RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11484975 \ CV EXPL 25-229
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Easyjet Airline Company Limited eiser in het verzet
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
tegen
1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1]
2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2]
gedaagden in het verzet
hierna te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
De zaak in het kort
De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld om de passagiers te compenseren voor een geannuleerde vlucht. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. De vlucht of de daarop volgende vlucht dreigde het nachtregime van de luchthaven van aankomst of vertrek te schenden. Het betoog slaagt niet omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de vlucht in kwestie niet meer uitgevoerd kon worden voor het ingaan van het nachtregime. Het schenden van het nachtregime door de daarop vlucht levert geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en het verstekvonnis wordt bevestigd.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 23 oktober 2024;
- de verzetdagvaarding;- de conclusie van antwoord in het verzet;
- de conclusie van repliek in het verzet;
- de akte gedaagden in het verzet.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 mei 2022 vervoeren van Berlijn, Duitsland, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht U2 4567 dan wel EZY4567 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
Bij inleidende dagvaarding vorderen de passagiers dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. De vorderingen zijn, behalve een gedeelte van de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, bij verstek toegewezen.
De vervoerder is tegen het verstekvonnis in verzet gekomen en vraagt om de vorderingen van de passagiers alsnog af te wijzen. Hij voert daartoe aan dat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en deze daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
Volgens de vervoerder was de vlucht in kwestie onderdeel van de rotatievlucht Berlijn – Olbia – Berlijn – Amsterdam. De vluchten van Berlijn naar Olbia en terug werden vertraagd uitgevoerd. Deze vertraging dreigde door te werken op de vlucht in kwestie. Hierdoor dreigde ofwel de vlucht in kwestie ofwel de daarna ingeplande retourvlucht naar Berlijn de nachtklok van Schiphol dan wel die van de luchthaven van Berlijn te overtreden. Daarom moest de vlucht in kwestie worden geannuleerd.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vlucht oorspronkelijk gepland stond om aan te komen om 19.00 uur UTC. Het nachtregime op Schiphol gaat om 21.00 uur UTC in. De voorgaande vlucht van Olbia naar Berlijn werd met 1 uur en 24 minuten vertraging uitgevoerd. Dit betekent dat de vlucht in kwestie ondanks de vertraging van de voorgaande vluchten alsnog kon worden uitgevoerd voor het ingaan van het nachtregime van Schiphol.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarbij in het midden blijven in hoeverre de vertraging van de voorgaande vluchten het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers heeft de vervoerder immers onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het niet mogelijk was om de vlucht in kwestie uit te voeren voor het ingaan van het nachtregime van Schiphol. Hij had daartoe in ieder geval moeten stellen wat de geplande aankomsttijd op Schiphol zou zijn geweest en dat dit later was dan 21.00 uur UTC. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat deze het nachtregime van Schiphol zou schenden.
Het verweer dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat de daarna ingeplande vlucht van Amsterdam naar Berlijn het nachtregime van Schiphol (dan wel van de luchthaven van Berlijn) zou schenden slaagt evenmin. Ook als dit vast zou komen te staan, blijkt daaruit immers niet zonder meer dat het hierdoor niet mogelijk was om de vlucht in kwestie alsnog, zij het vertraagd, uit te voeren. De daarop volgende vlucht van Amsterdam naar Berlijn zou dan namelijk het nachtregime schenden en niet de vlucht in kwestie. De stelling dat het toestel en de bemanning nog terug moesten keren naar hun basis in Berlijn, maakt dit niet anders. Dit zijn immers interne, operationele gronden. Wellicht heeft de vervoerder daarbij keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van zijn onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Al met al kon de vervoerder dus zelf invloed uitoefenen op de annulering en was deze daarmee niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. De gevorderde compensatie is toewijsbaar en het verstekvonnis kan op dit punt in stand blijven. De wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht.Het gevorderde bedrag is niet hoger dan het volgens het Besluit berekende tarief. Daarmee zijn de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar en kan het verstekvonnis op dit punt eveneens in stand blijven.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 23 oktober 2024 in de zaak met zaaknummer 11269419 \ CV EXPL 24-5868;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die tot en met vandaag worden vastgesteld op een bedrag van € 216,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagiers, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter