatst terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 hij in de periode van 29 september 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Alkmaar meerdere malen, opzettelijk en wederrechtelijk een (observatie)cel die aan de Politie Eenheid Noord-Holland toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt;

Feit 3

hij op 1 september 2025 te Haarlem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer A], werkzaam als hoofagent bij de politie-eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "hoer! vieze hoer" en "stop een grote dildo in de kont en in de richting van [slachtoffer A] met zijn eigen hand een aftrekkende beweging te maken nabij zijn geslachtsdeel;

Feit 4 hij op 19 september 2025 in Nederland [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer B] dreigend de woorden toe te voegen "je moet ophouden met mij aankijken, ik snij je strot door in één keer he!";

Feit 5 hij op 19 september 2025 te Hoorn opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer C], werkzaam als hoofdagent bij de politie-eenheid Noord-Holland en ambtenaar [slachtoffer D], werkzaam als agent bij de politie-eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door:- [slachtoffer C] de woorden toe te voegen: "klootzak" en- [slachtoffer D] de woorden toe te voegen: "hoer";

Feit 6

hij op 22 september 2025 te Bovenkarspel opzettelijk en wederrechtelijk een plant die geheel aan [slachtoffer E] toebehoorde heeft vernield;

Feit 7 hij op 24 september 2025 te Hoorn winkelgoederen die geheel aan restaurant [naam A] en/of [naam B] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 8 hij op 24 september 2025 te Hoorn, in het besloten lokaal aan de Maelsonstraat 3 bij het Dijklander ziekenhuis wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 24 september 2025 schriftelijk de toegang tot dit ziekenhuis ontzegd voor onbepaalde tijd;

Feit 9 hij op 26 september 2025 te Hoorn opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer F], aspirant bij de Eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "negerhoer";

Feit 10 hij op 26 september 2025 te Hoorn een zakje drop dat geheel aan Etos toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 11 hij op 26 september 2025 te Hoorn gebak dat geheel aan Vomar toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 12 hij op 26 september 2025 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een cel die geheel aan politie basisteam Hoorn toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt;

Feit 13

hij op 6 september 2025 te Bunnik opzettelijk en wederrechtelijk 7 [automerk B] 2CV die geheel aan [bedrijfsnaam] B.V. toebehoorden heeft beschadigd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

feit 3 en feit 9

telkens: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;

feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 5

eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam, meermalen gepleegd;

feit 6

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 7, feit 10 en feit 11

telkens: diefstal;

feit 8

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

feit 12

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;

feit 13

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 315 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Van het onvoorwaardelijk strafdeel moet de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten worden afgetrokken. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Bij deze eis is de officier van justitie uitgegaan van verminderde toerekenbaarheid zoals door de deskundige geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt voor alle feiten bij een volledig toerekeningsvatbare verdachte een gevangenisstraf is van tien maanden. Vervolgens moet rekening worden gehouden met het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De raadsvrouw verwijst met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid naar het “Rotterdamse” schaalmodel over de ‘oriëntatiepunten toerekening’, een door de rechtbank Rotterdam gehanteerd hulpmiddel bij straftoemeting, en zij is van mening dat de feiten op grond hiervan hooguit voor 33 procent kunnen worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat aan de verdachte een gevangenisstraf van maximaal twee maanden moet worden opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan dertien strafbare feiten. De door de verdachte gepleegde gewelds- en vermogensfeiten hebben veel schade, hinder en overlast veroorzaakt.

De verdachte heeft zich meer in het bijzonder schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting waarbij gevaar voor goederen was te duchten. Hij heeft tussen een ziekenhuis en een GGZ-instelling geprobeerd een auto in brand te steken met sigaren en een aansteker. De auto stond met de voorzijde dicht tegen de voorgevel van een gebouw geparkeerd. In dit geval is het bij een poging gebleven, omdat een beveiliger en een bezoeker van het ziekenhuis hebben ingegrepen voordat er daadwerkelijk gevaar voor goederen werd veroorzaakt. De bezoeker heeft de brand namelijk uitgetrapt voordat het zich kon uitbreiden. Als dat niet was gebeurd, dan had de brand zich mogelijk kunnen uitbreiden tot de volledige auto en vervolgens kunnen overslaan naar het gebouw, wat tot een zeer gevaarlijke situatie had kunnen leiden met mogelijk aanzienlijke schade tot gevolg. Daarnaast geldt dat brandstichting in het algemeen gevoelens van angst, onveiligheid en onrust teweeg brengt. In dit geval geldt dat des te meer omdat deze poging tot brandstichting plaatsvond nabij een GGZ-instelling en een ziekenhuis.

Verder heeft de verdachte met de winkeldiefstallen en de vernielingen een gebrek aan respect getoond voor de eigendommen van anderen en materiële schade en overlast veroorzaakt. Door de bedreiging met de dood heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd en zijn gevoel van veiligheid aangetast. Tot slot heeft de verdachte meerdere malen politieagenten in functie beledigd door hen op al dan niet racistische dan wel vrouwonvriendelijke wijze uit te schelden en/of obscene gebaren te maken. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor andere mensen en het openbaar gezag, ook heeft de verdachte deze politieagenten aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2026), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het door GZ-psycholoog [naam deskundige] over de verdachte opgestelde Pro Justitia-rapport van 28 december 2025. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie. De verdachte is in augustus 2025 zijn woning verloren en is vervolgens dakloos geraakt, waardoor hij meer psychotisch is geraakt en door het leven op straat steeds meer gedesorganiseerd is geworden, wat zijn gedrag heeft beïnvloed ten tijde van de poging tot brandstichting. Daarom wordt geadviseerd om de verdachte de ten laste gelegde poging tot brandstichting, mits bewezen, verminderd of niet toe te rekenen. Ter beperking van het matig tot hoge recidiverisico wordt een langdurige, gestructureerde klinische behandeling op een forensische psychiatrische afdeling aanbevolen, waarna gekeken kan worden welke vervolgsetting het meest passend is voor de verdachte.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige ten aanzien van de pathologie over en stelt vast dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie. Wat betreft de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte neemt de rechtbank de conclusie van de deskundige in zoverre over dat de rechtbank ervan uitgaat dat de schizofrenie van invloed is geweest op het gedrag van de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde poging tot brandstichting en daarom verminderd aan hem is toe te rekenen. Omdat de overige bewezenverklaarde feiten in dezelfde maand zijn gepleegd en er geen reden is om aan te nemen dat de verdachte ten tijde van deze feiten niet onder invloed stond van de schizofrenie, gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze feiten verminderd aan hem zijn toe te rekenen. De rechtbank is dus van oordeel dat de verdachte strafbaar is, maar zal bij de strafoplegging rekening houden met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft verder gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 26 februari 2026. De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de volgende voorwaarden:

een meldplicht bij de reclassering;

opneming in een zorginstelling;

ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;

verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

beheersing van het middelengebruik.

Op te leggen straf

De rechtbank is in eerste plaats van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde poging tot brandstichting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en daarnaast voor een deel van de andere feiten naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank hanteert de door de raadsvrouw genoemde oriëntatiepunten toerekening van de rechtbank Rotterdam niet. De oriëntatiepunten zijn een hulpmiddel van die rechtbank en hebben binnen de rechtspraak geen algemeen geldende status.

Gelet op de problematiek van de verdachte, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en ter voorkoming van recidive acht de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte klinisch zal worden behandeld. Ter zitting is gebleken dat de verdachte bereid is om zich aan alle bijzondere voorwaarden te houden. De verdachte kan, nadat hij vrijkomt, worden opgenomen in de FPA te Heiloo. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat 45 dagen daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd, en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. De rechtbank acht het noodzakelijk dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden en dat de klinische behandeling aansluitend aan de detentie van start zal gaan.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte is onder meer veroordeeld voor brandstichting en voor bedreiging. Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat de kans op herhaling van nieuw gewelddadig gedrag matig tot hoog is als de verdachte zonder specifieke behandeling uit detentie zou gaan. Ook de reclassering schat de kans op recidive hoog en op letsel gemiddeld in wanneer de verdachte zonder behandeling dakloos op straat terecht komt. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid op te leggen.

7. Het beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen goederen verbeurd moeten worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een pak sigaretten en een aansteker, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die de aan verdachte toebehoren, is begaan.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij Politie Eenheid Noord-Holland heeft gemachtigde [naam gemachtigde] een vordering tot schadevergoeding van € 1.918,65 ingediend wegens materiële schade die Politie Eenheid Noord-Holland als gevolg van feit 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor reiniging van de cel (€ 1.601,37), vervanging van het matras en het kussen (€ 127,28) en de administratiekosten (€ 190,-).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering. Wel heeft de raadsvrouw verzocht om geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat deze maatregel primair bedoeld is voor natuurlijke personen.

Oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering daarom integraal toe

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 2 oktober 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Geen schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt geen schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op. Met de schadevergoedingsmaatregel wordt (kort gezegd) beoogd dat het slachtoffer er niet zelf voor hoeft te zorgen dat de verdachte de schadevergoeding betaalt, maar dat de staat dat doet. De benadeelde partij in deze zaak is echter een publieke rechtspersoon. Daarom, en omdat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard bereid te zijn de schade te vergoeden, gaat de rechtbank ervan uit dat in deze zaak een extra inspanning van de staat niet nodig zal zijn.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 63, 138, 157, 266, 267, 285, 310, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 45 (vijfenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

De verdachte zal gedurende de proeftijd meewerken aan bezoeken van de reclassering in de kliniek waar hij verblijft. Na ontslag uit de kliniek werkt de verdachte mee aan huisbezoeken en/of meldplichtafspraken met Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 10, 1824 DX Alkmaar, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

2. Opneming in een zorginstelling

De verdachte zal zich tijdens de proeftijd voor de duur van een jaar of zoveel korter of langer als de reclassering nodig vindt, laten opnemen in en behandelen door de FPA Heiloo van GGZ NHN of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname sluit aan op de detentie of zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling en stabilisatie van schizofrenie. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

3. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

De verdachte zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen door ambulante (forensische) GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op stabiliseren en het voorkomen van decompensatie. Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling en stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

4. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte zal gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in beschermde woonvorm of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

5. Beheersing middelengebruik

De verdachte zal gedurende de proeftijd meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Beslag

Verklaart verbeurd:

Vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van Politie Eenheid Noord-Holland geheel toe tot een bedrag van € 1.918,65 (zegge: duizend negenhonderdachttien euro en vijfenzestig eurocent).

Veroordeelt de verdachte tot betaling aan Politie Eenheid Noord-Holland van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling.

Beslissing voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Talmricht, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. N. Ćulafić, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2026.

Bijlage I

De tenlastelegging

(15/257793-25)

Feit 1 hij op of omstreeks 28 september 2025 te Hoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een personenauto ([automerk] voorzien van kenteken [kenteken A]) en/of het pand van het DIjklander ziekenhuis, gevestigd aan de Maelsonstraat 3 te duchten was, open vuur in aanraking heeft gebracht met een of meerdere aanmaakblokje(s) terwijl dit/deze aanmaakblokje(s) zich in de directe nabijheid van de voornoemde personenauto heeft geplaatst terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 29 september 2025 tot en met 2 oktober 2025 te Alkmaar, althans in Nederland, een of meerdere malen, opzettelijk en wederrechtelijk een (observatie)cel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie Eenheid Noord-Holland, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(15/246823-25)

Feit 3

hij, op of omstreeks 01 september 2025 te Haarlem opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer A], werkzaam als hoofagent bij de politie-eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door haar de woorden toe te voegen: "hoer! vieze hoer" en/of "stop een grote dildo in de kont", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of in de richting van die [slachtoffer A] met zijn eigen hand een aftrekkende beweging te maken nabij zijn geslachtsdeel;

(15/246824-25)

Feit 4 hij, op of omstreeks 19 september 2025 te Hoorn, althans in Nederland, [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer B] dreigend de woorden toe te voegen "je moet ophouden met mij aankijken, ik snij je strot door in één keer he!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 5 hij, op of omstreeks 19 september 2025 te Hoorn opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer C], werkzaam als hoofdagent bij de politie-eenheid Noord-Holland en/of ambtenaar [slachtoffer D], werkzaam als agent bij de politie-eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door:- [slachtoffer C] de woorden toe te voegen: "klootzak" en/of- [slachtoffer D] de woorden toe te voegen: "hoer",althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(15/249707-25)

Feit 6

hij op of omstreeks 22 september 2025 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec opzettelijk en wederrechtelijk een plant en/of plantenpot, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer E], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(15/252305-25)

Feit 7 hij op of omstreeks 24 september 2025 te Hoorn een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan restaurant [naam A] en/of [naam B], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 8 hij op of omstreeks 24 september 2025 te Hoorn, in het besloten lokaal op/aan de Maelsonstraat 3 bij het Dijklander ziekenhuis, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 24 september 2025 schriftelijk de toegang tot dit ziekenhuis ontzegd voor onbepaalde tijd;

(15/253855-25)

Feit 9 hij op of omstreeks 26 september 2025 te Hoorn opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer F], aspirant bij de Eenheid Noord-Holland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "negerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Feit 10 hij op of omstreeks 26 september 2025 te Hoorn een zakje drop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Etos, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 11 hij op of omstreeks 26 september 2025 te Hoorn gebak, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Vomar, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 12 hij op of omstreeks 26 september 2025 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een cel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan politie basisteam Hoorn, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(16/234153-25)

Feit 13

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Bunnik opzettelijk en wederrechtelijk 7 [automerk B] 2CV, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijfsnaam] B.V., toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Bijlage II

De bewijsmiddelen

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand