RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11519989 \ CV EXPL 25-579
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats], Tsjechië
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Kumar
De zaak in het kort
De passagier vordert compensatie en schadevergoeding van de vervoerder vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. De vlucht na de vlucht in kwestie dreigde de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Dit levert echter geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Daarom slaagt het verweer niet. De compensatie wordt toegewezen. De schadevergoeding voor kosten van een alternatieve busreis valt niet onder de reikwijdte van de Verordening en is ook niet toewijsbaar op grond van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien is de kantonrechter niet bevoegd om van dit gedeelte van de vordering kennis te nemen, voor zover dit is gebaseerd op het Verdrag van Montreal. Daarom wordt dit gedeelte van de vordering afgewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis;
- de conclusie van dupliek;- de akte eiseres.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 12 augustus 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Praag, Tsjechië, met vlucht U27929 dan wel EZY7929 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagier heeft daarom compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert, na vermindering van eis, dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 351,49, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 88,74 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagier baseert haar vordering met name op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Zij stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,-. Daarnaast stelt zij dat de vervoerder haar na de annulering niet heeft omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Daarom moest zij een busreis boeken ter waarde van € 238,95. De vervoerder heeft haar al een bedrag van € 137,46 betaald. Daarom vordert zij vergoeding van het resterende gedeelte van dit bedrag (€ 101,49). Op de grondslag van dit gedeelte van de vordering wordt ingegaan bij de beoordeling.
De vervoerder voert verweer. Hij voert onder meer aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat de annulering het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, voor zover deze is gebaseerd op de Verordening en het Burgerlijk Wetboek.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Amsterdam – Praag – Amsterdam. Voorgaande vluchten werden vertraagd uitgevoerd doordat de luchtverkeersleiding latere vertrektijden oplegde. Deze vertraging dreigde door te werken op de vlucht in kwestie en de volgende vlucht. Hierdoor was het niet mogelijk om de volgende vlucht (van Praag naar Amsterdam) uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Daarop heeft hij zowel de vlucht in kwestie als de daarop volgende vlucht geannuleerd.
Dit verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het onmogelijk was om de vlucht in kwestie alsnog, zij het vertraagd, uit te voeren. De daarop volgende vlucht van Praag naar Amsterdam zou namelijk het nachtregime schenden en niet de vlucht in kwestie. De stelling dat het toestel nog moest terugkeren naar Amsterdam omdat het gepland stond om de dag erna weer andere vluchten uit te voeren, maakt dit niet anders. Dit zijn namelijk interne, operationele gronden. Wellicht heeft de vervoerder daarbij keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van zijn onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Daarom kon de vervoerder zelf invloed uitoefenen op de annulering en was deze niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. De gevorderde compensatie zal dan ook worden toegewezen.
De passagier vordert daarnaast een bedrag van € 101,49 voor een vervangende busreis. Zij baseert deze vordering primair op het recht op verzorging. Deze vordering slaagt niet. Het recht op verzorging geeft passagiers namelijk, onder omstandigheden, recht op gratis maaltijden en verfrissingen, hotelaccommodatie, vervoer tussen de luchthaven en de plaats van de accommodatie dan wel twee telefoongesprekken of e-mailberichten. De door de passagier gevorderde kosten voor een alternatieve busreis vallen hier niet onder. Daarom zal dit gedeelte van de vordering worden afgewezen, voor zover het is gebaseerd op de Verordening.
De passagier baseert dit gedeelte van de vordering subsidiair op de bepalingen uit het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (Verdrag van Montreal). De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder volgens de dagvaarding is gevestigd te Wenen, Oostenrijk. De plaats van bestemming lag in Tsjechië. Ten slotte is evenmin gesteld of gebleken dat de vervoerder (mede) een vestiging heeft in Nederland en dat die vestiging zorg heeft gedragen voor het sluiten van de overeenkomst met de passagier. Bij deze stand van zaken is de Nederlandse rechter niet bevoegd om van dit gedeelte van de vordering kennis te nemen, zodat de kantonrechter zich in zoverre onbevoegd zal verklaren.
Meer subsidiair baseert de passagier dit gedeelte van de vordering op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Bij een vervoersovereenkomst waarbij partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, wordt de overeenkomst echter beheerst door het recht van het land waar de passagier zijn gewone verblijfplaats heeft. De passagier heeft niet gesteld dat er een rechtskeuze is gemaakt. Daarom is in beginsel het Tsjechisch recht van toepassing en kan de vordering niet op basis van het Nederlandse recht worden toegewezen. De passagier heeft evenmin gesteld dat deze kosten op grond van het Tsjechisch recht voor toewijzing in aanmerking komen. Daarom wordt de vordering tot vergoeding van de kosten voor de busreis afgewezen.
De over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom gevorderde wettelijke rente is als anderszins onweersproken toewijsbaar.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. ok de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen, voor zover deze is gebaseerd op het Verdrag van Montreal;
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 augustus 2024 tot aan de dag van voldoening van dat bedrag;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 86,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 21,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter