RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Zaanstad
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/5217
[eiseres 1] en [eiseres 2], mede als erven van [eiser], uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. D.N. Lavain),
en
(gemachtigde: mr. G.M. Pierik)
en
1. Deze uitspraak gaat over de verleende horeca-exploitatievergunning van de Stichting [naam stichting] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de horeca-exploitatievergunning verleend mocht worden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de horeca-exploitatievergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 bespreekt de rechtbank de voortzetting van het beroep van [eiser] . Onder 5 en 6 volgt de beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: mocht de burgemeester de horeca-exploitatievergunning voor onbepaalde tijd verlenen? En, heeft de burgemeester gehandeld met vooringenomenheid? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 15 september 2022 heeft de stichting een horeca-exploitatievergunning aangevraagd ten behoeve van het horecabedrijf [naam horecabedrijf] ’.
De burgemeester heeft de gevraagde vergunning met het besluit van 31 januari 2023 verleend. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 27 juni 2023 op het bezwaar van eisers is de burgemeester bij verlening van de horeca-exploitatievergunning gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van de burgemeester en [naam] (namens de burgemeester).
Eisers hebben op zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de rechtbank de Staat aangemerkt als partij in dit geding. Gelet op de desbetreffende beleidsregel, hoeft de Staat niet gevraagd te worden om een reactie op het verzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
3. Eisers wonen samen in de woning op het adres [adres 1] in [plaats] . De woning is gelegen op een bedrijventerrein. Op hetzelfde terrein is op [adres 2] een horecabedrijf in de vorm van een pop- en cultuurpodium genaamd [naam horecabedrijf] ’ gevestigd. Dit bedrijf wordt geëxploiteerd door de stichting.
De stichting heeft hiervoor op 31 december 2020 en 14 februari 2022 een horeca-exploitatievergunning gekregen. Beide met een geldigheidsduur van één jaar.
Op 13 december 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in twee zaken tussen eisers [eiseres 2] en [eiser] en de burgemeester over de tijdelijke horeca-exploitatievergunningen. Het beroep in de zaak HAA 21/3252 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard en het beroep in de zaak HAA 22/3229 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft op 15 september 2022 weer een horeca-exploitatievergunning gevraagd voor het exploiteren van het horecabedrijf. Op 31 januari 2023 heeft de burgemeester deze vergunning voor onbepaalde tijd verleend.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze horeca-exploitatievergunning.
Met het bestreden besluit van 27 juni 2023 heeft de burgemeester de horeca-exploitatievergunning in stand gelaten en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. De burgemeester heeft daarbij het advies van de externe hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften in de gemeente Zaanstad overgenomen en ten grondslag gelegd aan het besluit. Dit advies luidt – samengevat – als volgt.
De commissie merkt ten eerste op dat de horeca-exploitatievergunning nagenoeg identiek is aan de vorige horeca-exploitatievergunningen. Het enige verschil is de geldigheidsduur. De commissie constateert dat de bezwaargrond over de woon- en leefomgeving een herhaling van zetten is. Verder is de commissie van mening dat 2022 een representatief jaar is, omdat de coronamaatregelen aan het begin van het jaar zijn versoepeld, en dat de burgemeester dus op basis van dat jaar de gevolgen van de exploitatie van het poppodium volledig heeft kunnen beoordelen. Daarnaast is de stichting niet gelijk te stellen met [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ), dat op hetzelfde adres een horecabedrijf exploiteert. Het is daarom niet vreemd dat voor de stichting andere voorschriften gelden. Tot slot is de commissie van mening dat de aanvraag wel compleet is en de bezwaargrond in het kader van artikel 2:28a van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Zaanstad 2013 deels een herhaling is en deels niet concreet is gemaakt door eisers. Volgens de commissie is het besluit van 31 januari 2023 rechtmatig en is er geen aanleiding tot het stellen van extra voorschriften.
Overlijden eiser [eiser]
4. Gedurende de beroepsprocedure is eiser [eiser] overleden. Het is niet in geschil dat de andere twee eisers erfgenamen zijn van [eiser] en dat zij het beroep tevens als erfgenamen van hem mogen voortzetten.
Mocht de burgemeester de horeca-exploitatievergunning voor onbepaalde tijd verlenen?
