RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/375626 / JU RK 26-420 en C/15/375627 / JU RK 26-421
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.J. van der Vlis, kantoorhoudende te Haarlem.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader] ,
de stiefvader van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende te [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift betreffende [de minderjarige 1] , met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026;
het verzoekschrift betreffende [de minderjarige 2] , met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de stiefvader;
de GI (via videoverbinding), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben voorafgaand aan de zitting hun mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 2] verblijft sinds 23 december 2024 bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . [de minderjarige 1] verblijft sinds november 2025 (op een andere locatie) bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] .
Bij beschikking van de kinderrechter van 28 februari 2013 zijn [de minderjarige 1] en
[de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] is vervolgens verlengd
en heeft geduurd tot 28 februari 2015. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] is niet
verlengd en heeft geduurd tot 28 februari 2014.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 januari 2025 is [de minderjarige 2] voorlopig
onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Deze ondertoezichtstelling is van
rechtswege geëindigd op 10 april 2025.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 januari 2025 ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpverlener. Deze machtiging is bij beschikking van 22 januari 2025 verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en is van rechtswege geëindigd op 10 april 2025.
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 april 2025 is [de minderjarige 2] opnieuw
voorlopig onder toezicht gesteld tot 29 april 2025. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 24 april 2025 verlengd tot 24 april 2026.
Ook is bij beschikking van de kinderrechter van 15 april 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 april 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 24 april 2025 verlengd tot 24 april 2026.
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 24 april 2026.
Op 29 januari 2026 is er een machtiging verleend om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 24 april 2026.
3. Het verzoek
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de GI ten aanzien van [de minderjarige 2] verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar en ten aanzien van [de minderjarige 1] een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar.
De GI heeft verzocht deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht.
Voorafgaand aan de start van de ondertoezichtstelling was er binnen het gezin van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] al veel onrust. Alle gezinsleden waren overbelast door ingrijpende levensgebeurtenissen en ruzies onderling. Hoewel er hulpverlening vanuit de Waag was ingezet, heeft dit niet tot het gewenste resultaat geleid. Dit maakte de thuissituatie zodanig onduidelijk, onveilig en onvoorspelbaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dat zij sinds 24 april 2025 (opnieuw) onder toezicht zijn gesteld.
[de minderjarige 1]
Er zijn zorgen geweest over het psychisch welbevinden van [de minderjarige 1] . Er is bij haar sprake geweest van alcohol- en drugsgebruik en zichzelf snijden in haar armen. Het blijkt dat [de minderjarige 1] meer voor anderen (familieleden, vrienden) aan het zorgen is dan voor zichzelf. Hoewel zij in juni 2025 heeft aangegeven open te staan voor hulpverlening, is dat niet van de grond gekomen. Op 5 oktober 2025 is bekend geworden dat zij zwanger is. Voor het welbevinden en de veiligheid van [de minderjarige 1] en haar baby is het van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Vanwege de aanhoudende escalaties thuis dient ook een machtiging tot uithuisplaatsing te worden verleend om zo een optimale opvoedsituatie voor [de minderjarige 1] en de baby te realiseren. Inmiddels is een aanvraag ingediend voor netwerkpleegzorg om uit te zoeken of [de minderjarige 1] en de baby bij de moeder van de partner van [de minderjarige 1] ( [de partner] ) kunnen gaan wonen.
[de minderjarige 2]
is erg impulsief en beïnvloedbaar en heeft moeite om haar eigen veiligheid en
sociale situaties in te schatten. Hierdoor raakt zij sneller dan de meeste mensen betrokken bij ruzies en conflicten, soms met fysieke escalaties tot gevolg. Vanwege het maken van afspraken met onbekende mannen en het (vervolgens) impulsief weglopen heeft zij bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] al diverse malen een time out gekregen. De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moeten worden om de veiligheid van [de minderjarige 2] te kunnen waarborgen.
De GI heeft ter zitting het volgende hieraan toegevoegd en gewijzigd.
De vorige gezinsvoogd heeft zich het afgelopen jaar onvoldoende ingezet om de ondersteuning en hulpverlening goed te organiseren. Door het falen van de GI in de begeleiding, heeft de moeder het initiatief genomen om zelf praktische zaken in goede banen te [plaats] . Inmiddels is er contact tussen de moeder, de advocaat, [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en de nieuwe gezinsvoogd om passende hulp en begeleiding in gang te zetten.
[de minderjarige 1]
is inmiddels ingetrokken bij haar schoonmoeder en vriend in [plaats] . Het gaat goed met haar en met de baby en uit de screening is gebleken dat zij bij haar schoonfamilie kan blijven wonen. Het is daarbij nog de vraag hoe de voogdij voor de baby moet worden geregeld. Daarnaast dienen er praktische zaken te worden opgepakt, zoals de overdracht van het persoonsgebonden budget tussen de gemeentes. Gelet op alle (positieve) ontwikkelingen worden de verzoeken ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] aangepast, in die zin dat verzocht wordt deze voor een half jaar toe te wijzen met afwijzing van het overige. Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing betreft per 24 april de uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin. Binnen het komende half jaar kan de begeleiding en hulp naar verwachting worden overgedragen naar een vrijwillig kader.
[de minderjarige 2]
en ook haar moeder hebben aangegeven dat zij graag willen dat [de minderjarige 2] weer thuis komt wonen. Daarvoor moet eerst een regeling komen waarin de (opbouw van) de omgang wordt vastgelegd. Vandaaruit kan worden bekeken hoe de terugkeer naar huis kan worden gerealiseerd. Voor [de minderjarige 2] wordt het verzoek ook gewijzigd, in die zin dat verzocht wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een periode van een half jaar waarbij de resterende periode wordt aangehouden. Zo blijft er een uitvalsbasis beschikbaar als voor de begeleiding en terugkeer van [de minderjarige 2] naar huis meer tijd nodig blijkt te zijn.
4. De standpunten
De moeder heeft aangegeven dat zij het eens is met de aangepaste verzoeken van de GI.
De terugkeer van [de minderjarige 2] naar huis moet geleidelijk plaatsvinden en daar is tijd voor nodig. Ook is zij het eens met het feit dat [de minderjarige 1] bij het gezin van haar vriend gaat wonen. Het contact met de schoonmoeder van [de minderjarige 1] is goed en inmiddels zijn er gesprekken geweest over de voogdijregeling ten aanzien van de baby.
De advocaat heeft naar voren gebracht dat de aanstelling van de nieuwe gezinsmanager een positieve ontwikkeling is. De moeder, de stiefvader en de schoonmoeder hebben laten zien dat zij samen met de kinderen, ook zonder begeleiding, goed in staat zijn zaken voor elkaar te krijgen. De advocaat verzoekt om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] met een half jaar te verlengen met afwijzing van het resterende deel. Als voor [de minderjarige 2] een verlenging van een jaar zou worden uitgesproken, zou dat haar meer onrust en stress opleveren.
5. De meningen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
[de minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij sinds eind februari bij het gezin van haar vriend in [plaats] is ingetrokken en daar inmiddels is ingeschreven. Alles gaat goed en voor de komst van de baby begin juni is alles geregeld. Het contact met haar moeder verloopt nu goed en ze is ook blij dat haar stiefvader nog steeds betrokken is. Binnenkort gaat ze starten met traumatherapie bij De Waag in [plaats] . Verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met een jaar vindt ze te lang, omdat de GI het afgelopen half jaar niets heeft gedaan en de familie zelf alles heeft moeten regelen.
[de minderjarige 2] heeft aangegeven dat haar gedrag in goede zin is veranderd en dat ze graag naar huis wil. Het contact met haar moeder en stiefvader is verbeterd. Ze loopt niet meer weg en op school gaat het ook goed. Met haar biologische vader heeft ze weinig contact. Bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] heeft ze het momenteel niet zo naar haar zin vanwege een groep meiden daar. Ze gaat momenteel regelmatig naar huis en ze mag dan kiezen of ze bij haar moeder of haar stiefvader verblijft. Ze is het niet eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voor een jaar, omdat de gezinsmanager de afgelopen periode niets heeft gedaan en het gezin alles zelf moest regelen.
6. De beoordeling
verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en wat ter zitting is besproken, blijkt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete
ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de opvoedomgeving binnen het gezin, die zich kenmerkt door veel spanningen, escalaties en fysieke en verbale agressie. De thuissituatie heeft zijn weerslag op (de ontwikkeling van) [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gehad. Beide kinderen lijken niet goed te weten hoe zij hun emoties moeten reguleren en hoe zij sociaal-emotioneel bij elkaar aansluiting kunnen vinden.
In het geval van [de minderjarige 1] uitte zich dit in automutileren en middelengebruik. Zij voelt zich verantwoordelijk voor (de problemen uit) het gezin. Zij schuift daarbij haar belangen, emoties en gevoelens opzij en komt daardoor niet toe aan verwerking van eigen stress en trauma’s uit het verleden. Daar komt nu bij dat zij zwanger is en nog hulpverlening moet aangaan.
De zorg voor [de minderjarige 2] bestaat uit het feit dat zij moeite heeft om sociale situaties goed in te schatten en zich gepast te gedragen, waardoor zij sneller betrokken raakt bij ruzies en conflicten. Verder is zij erg impulsief en makkelijk beïnvloedbaar, waardoor er grote zorgen zijn over haar veiligheid. Voor beide kinderen geldt dat sprake is van een (deels) gestaakte schoolgang.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het gezin onvoldoende heeft kunnen profiteren van eerder geboden hulp, ondanks dat daaraan medewerking is gegeven. Nu de huidige ontwikkelingsproblemen ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nog steeds aan de orde zijn, is regie in het gedwongen kader noodzakelijk is om de hulpverlening (verder) van de grond te krijgen.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] is het van belang dat zij de juiste begeleiding en hulp krijgt met de komst van de baby en alles wat daarbij geregeld moet worden. Ook is het van belang dat zij de inmiddels ingezette therapie bij De Waag voortzet om haar trauma’s te kunnen verwerken en om te gaan met haar emoties.
Voor [de minderjarige 2] is het van belang dat er een omgangsregeling komt om de terugkeer bij haar moeder thuis op te kunnen bouwen. Daarnaast is het nodig dat zij de juiste begeleiding en therapie krijgt bij haar emotieregulatie en het omgaan met haar impulsiviteit.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig.
De kinderrechter verlengt ten aanzien van [de minderjarige 1] de ondertoezichtstelling voor de duur van een half jaar en wijst het verzoek voor het overige af.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de duur van een half jaar en houdt het verzoek voor het overige aan, zodat over een half jaar kan worden beoordeeld of, en zo ja wat, aan ondersteuning en begeleiding nog nodig is. De kinderrechter wil hiermee vinger aan de pols houden vanwege het feit dat de omgang met de moeder nog moet worden opgebouwd, dat hiervoor nu nog geen plan ligt en de nieuwe jeugdbeschermer nog moet starten.
Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1]
Ook is de kinderrechter van oordeel dat toewijzing van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] voor zes maanden in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is.
Het is van belang dat [de minderjarige 1] tijdens de zwangerschap en na de geboorte van de baby in een stabiele situatie aan zichzelf kan werken en begeleiding kan krijgen. [de minderjarige 1] kan niet terugkeren naar de moeder. Binnen de thuissituatie waren er, ondanks de ingezette hulpverlening, veel escalaties en zowel [de minderjarige 1] als de moeder zijn het er over eens dat dit geen mogelijkheid meer is. Nu de uitkomst van de netwerkscreening van het gezin van haar vriend positief is, kan [de minderjarige 1] bij het gezin van haar vriend worden geplaatst.
verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2]
Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige 2] , kan [de minderjarige 2] ’s veiligheid in de thuissituatie nog onvoldoende worden gewaarborgd. Het is in haar belang dat haar verblijf bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] wordt gecontinueerd zodat zij kan blijven profteren van de structuur, strakke kaders en begeleiding die zij nodig heeft. Vandaaruit kan de omgang met haar moeder weer worden opgebouwd met als vooruitzicht dat ze uiteindelijk weer thuis kan gaan wonen. De kinderrechter ziet net als bij de ondertoezichtstelling aanleiding het verzoek toe te wijzen voor een half jaar en het restant aan te houden om op deze manier vinger aan de pols te houden en te bezien of na dat half jaar een uithuisplaatsing voor langere duur nog noodzakelijk is of niet.
uitvoerbaarverklaring bij voorraad
6.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en (de verlenging van) de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] met ingang van 24 april 2026 tot 24 oktober 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin met ingang van 24 april 2026 tot 24 oktober 2026;
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van [de minderjarige 1] ;
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] met ingang van 24 april tot 24 oktober 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 april 2026 tot 24 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op de verzoeken tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] voor het overige aan tot een nader te bepalen zittingsdatum vóór 24 oktober 2026;
bepaalt dat de griffier de GI, de moeder, haar advocaat, mr. M.J. van der Vlis, en [de minderjarige 2] oproept voor die zitting;
draagt de GI op om de kinderrechter uiterlijk één week voor die zitting schriftelijk
te informeren over de actuele stand van zaken en of het resterende verzoek wordt
gehandhaafd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van B.H.E. Zuidam als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.