RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11970659 \ EJ VERZ 25-59
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
1. [verzoeker 1],
te [plaats 1],
2. [verzoeker 2],
te [plaats 2],
verzoekende partijen,
hierna te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
procederend in persoon,
1. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 14 november 2025. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gezamenlijk verzoek ingediend.
2. De feiten
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben een affectieve relatie gehad en hebben op 1 april 2025 een huurovereenkomst gesloten met Haarlemmermeer Vastgoed Beheer B.V. (verder: de verhuurder) voor de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] (verder: de woning)
De relatie tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] is op 16 september 2025 verbroken. [verzoeker 1] heeft de woning duurzaam verlaten en woont sindsdien elders.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben de verhuurder verzocht de huurovereenkomst te wijzigingen in die zin dat enkel [verzoeker 2] aan de huurovereenkomst is gebonden. De verhuurder heeft dit verzoek geweigerd.
3. Het verzoek
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken te bepalen dat [verzoeker 1] de huur van de woning ingang van 1 november 2025 niet langer zal voortzetten. In het geval het verzoek wordt toegewezen, verzoeken [verzoeker 1] en [verzoeker 2] voor recht te verklaren dat de exclusieve toewijzing van het huurrecht aan [verzoeker 2] werking heeft tegenover de verhuurder en haar eventuele opvolgers.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat zij
op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de kantonrechter kunnen verzoeken om de status van [verzoeker 1] als medehuurder te laten beëindigen. Zij zijn gezien de weigering van de verhuurder genoodzaakt een procedure op grond van artikel 96 Rv in te stellen.
4. De beoordeling
Het verzoek van partijen zal worden beslist door middel van een vonnis. Artikel 96 Rv schrijft niet voor op welke wijze er wordt beslist. Nu een verzoek op grond van artikel 7:267 lid 7 BW normaal gesproken wordt ingeleid met een dagvaarding – waarop vervolgens beslist wordt met een vonnis – zal hierop aansluiting worden gezocht.
Uit artikel 7:267 lid 7 BW volgt dat de huurder en/of wettelijke medehuurders kunnen vorderen dat de rechter bepaalt dat die huurder of wettelijke medehuurders de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Volgens vaste rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW van overeenkomstige toepassing in het geval gezamenlijke huurders uit elkaar gaan. Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BW en artikel 7:267 BW bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst.
De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover de verhuurder. Als dat artikel wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.
Dit juridisch toetsingskader in overweging nemende, wordt bepaald dat [verzoeker 1] met ingang van 1 november 2025 niet langer de huur voort zet. Uit het voorgaande volgt dat een dergelijke uitspraak ook werking heeft tegenover de verhuurder. Nu het verzoek door beide partijen is ingesteld, zullen de vorderingen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
5. De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat [verzoeker 1] de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de
[adres] te [plaats 2], met ingang van 1 november 2025 niet langer voortzet;
verklaart voor recht dat toewijzing van het huurrecht aan [verzoeker 2] werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte, Haarlemmermeer Vastgoed Beheer B.V. en haar eventuele opvolgers;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd/verzocht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.