5. Eisers betogen dat de horeca-exploitatievergunning geweigerd had moeten worden gezien de weigeringsgronden van de APV. De horeca-exploitatievergunning leidt immers tot een onevenredige belasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De burgemeester heeft niet onderzocht wat de maximale impact van de exploitatie is op hun woon- en leefklimaat. De activiteiten zijn namelijk voor zeven dagen per week en 22 uur per dag vergund. Deze activiteiten op en rondom de locatie zullen dus intensiveren. Dit komt tot uiting in onder meer extra verkeersbewegingen, parkeeroverlast, toename van bezoekers, toename van geluidsoverlast en blokkades van de toegangsweg naar hun woning. Ter ondersteuning verwijzen eisers naar een constateringsrapport van 13 juli 2019. Indien de horeca-exploitatievergunning toch in stand kan blijven, wijzen eisers erop dat voorschriften ontbreken die hun woon- en leefklimaat waarborgen. Ter ondersteuning verwijzen eisers naar de exploitatievergunning van [bedrijf] waarin die voorschriften wel zijn opgenomen. Tot slot betogen eisers dat 2022 geen representatief jaar is om op basis daarvan de horeca-exploitatievergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Het was namelijk het opstartjaar waarin de coronamaatregelen geleidelijk aan werden versoepeld. Dit jaar kan dus ook geen deugdelijk beeld hebben gegeven van de impact op het woon- en leefklimaat van eisers. Het lag voor de hand om de horeca-exploitatievergunning daarom weer voor één jaar te verlenen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 1:7, eerste lid, van de APV is uitgangspunt dat een horeca-exploitatievergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend. Hiervan kan de burgemeester op grond van artikel 2:28, vijfde lid, onder a, van de APV afwijken, indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld. De burgemeester heeft voldoende toegelicht waarom afwijken in dit geval niet nodig is. Zo heeft de burgemeester geen overlastmeldingen en handhavingsverzoeken ontvangen die gericht zijn tot de stichting. Daarnaast kan de rechtbank ook het standpunt van de burgemeester volgen dat 2022 een representatief jaar is, aangezien begin 2022 de coronamaatregelen al waren versoepeld. Eisers hebben geen tegenbewijs overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat de stichting in 2022 onaanvaardbare overlast heeft veroorzaakt. Het rapport waar eisers naar verwijzen komt uit 2019 en is niet gericht tot de stichting, maar tot [bedrijf] . Daarnaast hoeft de burgemeester ook geen reden te zien om nadere voorschriften te verbinden aan de horeca-exploitatievergunning van de stichting op basis van het enkele feit dat die voorschriften er voor [bedrijf] wel zijn. Er is namelijk geen concrete overlast met betrekking tot de stichting geconstateerd. Tot slot merkt de rechtbank op dat hetgeen eisers verder aanvoeren over de gevolgen voor de omgeving, een herhaling is van gronden die in de uitspraak van de rechtbank van 13 december 2022 al zijn afgedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om over die gronden nu anders te oordelen.
Heeft de burgemeester gehandeld met vooringenomenheid?
6. Eisers betogen dat vooringenomenheid of schijn daarvan wordt gewekt, wegens de (financiële) constructie van de vestiging van [naam horecabedrijf] en de rol van de gemeente. Op zitting hebben eisers toegelicht dat zij vraagtekens hebben bij de huurconstructie van de stichting. [naam horecabedrijf] was namelijk al gevestigd, voordat er een horeca-exploitatievergunning was verleend. De vraag is hoe de stichting [naam horecabedrijf] destijds heeft kunnen exploiteren. Eisers menen dat de vooringenomenheid ziet op het achteraf toestaan van activiteiten door nu alsnog een horeca-exploitatievergunning te verlenen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de gemeente geen eigenaar is van het pand. De stichting huurt (een deel van) het pand van [bedrijf] , dat het pand in eigendom heeft. Van privaatrechtelijke inmenging is daarom geen sprake. Er bestaat wel een subsidierelatie tussen de gemeente en de stichting, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. Verder heeft de burgemeester op zitting toegelicht dat aanvankelijk het idee was dat de stichting geen (eigen) horeca-exploitatievergunning nodig had, omdat [bedrijf] er een heeft voor het gehele pand. Later bleek het toch wenselijk dat de stichting een afzonderlijke horeca-exploitatievergunning zou aanvragen, omdat [bedrijf] anders ook verantwoordelijk is voor de exploitatie van [naam horecabedrijf] en er vanuit [bedrijf] een leidinggevende aanwezig zou moeten zijn tijdens activiteiten van de stichting. Daarom heeft de stichting alsnog een eigen horeca-exploitatievergunning aangevraagd, die is verleend. De rechtbank ziet niet in hoe dit blijk geeft van (schijn van) vooringenomen handelen door de burgemeester.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de horeca-exploitatievergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de in verband met het beroep gemaakte proceskosten.
8. Op zitting hebben eisers een verzoek gedaan om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, aangezien de rechtbank niet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift door de burgemeester op 10 maart 2023 uitspraak heeft gedaan. Omdat de burgemeester binnen een half jaar op het bezwaarschrift heeft besloten, is de overschrijding niet aan de burgemeester, maar aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat de Staat tot een schadevergoeding veroordeeld moet worden. Daarbij wordt een bedrag van € 500,- gehanteerd per half jaar of deel daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. In dit geval is de termijn met meer dan een half jaar, maar minder dan een jaar overschreden. Eisers komen daarom in aanmerking voor een schadevergoeding van € 1.000,-.
Omdat eisers een geslaagd verzoek om schadevergoeding hebben gedaan, dient de Staat hiervoor ook een proceskostenvergoeding te betalen aan eisers. De proceskosten worden door de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eisers;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.