RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11449239 \ CV EXPL 24-8770
Uitspraakdatum: 6 mei 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De verdere procedure
Bij tussenvonnis van 11 maart 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten hoe zij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen, zich uit te laten over het in het tussenvonnis gegeven voorlopig oordeel omtrent de oneerlijkheid van een aantal bedingen in de algemene voorwaarden en de hoogte en grondslag van de vordering nader te onderbouwen. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.
2. De verdere beoordeling
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter, ook in haar akte, niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. Zij heeft namelijk enkel gesteld dat de relevante informatie op haar website te vinden is. Zij heeft daarbij verwezen naar de overgelegde schermafdrukken van het bestelproces zonder toe te lichten welke informatie op welke schermafdruk te vinden is. Het is echter niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie in het dossier. Het is aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie op welke wijze aan de gedaagde partij is verstrekt (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren). Daarnaast blijkt uit deze schermafbeeldingen en de toelichting niet hoe het bestelproces wordt afgerond na het kiezen van een betalingsmethode en ook niet wat er op de door de eisende partij gehanteerde bestelknop staat. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat de eisende partij bij het tot stand komen van de overeenkomst heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Voor deze schending(en) zal een sanctie worden toegepast.
De kantonrechter moet aan de schending van de informatieplichten, inclusief artikel 6:230v lid 3 BW, gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. De kantonrechter zal daarom op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 60%. Deze sanctie zal alleen worden berekend over de contractuele verplichtingen van de consument en niet over het gevorderde eigen risico voor de schade en de schoonmaakkosten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
Per abuis is in het tussenvonnis het incassokostenbeding in de consumentenvoorwaarden van de eisende partij getoetst op oneerlijkheid. Omdat de eisende partij in deze procedure echter geen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vordert, is het incassokostenbeding geen beding dat op de vordering van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter dit beding (verder) niet toetsen op oneerlijkheid.
Uit de toelichting van de eisende partij in haar akte blijkt dat zij de prijs gedurende de overeenkomst niet heeft gewijzigd, waardoor het prijswijzigingsbeding uit artikel 10.3.3 van de consumentenvoorwaarden evenmin op de overeenkomst van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter dit beding (verder) ook niet toetsen op oneerlijkheid.
Wat is toewijsbaar?
De sanctie vanwege het schenden van de informatieverplichtingen zal alleen worden berekend over de contractuele verplichtingen van de consument en niet over het gevorderde eigen risico voor de schade en de schoonmaakkosten.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 2.476,37 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 3.840,92 x 0.4 + € 500,00 + € 440,00).
De eisende partij heeft een deelbetaling gedaan van € 1.860,40. Deze deelbetaling strekt in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 615,97 zal worden toegewezen. De wettelijke rente is toewijsbaar over het toe te wijzen gedeelte van de hoofdsom.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 615,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 113,94;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 144,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter